Techniek gaat haar gang

Filosoof Martin Heidegger stelde dat we geen meester zijn over techniek: wij vliegen het vliegtuig, maar het vliegtuig vliegt ook ons. Arnon Grunberg las zijn opnieuw vertaalde beroemde verhandeling hierover (en was blij met de bijgeleverde handleiding).

Martin Heidegger: De vraag naar de techniek

****


Uit de Duits vertaald door Mark Wildschut. Vantilt; 40 pagina's; euro 7,50, na 5 mei euro 11,50.


Gerard Visser: Heideggers vraag naar de techniek - een commentaar

****


Vantilt; 174 pagina's; euro 19,95.


Over haar leermeester en geliefde, Martin Heidegger, zei Hannah Arendt dat zijn naam als een gerucht door Duitsland reisde en 'dat gerucht zei het heel eenvoudig: het denken is weer levend geworden'. Ook andere studenten van Heidegger getuigden van de magische uitwerking die zijn colleges op hen hadden. Misschien heeft alle ware kennisoverdracht een magische en ook erotiserende component.


Dat uitgerekend het levend geworden denken lid werd van de NSDAP en - zo weten we nu dankzij de publicatie van zijn notitieboekjes, de zogenaamde Schwarze Hefte - de 'wereldloosheid' (Weltlosigkeit) en de 'berekenende geest' (rechnende Geist) van het Jodendom als een gevaar zag voor het metafysische Duitse volk, is jammer. Overigens meent de literatuurwetenschapper Silvio Vietta dat Heideggers kritiek op de Joden slechts cultuurkritiek was.


Heidegger verafschuwde de moderniteit (Neuzeit). Hij hoopte dat Hitler met die Neuzeit korte metten zou maken en rekende het Jodendom naast bolsjewisme, amerikanisme en liberalisme tot de typisch exponenten van die moderniteit. Zijn enthousiasme voor Hitler kwam niet voort uit opportunisme of uit een moment van onoplettendheid, zoals ook weleens is geopperd, maar uit de oprechte overtuiging dat Hitler een messias voor het Duitse volk zou zijn. Heidegger heeft zich nooit verontschuldigd voor zijn lidmaatschap van de NSDAP en tijdens en na de oorlog heeft hij gezwegen over de misdaden van de nazi's. Overigens sloeg die liefde om in teleurstelling toen Hitler niet aan Heideggers verwachtingen bleek te voldoen, maar die teleurstelling was zeker geen morele teleurstelling. Het is ook naïef te geloven dat filosofen de zwakheden van 'gewone' mensen achter zich zouden hebben gelaten.


Zoals we Céline niet reduceren tot zijn antisemitische geschriften, zoals we Pound niet afrekenen op zijn fascistische sympathieën, zoals we Sartre niet in de ban doen vanwege zijn blindheid voor Stalins misdaden, zo zouden we Heidegger niet ongelezen moeten laten vanwege zijn liefde voor de nazi's.


We hoeven Heideggers antisemitisme niet te vergeten, maar het zou reductionistisch zijn een heel oeuvre te willen terugbrengen tot bepaalde misvattingen, al was het maar omdat we op die manier nooit zullen begrijpen waarom denkers als Arendt en Levinas zich door hem hebben laten beïnvloeden. In het geval van Arendt kunnen we haar liefde voor Heidegger vermoedelijk niet los zien van haar liefde voor zijn denken.


Een andere klassieke reden om Heidegger ongelezen te laten is dat zijn werk zo hermetisch zou zijn. Nu geldt die ondoordringbaarheid zeker niet voor alles wat hij heeft geschreven. De Brief über den Humanismus uit 1946 is bijvoorbeeld een zeer toegankelijke tekst.


Het recentelijk door Mark Wildschut vertaalde De vraag naar de techniek (Die Frage nach der Technik), een lezing die Heidegger op 18 november 1953 in München uitsprak, zal voor sommigen in de categorie van de onleesbare teksten vallen.


Maar zelfs zij die weigeren te erkennen dat het bestaansrecht van een tekst is gelegen in de optimalisering van het gebruikersgemak van de lezer, kunnen dankbaar zijn dat uitgeverij Vantilt heeft gezorgd voor een gebruiksaanwijzing bij De vraag naar de techniek, in de vorm van een commentaar van de filosoof Gerard Visser. Zijn tekst is ontstaan uit een collegereeks die Visser aan de Universiteit Leiden gaf. Dat Visser daardoor af en toe wat schoolmeesterachtig klinkt, is in dit geval een pre. Voor een filosofisch ongeschoolde lezer is het niet onprettig bij de hand te worden genomen, en vermoedelijk kan ook menig filosofisch geschoolde lezer aanwijzingen gebruiken bij De vraag naar de techniek.


Visser is helder. Zijn commentaar verhoudt zich tot Heideggers tekst als een tomtom tot Mexico-Stad. Hier en daar lijken zijn uitweidingen Heideggers tekst nodeloos ingewikkeld te maken, maar kennisoverdracht zonder uitweidingen is ook slechts gebruikersgemak.


De gebruiksaanwijzing voor De vraag naar de techniek luidt: eerst Visser lezen, dan Heidegger, dan weer Visser, en dan nog een paar keer Heidegger. Indien gewenst deze aanpak herhalen.


Heideggers lezing maakte deel uit van een lezingenreeks met het thema 'De kunst in het technische tijdperk'. Maar Heidegger spreekt nauwelijks over kunst, alleen op het einde, en dan nog kan de lezer zich niet aan de indruk onttrekken dat hij dat een tikkeltje plichtmatig doet.


Om te beginnen wijst Heidegger de lezer op enkele onvolledige en uiteindelijk zelfs onware voorstellingen die wij van techniek hebben zoals: 'techniek is een middel om doelen te bereiken'. En: 'techniek is een activiteit van de mens'.


Wij zouden ons best doen de techniek te 'beteugelen', om de doelen waarvoor de door ons gebouwde machines dienen beter, sneller en goedkoper te bereiken.


Het woord 'beteugelen' (meistern) maakt duidelijk dat de techniek te vergelijken is met een paard. De ruiter maakt dankbaar gebruik van zijn paard, maar tegelijkertijd weet hij nooit zeker of hij de controle over dat paard niet zal verliezen. Ook voor de ervaren ruiter blijft het paard een potentiële dreiging.


Deze 'instrumentele en antropologische bepaling' van techniek is volgens Heidegger correct, maar daarom nog niet waar. Stel dat we ongelijk hebben, zegt Heidegger, stel nu dat 'het wezen van de techniek' geen middel is dat door onze wilskracht en vaardigheid moet worden beteugeld.


Om te weten wat de techniek is en of de techniek inderdaad louter instrumenteel is, moeten we volgens Heidegger eerder vragen: wat is het instrumentele?


Waar het instrumentele is, zijn oorzaken, gevolgen en doelen, aldus Heidegger.


In navolging van Aristoteles spreekt hij over een zilveren schaal en stelt dat er vier 'oorzaken' voor die schaal zijn.


Er is, oorzaak 1, het materiaal waaruit de schaal is gemaakt: zilver dus. Er is, oorzaak 2, de vorm van de schaal. Oorzaak 3, het doel van de schaal: de schaal dient voor een offerdienst. En oorzaak 4 is het effect dat de schaal uiteindelijk heeft.


Dit is een weinig orthodoxe wijze om naar een product te kijken, want de moderne mens zou bijvoorbeeld niet zo snel zeggen dat het materiaal dat is gebruikt voor een ding de oorzaak van dat ding is.


Visser stelt op zijn beurt dat zilver 'virtueel' al een schaal is, waarbij hij Aristoteles citeert, die beweert dat Hermes al aanwezig is in het hout, nog voor de houtsnijder een beeld van Hermes heeft gemaakt. Aristoteles gebruikt hiervoor het woord dunamei, dat 'het zijnde in aanleg' betekent, het zijnde dat een mogelijkheid heeft om dit of dat te worden. De houtsnijder, kunnen we zeggen, bevrijdt Hermes slechts uit het hout zoals de maker van de schaal die schaal uit het zilver bevrijdt.


Heidegger schrijft niet alleen dat het zilver de oorzaak is van de schaal, maar ook dat het zilver 'schuldig' is aan de schaal, waarbij hij ervoor waarschuwt dat we schuld niet in morele zin moeten opvatten. Net als Nietzsche - aan wie Heidegger een grote studie heeft gewijd - moest hij weinig hebben van de moraal, die hij als een beperking van het denken zag.


Dat schuldig zijn aan is dus in feite het aanleiding geven tot; het samenspel van de vier verschillende oorzaken brengt iets tevoorschijn wat er eerst niet was, het brengt 'het verborgene in het onverborgene'.


Deze activiteit noemt Heidegger het 'ontbergen' (Entbergen), waarmee hij het Griekse aleitheia (waarheid) in verband brengt. Wij vatten, aldus Heidegger, waarheid op als 'de correctheid van onze voorstellingen', maar om voorstellingen is het Heidegger niet te doen. Het ontbergen is, als ik het goed heb begrepen, het scheppen of beter gezegd het zichtbaar maken van waarheid.


Volgens Heidegger is techniek niet zozeer een middel als wel 'een wijze van ontbergen', oftewel: techniek schept waarheid, en scheppen is altijd tevoorschijn brengen wat verborgen is. Nu is tevoorschijn brengen niet per se hetzelfde als zichtbaar worden, maar ik ga ervan uit dat het tevoorschijn gebrachte vroeg of laat ook zichtbaar zal worden.


Om misverstanden te voorkomen: techniek komt van het Griekse techne; Heidegger heeft het niet alleen over techniek in de huidige betekenis van het woord, bijvoorbeeld machines, maar ook over de kunsten, en niet uitsluitend de schone kunsten, ook bijvoorbeeld de geneeskunst; de techne 'is iets poëtisch'.


De moderne techniek zou volgens Heidegger niet alleen ontbergen, de moderne techniek vordert ook op, en 'brengt in stelling'.


Zo brengt de waterkrachtcentrale in de Rijn de Rijn in stelling, en dat niet uitsluitend, ook toeristen die de Rijn komen bekijken, brengen die rivier in stelling om door hen bewonderd te worden. Heidegger vraagt zich overigens af wat die door de toeristen in stelling gebrachte Rijn nog te maken heeft met de door Hölderlin - een belangrijke invloed op Heidegger - bezongen Rijn.


Dankzij moderne techniek wordt voortdurend van alles 'besteld'. Dit besteld worden, dit ter beschikking staan om besteld te worden, noemt Heidegger - ook een belangrijk begrip in zijn filosofie - het 'bestand'.


Hij benadrukt dat het bestand niet met het object moet worden verward, het bestand staat los van het object. Voor Heidegger is een vliegtuig op de startbaan een besteld bestand dat in stelling is gebracht om te vliegen. Zijn weerzin tegen het woord 'object' vat ik op als een waarschuwing voor de overmoed dat wij de meester zouden zijn over de machine, oftewel het bestand; wij vliegen niet alleen in het vliegtuig, het vliegtuig vliegt ook ons.


Kunnen mensen ook tot het bestand behoren? Zeker, Heidegger geeft het voorbeeld van de houtvester. Die houtvester meet bomen, net als zijn grootvader, maar anders dan zijn grootvader is hij door de 'houtverwerkingsindustrie besteld'. Ook deze houtvester behoort nu tot het bestand dat 'bestellend ontbergt'. Hier wordt iets van Heideggers nostalgie zichtbaar, maar terecht waarschuwt Visser dat Heideggers kritiek niet moet worden verward met de vulgair-romantische weerzin tegen techniek.


De oorzaak van de 'bestelling' is volgens Heidegger het 'appèl', en dit appèl, dat voortdurend op ons wordt gedaan om te bestellen, noemt Heidegger het 'ge-stel'. Het 'ge-stel' verleidt ons om het werkelijke 'als bestand te ontbergen', oftewel, wij scheppen waarheid door alles om ons heen voortdurend in stelling te brengen.


Mij doet 'in stelling brengen' ook bij uitstek aan mobilisatie denken. De moderne techniek als mobilisering van alles en iedereen. Het ge-stel moeten we niet verwarren met het noodlot, het ge-stel is dat nadrukkelijk niet. Er is, althans in deze tekst van Heidegger, geen plaats voor het noodlot.


Met het ge-stel zijn we aangekomen bij Heideggers concept van vrijheid. Volgens Heidegger heeft vrijheid niets met een wil te maken, maar juist met het ontbergen; hij noemt de vrijheid, poëtisch, 'het lichtend verbergende'. Het voert te ver om daar diep op in te gaan en ik zou niet durven beweren dat ik Heidegger volledig begrijp, maar ik meen dat ik hem geen onrecht doe als ik beweer dat vrijheid voor Heidegger een mystieke vorm van kennis is. In een voetnoot omschrijft Visser Heideggers vrijheid als 'het openhouden van het mogelijkheidskarakter van de mogelijkheid'. Een definitie die me bevalt. Vrijheid als een gedachtenexperiment, iets wat sommige hersenonderzoekers die nog altijd geloven dat vrijheid met de wil te maken heeft, niet zullen erkennen.


Vervolgens wijst Heidegger op het gevaar dat de mens door de techniek wordt besteld, dus puur bestand blijft. Juist die mens, zo voegt Heidegger eraan toe 'waant zich de heer der aarde', maar hij is zo in de greep van het appèl dat op hem wordt gedaan, dat hij dat niet meer als zodanig ervaart; hij voelt zich niet meer aangesproken. Heidegger omschrijft dit - wederom tamelijk poëtisch - als een mens die meent 'heer der aarde' te zijn maar 'zichzelf nergens meer tegenkomt'.


In dat gevaar zit echter ook de redding verborgen, het gevaar ontbergt de redding misschien wel. Heidegger citeert een dichtregel van Hölderlin: 'Maar waar gevaar is, groeit/ het reddende ook.' (Wo aber Gefahr ist, wächst/ Das Rettende auch.)


Wat het reddende precies is, is wederom lastig te zeggen. Zeker is dat het groeit, dat het nauw samenhangt met een ander begrip dat Heidegger hier lanceert, het 'vergunnende', en dat het eveneens samenhangt met besef dat de techniek ons dwingt na te denken over wat 'het wezen' van iets is.


Laten we nu deze nogal abstracte tekst proberen toe te passen op een historische situatie die we allemaal kennen en die ook bij Heidegger past: de industriële vernietiging in het Derde Rijk.


Ook in de gaskamer werd ontborgen, er werd daar waarheid geschapen. De vernietigde Joden waren ongetwijfeld het bestand, besteld om vernietigd te worden, maar de kapo's, de machinisten, de bewakers, de selecteerders, de beheerders van het crematorium, ook zij werden in stelling gebracht, om te vernietigen.


Waar was hier het reddende? Als we afgaan op zijn notities mogen we niet uitsluiten dat Heidegger vernietiging als een vorm van redding beschouwde. ('Alles muss durch die völlige Verwüstung hindurch. Nur so ist das zweitausendjährige Gefüge der Metaphysik zu erschüttern', noteert Heidegger in 1941.)


Misschien was het vernietigen van de Europese Joden een poging tot redding, maar van wie of wat? En wie of wat was er verantwoordelijk voor? Een onzichtbaar ge-stel? Niet voor niets begint Gerard Visser zijn commentaar met een citaat uit Becketts Eindspel. Hamm vraagt: 'Wat gebeurt er?' En Clov antwoordt: 'Iets gaat zijn gang.'


Iets gaat zijn gang: een omineuze, maar misschien niet geheel onware voorstelling van zaken.


De vertaling van Mark Wildschut is uitmuntend en ik zou hierbij een appèl willen doen aan de commissies die in stelling worden gebracht om prijzen te bestellen voor degenen die in stelling worden gebracht om vertalingen te produceren. Anders gezegd: geef Wildschut een prijs.


En om te bewijzen dat ik de moderne techniek van het recenseren beheers, geef ik Heideggers De vraag naar de techniek vier sterren. Visser stelt terecht dat op het einde de voordracht qua dichtheid 'de grens van het toelaatbare overschrijdt'.


Ook Visser krijgt vier sterren. De commentator is immers door de meester besteld.


In een beroemd interview met Der Spiegel, dat pas na zijn dood werd gepubliceerd, zei Heidegger dat alleen een God ons nog kan redden, maar als het leven en werk van Martin Heidegger iets duidelijk maken dan is het wel dat de redding van de een het grote gevaar voor de ander betekent. En ook God is uiteraard een kwestie van techniek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.