Tegen de vreeskwezels

Hans Verhagen (69) vreesde bekend te worden als ‘de dichter die nooit prijzen kreeg’. Nu valt hem de P.C. Hooftprijs toe – de bekroning van een oeuvre vol onrust en woede....

Dit is de juiste volgorde: in 2003 ontving Hans Verhagen de Thermphoss Prijs vanwege ‘zijn betekenis voor het culturele leven van Vlissingen’. Nu komt daar de P.C. Hooftprijs voor het poëtisch oeuvre bij, die hem wordt uitgereikt op 28 mei 2009 in Den Haag, de stad waar hij het Gymnasium Haganum bezocht.

Met de oeuvreprijs verkeert Verhagen (69) in het gezelschap van Campert, Kouwenaar, Lucebert, maar ook van Adriaan Roland Holst (laureaat in 1955), en dat zal hem deugd doen. De gedragen taal van diens cyclus Een winter aan zee is een inspiratiebron gebleven voor Verhagen, die aan de Boulevard Evertsen in zijn geboorteplaats Vlissingen zijn eerste verzen schreef.

Zijn moeder hield ook van poëzie. Boven haar bed hing de befaamde regel van Gezelle Mij spreekt de blomme een tale. ‘Wij jammerden niet omdat het vroeger zoveel mooier was – wij hadden geen vroeger. Wij waren oorlogskinderen,’ schreef Verhagen over zijn jeugd in de Volkskrant. ‘Vanuit zee gezien bood Vlissingen altijd de aanblik van een onregelmatig, gehavend en deels verdwenen gebit. Op een rare manier vervulde die aanblik me niettemin met een vreemde opwinding.’ Geen harmonieuze schoonheid in de klassieke zin, maar juist de combinatie van elkaar afstotende onderdelen leverde een spannend geheel op.

Vond Hans Verhagen, en vanaf zijn debuut Rozen & Motoren (1963, ‘Met liefde, kaartspel & kanker worden de uren gedood’) heeft hij in zijn poëzie ook een nieuwe harmonie gezocht door het gebruik van botsende paradoxen en een snelle afwisseling van stijlen. Alleen Verhagen kan een zwalpende Roland Holst-regel onverhoeds laten volgen door ritmische rijmen als van een razende rapper.

Na de jaren zestig hielden drank, drugs en het huwelijk met zijn muze Conny Tavenier, die psychotisch werd en in 1986 een eind aan haar leven maakte, hem lange tijd bij de poëzie weg. Met de elegische bundel Kouwe voeten (1983) leek het of de ‘opa van de sixties’, zoals hij smalend is genoemd, van álles afkickte – ook van het poëtisch vuur. Maar eind jaren tachtig was daar het programmatische gedicht ‘Ik ben de maker’: ‘Als een snaar doortrillend dit tijdsgewricht/ Registreer ik de akkoorden./ Ik ben de verwoorder (...) Een dichter zelf kan niet van iemand houden;/ Bespaar me dus uw te persoonlijke aanhankelijkheid–/ Een dichter heeft geen tijd voor poëzie./ Bovendien, ik ben je moeder niet.’ Weer terug in de arena, en wel met zo’n opzwepende energie en dito publicatieritme, dat het niemand kon ontgaan. Zo vanaf zijn vijftigste is Verhagen aan een tweede jeugd begonnen, luidkeels begroet door critici-dichters als Piet Gerbrandy en Ilja Leonard Pfeijffer. Met hervonden furie roept Verhagen een vloed aan beelden te voorschijn. Geen idee waar die vandaan komen. ‘Een regel die je bedenkt en weloverwogen neerzet, blijkt achteraf altijd te vloeken.’ Gedichten gáán niet ergens over, vraag hem vooral niet om in eigen woorden na te vertellen wat hij aan kolkende raadselen en intrigerende beelden heeft opgevangen en neergelegd in ongelijke en ongelijksoortige regels: die gedichten zíjn zijn eigen woorden.

Het gelul over kunst, vindt hij, dat kun je eigenlijk zo weggooien. ‘Ondertussen ben ik waar ik wezen wilde: nergens’, kan hij schrijven, en volgens hem barst het leven van zulke tegenstellingen. Zijn gedrevenheid en zijn woede worden door jongere generaties als authentiek herkend.

Toen ik de dichter opzocht bij het verschijnen van zijn verzameld dichtwerk Eeuwige Vlam (2003), en de tentoonstelling Tegen alle bloedvergieten en kanariepieten in, vroeg ik naar de bron van zijn onvrede.

Zijn woede, aldus de onversneden romanticus, gold ‘het feit dat de mens bij zijn geboorte weliswaar een bewustzijn krijgt, maar wél meteen voorzien van de mededeling: uw leven is eindig, en er is no way out.

‘Ik weet niet wat er is gebeurd voordat ik werd verwekt, noch weet ik wat er zal gebeuren nadat ik ben ontwekt. Alsof je een kind zijn eerste leren voetbal geeft, en er direct bij zegt: vanavond weer inleveren, want dan snijden we ’m kapot. De woede daarover drijft mij aan en voort.’ In ‘Wonder’ uit Triomfantelijke wandelingen (2000) spreekt hij tot een elfjarige: ‘Nog even, naar ik vrees, en daar ga je – eensklaps opgetrommeld/ en verzwolgen in het logge, onbewogen stromen/ van de Grote Mensen-Vliet.// Dat het allemaal namaak is en nep, dat weet je dan nog niet.// Je leert leven zonder,/ maar op een dag vraag je je toch af waar het wonder/ is gebleven.’

Een homo lyricus in de hoofdstad, die rusteloos maar niet zonder systeem te werk gaat. Herinneringen aan Conny (‘Wij leefden een winter aan zee/ In stegen die niet eens een naam kregen/ overleefden we// We overleefden geen van twee’), gaan samen met een bedenking bij de ‘comateuze jeugd’ van tegenwoordig, of afschuw van de politiek en religie van ‘vreeskwezels en aartsverraders’, en van zakkenvullers die de liefde ondermijnen.

Tot in Zwarte gaten (2008) blijft de dichter hopen en in de verbeelding geloven, al vergelijkt hij zich met een graafmachine die zijn eigen graf graaft.

Kort na het interview stuurde Verhagen me zijn bundeltje Citadel na. In een briefje meldde hij het zelf kwijt te zijn geweest. ‘Maar vond het terug, omdat ik er niet naar zocht’.

Zelfs in dit kattebelletje dook een tegenstelling op. Als dat geen bewijs is dat Hans Verhagen ze zo uit het leven plukt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden