Tegen het algemene gezemel Eersteklas eerstelijnshistoricus, volhardende malcontent

De dinsdag overleden journalist en historicus Jan Blokker past in een oude Nederlandse traditie: die van ‘grote malcontenten’, eenlingen die zich keren tegen de consensus....

Er is een heel scala aan mogelijkheden om duidelijk te maken dat je het ergens niet mee eens bent: er is de woedende uitval, het zuigende jennen, het chagrijnige zeuren en de goedmoedige ironie. Jan Blokker beheerste het hele register en dat kwam goed uit want hij had veel tegen Nederland. Eigenlijk had hij vooral iets tegen Nederland als een grote groep bewoners van die moerasdelta gezamenlijk iets vonden of deden, een opinietje koesterden of zich plotseling allemaal in het oranje gingen hullen.

In een kristalheldere stijl maakte hij dan duidelijk dat hij tot de Loevesteinse factie – hij was van mening dat zijn lezers dit begrip moesten kunnen thuisbrengen – hoorde en dat de kleur oranje hem daardoor in principe niet kon bekoren. Een boek lezen zou overigens geen kwaad kunnen; daaruit viel immers te leren dat Nederlanders verschillende keren in hun geschiedenis achter valse profeten en nefaste modes hadden aangelopen en dat dit doorgaans leidde tot het zo snel mogelijk vergeten daarvan.

Ongetwijfeld was dit alles de vrucht van een historisch geïnformeerd wantrouwen, maar het paste ook geheel in een kleine, maar uiterst belangrijke traditie in de Nederlandse cultuur. Nederlanders kunnen onderling enorm zeuren, denk in dit verband aan de Rijdende Rechter, maar bovenal zijn zij het erg graag met elkaar eens. Er zijn vrijwel altijd opvattingen, die in het door Blokker gehate sociaal-wetenschappelijke jargon ook ‘hegemoniaal’ kunnen worden genoemd, waaraan zoveel mogelijk mensen op zijn minst lippendienst bewijzen.

Sterker nog, er wordt een stevige sociale druk uitgeoefend om allemaal ongeveer hetzelfde te vinden. Zo waren we ooit met z’n allen ‘progressief’, maar hebben we ons inmiddels bekeerd tot een ‘no-nonsense’-benadering van allerlei problemen. Het zou ontactvol zijn om de Volkskrant hier als voorbeeld te noemen. Het vergt moed om zich daar tegen te verzetten, maar bijzondere kwaliteiten om dat lang vol te houden en op termijn gelijk te krijgen.

Dit soort mensen heeft in de geschiedschrijving een naam gekregen: het zijn de grote malcontenten, die zich niet de mond laten snoeren door al die kapiteins van de eigen badkuip en zich niet in de war laten brengen door de waan van de dag. Blokker was er daar één van.

In een stuk over Blokker misstaat een kleine geschiedenisles niet. Die traditie van de malcontenten stamt uit de negentiende eeuw en is slechts te begrijpen als reactie op een kenmerkende ontwikkeling in de Nederlandse samenleving. Na de revolutionaire veranderingen rond 1800 was duidelijk dat Nederland een zwak land was geworden: in bezit genomen door de Fransen, in een herwonnen onafhankelijkheid vooral steunend op Engeland en voortdurend bevreesd voor Duitsland, dat de Noordzee als een natuurlijke grens zou willen beschouwen.

Nederland was, vergeleken met het trotse verleden – koning Willem I heeft nog een tijdlang gedacht dat Nederland minstens zo belangrijk was als Pruisen – internationaal gezien een derderangs mogendheid geworden. De reactie daarop was wel begrijpelijk: meer dan ooit was het onverstandig om onderling ruzie te maken. Verdeeldheid, zo had de geschiedenis geleerd, kon gemakkelijk tot grote onderlinge conflicten leiden en andere landen zouden daarin dan weer gemakkelijk een reden kunnen zien om zich met het land te bemoeien.

Op die bodem bloeide de consensusdwang. Het openbare debat was vooral keurig, een aantal onderwerpen werden vermeden en de kerk werd voortdurend in het midden gehouden: als het even kon moest bij verschil van mening gezocht worden naar een oplossing die alle partijen tevreden stelde. De prijs die hiervoor betaald werd was hoog. Deze cultuur bevorderde een overmatige belangstelling voor de eigen besognes, uit het oog raakten de imposante ontwikkelingen in cultuur en wetenschap, politiek en economie in de rest van de wereld. Dit verschijnsel kan moeilijk beter worden aangeduid dan met een gedichtje van Nicolaas Beets, de geliefdste dichter-dominee van zijn tijd:

Dankt allen God en weest verblijd,Omdat gij Nederlanders zijt!Dien naam, dien Eer, dien ZegenHebt gij van Hem verkregen.

Het was deze vrome zelfgenoegzaamheid die de malcontenten naar de pen deed grijpen, om te beginnen Conrad Busken Huet (1826-1886) en Eduard Douwes Dekker (1820-1887).

Busken Huet begon in een reeks Litterarische Fantasien en Kritieken uit te leggen dat Nederland domweg te klein was om nog iets voor te stellen. En wat hem vooral tegenstond was het feit dat de Nederlandse samenleving in reactie daarop dacht aan zichzelf genoeg te hebben: ‘De geschiedenis van Europa heeft eene wending genomen, die voor kleine volken, zoo zij voortgaan zich in zichzelven op te sluiten, slechts een plantenleven overlaat.’

En vervolgens mat hij de Nederlandse literatuur naar internationale maatstaven, met vaak even lezenswaardige als vernietigende gevolgen voor de reputatie van de brave schrijvers en lieve schrijfsters.

Eduard Douwes Dekker, Multatuli, voerde zijn weerzin tegen de Nederlandse samenleving in een lange reeks Ideeën nog een stuk verder: volgens hem deugde er eigenlijk niets in dat land. Waar hij ook keek, wat hij ook las, nergens was een mens te ontwaren die zich aan het algemene gezemel wist te onttrekken, die zich niet verschool achter deftig gewauwel, maar een eigen toon, stijl of opvatting vertoonde. Vooral dominees en liberalen waren hem een gruwel – en daarvan waren er nogal veel. Het bracht hem zelfs tot de onberaden stap zich een keer kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer – de kern van de ‘verrotting’ die het publieke domein tot zo’n droevig verschijnsel maakte – om in hemelsnaam dan zelf maar op te komen voor de ‘waarheid’.

En hiermee begon een kleine traditie. Deze malcontenten, met al hun onderlinge verschillen, hadden het op tal van punten niet bij het rechte eind. Maar ze hadden één kwaliteit: ze hadden gelijk met hun verzet tegen de zelfvoldaanheid, tegen het narcisme van de kleine verschillen, tegen de waan van de dag.

Wat zij bovendien deelden was een grote belangstelling voor geschiedenis en voor internationale verhoudingen; daaraan ontleenden zij hun maatstaven waarmee zij hun tijdgenoten wogen en tekort vonden schieten. Hun gelijk was doorgaans dan ook een eenzaam gelijk: Busken Huet ging in Parijs wonen en Multatuli trok zich terug in Ingelheim am Rhein.

Wat in de negentiende eeuw begon, zou worden voortgezet in de twintigste eeuw. Denk in dit verband aan de schrijver W.F. Hermans (1921-1995), die zich als geen ander keerde tegen de betutteling van de jaren vijftig, een periode waarin Nederland zijns inziens in de dodelijke greep verkeerde van ‘kwezels, dominees met aderverkalking en pastoors’.

Na 1968 werden die types vervangen, maar opluchting bracht dat niet, integendeel. Zij werden slechts vervangen door de vertegenwoordigers van een nieuwe gekkigheid, marxistische studenten en losgeslagen leerlingen van de sociale academie. Zij onderwierpen het land aan een nog straffere dictatuur dan de ‘regenten’ die zij opzij hadden geveegd; Nederland was een gesticht en bleef dat. Ook Hermans verliet het land, eerst op weg naar Parijs om ten slotte in Brussel te gaan wonen.

Een wat rustiger malcontent was Jacques van Doorn (1925-2008), die aanvankelijk genoot van een mooie, degelijke carrière als socioloog, maar in de jaren zestig na een opgewonden vergadering aan de Erasmusuniversiteit te horen kreeg dat hij maar beter kon meebuigen met het activisme. En op de fiets naar huis dacht: ‘dit is 1933. Dat lijkt overdreven, maar in het klein was hetzelfde mechanisme aan de gang als destijds in Duitsland.’

Vanaf dat moment zou hij zich ontwikkelen tot de scherpste analyticus en criticus van de Nederlandse politiek, waarbij hij langzamerhand de sociologie losliet en vooral historicus werd. Ook hij verhuisde, eerst naar Etten-Leur, ten slotte nog verder weg van de chattering classes, achter Maastricht. Het was nog wel in Nederland, maar al op de grens met België.

‘Dit is 1933’. En daarmee zijn we op ‘de oorlog’ terecht gekomen, een oorlog die geen nadere aanduiding behoeft. Blokker was bijna 13 toen deze uitbrak. Voor zijn generatie is het de beslissende ervaring geweest, die de diepe overtuiging heeft gevestigd dat wie deze oorlog niet had meegemaakt eigenlijk niets heeft meegemaakt. De malcontenten van na 1945 spraken niet graag over de oorlog; ze verafschuwden de onthistorisering van de gebeurtenissen en de gemakzuchtige moralisering die daarmee gepaard ging.

In 1983 schreef Blokker een intrigerend verslag in de Volkskrant van een bezoek dat hij bracht aan de grote Duitse journalist en historicus Sebastian Haffner (1907-1999). Eigenlijk ging het stuk nergens over. Er werden geen behartigenswaardige uitspraken gedaan, laat staan een ernstige waarschuwing gericht aan het heden. Maar in het stuk bleek hun verwantschap: Blokker en Haffner waren wat je zou kunnen noemen eerstelijnshistorici. Dat is een serieus te nemen categorie die zich een eigen plek heeft verworven in het ruime huis der geschiedenis, dat meer bewoners heeft dan academici alleen. Onmiskenbaar ook was dat hier twee mensen bij elkaar zaten die de oorlog hadden meegemaakt. Woordeloos ging het gesprek daarover. Er hoefde niet veel te gebeuren of de spoken uit het verleden keerden terug.

Met De Telegraaf hoefde je bij Blokker niet aan te komen, bij Pim Fortuyn dacht hij automatisch aan Mussolini. En in zijn allerlaatste column in nrc.next adviseerde hij Felix Rottenberg nog eens een boek van Haffner ter hand te nemen – en aan 1933 te denken.

De malcontenten van na 1945 waren in tal van opzichten eender aan hun voorgangers uit het midden van de negentiende eeuw, maar tegelijkertijd waren zij anders, door de oorlog. De ernst die deze generatie ten diepste kenmerkt zal node gemist worden in een wereld die er sinds 1989 niet veiliger op is geworden – om het beknopt uit te drukken.

Blijft de vraag waarom Blokker in Nederland bleef wonen, terwijl de malcontenten doorgaans vertrokken. Misschien kon hij zich, met al zijn jennen en zeuren, toch niet losmaken van Nederland, dat land van dominees en pastoors, potteuze scripties en natuurlijk kereltje Pechtold. Malcontenten zijn immers vooral zo ontevreden over dat land, omdat ze er zo aan gehecht zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden