TEKEN AAN DE WAND

De naoorlogse bouwwoede ging gepaard met een nieuw soort omgevingskunst: geveldecoraties in alle soorten en maten. Oude en jonge kunstenaars leefden zich erin uit, en raakten vergeten....

Overal werd gebouwd. In het hele land werd de schade van de oorlog hersteld, van platgebombardeerde stadscentra en vernietigde fabrieken, haveninstallaties, wegen, vliegvelden en spoorwegen. De oorlog had een complete infrastructuur weggevaagd, die opnieuw moest worden opgebouwd. Toen de havens weer open waren, de fabrieken weer draaiden, de opgeblazen dijken gedicht en de mijnen in Limburg het land weer kolen leverden voor zijn energie, werd begonnen met de bestrijding van de woningnood.

Alle grote steden ontwikkelden nieuwe uitbreidingswijken, met naast woningbouw in de typische flatstijl van die dagen nieuwe scholen, kerken en verzorgingscentra. Verspreid over die wijken werden nieuwe ziekenhuizen gebouwd, in stadscentra nieuwe schouwburgen en raadhuizen. Universiteiten en hogescholen werden uitgebreid en nieuwe wegen aangelegd.

En overal waar gebouwd werd, verscheen de kunst.

De overheid had er percentageregelingen voor ingesteld, waarbij een deel van de bouwsom werd gereserveerd voor verfraaiing van al dat nieuwe, en daagde het bedrijfsleven uit het voorbeeld te volgen. In korte tijd, en in een ongekende hoeveelheid, werd die nieuwe architectuur voorzien van een nieuwe kunst. Begrippen als 'omgevingskunst' of 'kunst in de openbare ruimte' bestonden nog niet. Het ging hier om monumentale geveldecoratie en soms ook om het aankleden van het interieur. Het was iets nieuws, dat vol trots werd gepresenteerd op beurzen die getuigden van de nieuwe tijd, Ahoy in 1950 en E 55 (met de E van Energie) vijf jaar later, beide in Rotterdam, de stad van aanpakken en mouwen opstropen.

De kunstenaars die eraan bijdroegen, werkten in glas-in-lood en in het nieuwe procedé van glas-in-beton, in gesmolten glas en in gehamerd en gebeiteld glas. Ze maakten mozaïeken in natuursteen, tegelscherven en baksteen en reliëfs in steen, hout, keramiek of gegoten beton. Ze beschilderden wanden en maakten fresco's in technieken die nu niet meer worden toegepast, weefden tapijten en gobelins - en deden dat in alle mogelijke stijlen, teruggrijpend op vroeger of enthousiast getuigend van de nieuwste stromingen en ontwikkelingen in de beeldende kunst.

Het duurde net twintig jaar, toen was het voorbij.

Begin jaren zeventig kwam de kentering. Die loutere versiering had afgedaan. Het bedrijfslogo eiste de mooiste plek aan de gevel op. Een nieuwe tijd vroeg om een nieuwe aanpak. Het ging voortaan, bij overheidsopdrachten, niet meer om wandversieringen, maar om 'een zinvolle invulling van de gebouwde omgeving en om een verbetering van het leefmilieu'. De kunstenaars van vroeger kwamen niet meer aan bod. Hun kunst raakte vergeten. Veel ervan is in de loop der jaren zelfs spoorloos verdwenen, gesloopt bij latere uitbreidingen en renovaties, op de vuilnisbelt geëindigd.

In het boek De wand des tijds, dat hij geen studie noemt maar een beeldverslag, schetst Tom Haartsen, in die jaren adjunct-directeur van de Stichting Kunst & Bedrijf en nauw betrokken bij vele percentage-projecten, de geschiedenis van die periode in portretten van 77 deelnemende kunstenaars - om die kunst, die tijd, en zijn kunstenaars niet in het niets te laten verglijden.

Want dat gebeurt. Van velen zijn we de naam vergeten en hun werk zien we niet meer. De decoraties zijn een deel van een gebouw geworden, ermee samengesmolten. Ze vallen niet meer op, net zo min als de architectuur waarvan ze deel uitmaken - niet oud en tijdloos geworden, maar hopeloos gedateerd en daarmee afgeschreven als iets bijzonders. We gaan eraan voorbij.

Toch zijn we ermee opgegroeid. De kunstenaars van toen tekenden met hun werk het gezicht van de wederopbouw. Naast de architectuur, die nogal eenvormig was, bepaalde die gevelkunst het beeld van de jaren vijftig; van de nieuwbouwwijken waar we onze jeugd doorbrachten, de scholen waar we op zaten, de kerken die toen nog werden bezocht, de universiteiten en hogeschool waar we studeerden, de kantoren, instellingen en fabrieken waar we gingen werken. Die monumentale kunst was het leefdecor van de babyboomer.

In De wand des tijds wordt die periode geschetst in een beeldoverzicht van het werk van de kunstenaars en in korte, vriendschappelijke profielschetsen, die gaandeweg een weemoedig karakter krijgen, want driekwart van de geportretteerden is inmiddels overleden. Bij de 77 kunstenaars waren slechts drie vrouwen, ook nog eens werkzaam in disciplines die over het algemeen als typisch vrouwelijk werden beschouwd - keramiek, wandkleden en kunstnaaldwerk. Het waren de hoogtijdagen van de verzuiling, ook dat komt mooi boven uit de praktijk: katholieke opdrachten gingen naar katholieke kunstenaars en gereformeerde naar gereformeerde.

Velen van hen werkten alleen in hun eigen woonplaats of provincie, slechts een kleine voorhoede werd door het hele land heen gevraagd. Toch ging het niet om kleine projecten, maar in omvang vaak om gigantische; om complete gevels en wanden of hele muren waar soms jarenlang aan werd gewerkt.

Er zit in die wandkunst een tweedeling, die typerend was voor deze jaren waarin de moderne kunst doorbrak in Nederland. Een deel van de kunstenaars bleef werken in de stijl en traditie van vroeger, van voor de oorlog nog waarin ze in hun leertijd aan de Rijksacademie in Amsterdam waren opgeleid. Een ander deel omhelsde het modernisme en vond inspiratie bij Mondriaan en Picasso, bij de ongeremde vitaliteit van Cobra - in hun onderlinge debatten gingen ze net zo tegen elkaar tekeer als in de wereld van de vrije beeldende kunst.

Soms had de keuze te maken met de discipline waarin ze werkten. De kunstenaars die in glas-in-lood werkten, grepen in hun opdrachten voor kerken, scholen en kloosters over het algemeen terug op een eeuwenoude traditie. In de mozaïek, bij de wandschilders en tapijtontwerpers kom je dat ook tegen. In nieuwe technieken die de industrie net had ontwikkeld, vooral in glas en beton, zie je de ontvankelijkheid voor al het nieuwe in de kunst. Er waren ook altijd uitzonderingen, die dwars door disciplines heen hun eigen weg zochten.

Beide stromingen werden toen tegelijk gevraagd, oud en jong namen er aan deel. De nieuwe kunstvorm van die nieuwe tijd was niet aan een generatie of opvatting gebonden en zo zien we Karel Appel, Jan Bons, Jef Diederen, Cesar Domela en Dick Elffers vertegenwoordigd naast Charles Eyck, Heinrich Campendonk, Johan Dijkstra en Maurits Escher.

Het decor van de babyboomers biedt zo een prachtig dubbelbeeld van een tijdperk dat zelf ook twee gezichten had. Een van een samenleving die de draad weer oppakte waar die door de oorlog was gebroken; verzuild, gezagsgetrouw, zuinig en spaarzaam, waar elk dubbeltje twee keer werd omgedraaid voor het werd uitgegeven. En een van een wereld die op koken stond en schreeuwde om maatschappelijke en politieke veranderingen.

Aan die wandkunst van toen is dat hele dubbelbeeld nog af te lezen. In de stijl en traditie van vroeger, die keurig paste bij dat klimaat van nette burgerlijkheid. En in die visioenen van een nieuwe tijd, waarin verder werd gegaan op wegen die Mondriaan en Le Corbusier al hadden verkend. In die laatsten zit die optimistische geest van de wederopbouw helemaal geklonken. Vaak zijn ze nog klassiek uitgevoerd, als pure decoratie, maar meer als een kreet aan de muur dan louter versiering. Een enkele heeft zelfs alle beperkingen van het genre overwonnen en een groots gebaar gevonden, dat de architectuur overbluft waarvan het deel uit maakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden