Techniek en wetenschap horen bij het Duitse zelfbeeld

Duitse universiteiten scoren grosso modo niet al te best, maar de Duitse wetenschap doet het uitstekend. Met dank aan Helmholtz, Fraunhofer en Max Planck.

TEKST MARTIJN VAN CALMTHOUT

Gerard Meijer oud-directeur van het Fritz Haber-instituut

Zonnecelfysicus prof.dr Rutger Schlatmann rijdt in Berlijn zijn bezoeker rond over het oude diplomatieke vliegveld Adlershof van het voormalige Derde Rijk, dat inmiddels een uitgestrekt hightech bedrijventerrein is. We passeren de oude kaartentoren van generaal Hermann Göring. Rechts langs de weg staat nog altijd de vreemde betonnen reuzenslurf van een windtunnel, kennelijk ooit bedoeld voor aerodynamische experimenten op ware grootte. Een roemrucht verleden, lange tijd in een winderige uithoek van Berlijn.

Rutger Schlatmann is een Nederlander die een paar jaar geleden met zijn gezin voor Berlijn koos. Terwijl hij de markante verhalen over Adlershof vertelt, valt hijzelf achter het stuur ook van de ene verbazing in de andere. We passeren de cirkelvormige versneller van het BESSY-centrum voor synchrotronstraling, onderdeel van het Helmholtz Centrum Berlin, waar zo te zien alweer een nieuwe vleugel aan wordt gebouwd. Dat het al avond begint te worden, schijnt de arbeiders niet te deren, die gaan door tot het af is. Verderop zien we een schuin, oplopend grasdak van een grote zonnecelfabrikant, tevens researchhoofdkwartier, met een gevel vol blauwe panelen.

Links en rechts blijken nieuwe gebouwen te zijn verrezen in de handvol maanden dat Schlatmann deze straten op de Adlershof toevallig even niet aandeed. Startups in medische vindingen, biotech, zonnecellen, mechatronica, telecom. Alles in strak design, hard staal, steen en glas. 'Het is nauwelijks bij te houden wat hier allemaal gebeurt', zegt Schlatmann. Een stad in opkomst, die er zin in heeft, da's mooi om mee te maken.

Schlatmann is directeur van een op het eerste gezicht soortgelijke instelling, in zomaar een zijstraat in de Adlershof, tussen talloze andere industriële metaalgevels. PVcomB, staat er op een naambordje. In dit jarenvijftiggebouw van drie verdiepingen in het voormalige Oost-Duitsland heeft bondskanselier Angela Merkel ooit nog een deel van haar studie scheikunde volbracht, zo wil het gerucht. 'Maar dat kan ook best ergens wat verderop zijn geweest', zegt Schlatmann.

PVcomB is een dienstverlener op het gebied van het doormeten van nieuwe zonnecelconcepten. In de kelders staan ingewikkelde opdamp-apparaten waarmee op kleine schaal experimentele productieprocessen uit de zonnecelindustrie kunnen worden nagebootst. De rest van het gebouw staat vol meetapparatuur waarmee wordt vastgesteld hoe goed de innovatieve zonnecellen presteren.

Denk niet dat PVcomB een gewoon bedrijf is. De dienstverlener is onderdeel van het Helmholtz Centrum Berlin, dat weer ressorteert onder de grote Helmholtz Gesellschaft. Die particuliere stichting, opgezet eind jaren vijftig en steenrijk, bestaat speciaal om de technische industrie in Duitsland met grote apparatuur bij te staan bij researchactiviteiten die ze zelf niet aankan.

Helmholtz is een schoolvoorbeeld van de bijzondere Duitse aanpak van topwetenschap en innovatie, zegt hoogleraar werktuigbouw prof. Günther Seliger van de Technische Universiteit Berlijn. 'In feite is alle serieuze wetenschappelijke research in dit land in particuliere handen. De topwetenschap is een zaak van drie particuliere instellingen: Helmholtz, Fraunhofer en Max Planck. Zij maken de Duitse wetenschap zo goed, en zorgen tegelijk dat de industrie daar ook veel aan heeft. De universiteiten staan daar goeddeels buiten.' Alleen al Max Planck heeft ruim 80 instituten, waarvan enkele buiten Duitsland.

Tweedeling

Die tweedeling is het wezenskenmerk van het Duitse kennislandschap, vindt ook directeur Ton Nijhuis van het Duitsland Instituut van de Universiteit van Amsterdam. De bondsregering geeft de helft van haar onderzoeksbudget uit buiten de universiteiten. Een van de universiteiten losgezongen onderzoekswereld heeft voor en nadelen, zegt Nijhuis, die voor adviesraad AWT een rapport schreef over de vraag wat Nederland van Duitsland als wetenschapsland zou kunnen leren. Voordeel is dat de instituten een ongekende omvang en massa hebben, die vanzelf leidt tot continuïteit. Nadeel is dat het ten koste gaat van het onderzoek aan de universiteiten, de plek waar nieuwe generaties onderzoekers worden opgeleid.

In de lommerrijke Berlijnse buitenwijk Dahlem maakt de Nederlandse molecuulfysicus Gerard Meijer een gebaar van herkenning. Hij zit achter zijn bureau in het Fritz Haber-instituut,waarvan hij jarenlang directeur was. Herfstbladeren waaien over de gazons tussen de villa's waar Einstein nog heeft gewoond en gewerkt. Het torentje waar Lise Meitner en Otto Hahn in 1938 voor het eerst de atoomkern splitsten, is nog net te zien.

Tegenwoordig is Meijer baas van de Nijmeegse Radboud Universiteit. Een keer per maand is hij nog in Berlijn voor zijn oude promovendi en voor experimenten. 'Ik ben bijzonder hoogleraar en gaf onderwijs op de vrije universiteit van Berlijn. Mijn ervaring hiermee: massaal onderwijs, slechte infrastructuur en slechte begeleiding. Veel Duitse collega's zeggen tegen me: als we opnieuw zouden kunnen beginnen, geef ons dan het Nederlandse systeem maar.'

Het zegt genoeg dat veel Duitse studenten in Nederland willen studeren, terwijl ze er, anders dan in Duitsland, nota bene collegegeld moeten betalen, zegt Meijer. 'De Duitsers hebben echt een probleem met hun hoger onderwijs. Het is versplinterd, te massaal en niet goed genoeg. Dat kan niet anders dan op termijn tot problemen leiden. Omdat je zo talent mist. Pas de laatste jaren probeert de bondsregering via Exzellenzinitiative meer toponderzoek naar de universiteiten te trekken.'

Een heel ander verhaal is het Duitse wetenschappelijke onderzoek. In handen van de drie grote Gesellschaften met ruime en door de bondsregering riant aangevulde budgetten, wordt een wetenschappelijke infrastructuur in stand gehouden waarvan de meeste andere landen in Europa slechts kunnen dromen. En terwijl op de internationale rankings als van het Times Higher Learning Supplement (THLS) de meeste van de ongeveer vierhonderd Duitse universiteiten grosso modo niet best scoren, doet de Duitse wetenschap het als geheel juist uitstekend, met bijvoorbeeld alleen al meer dan honderd Nobelprijswinnaars.

Schrijnend

Het contrast is dermate schrijnend dat vorig jaar rector magnificus prof. Dieter Lenzen van de Universiteit van Hamburg aankondigde THLS geen gegevens meer te zullen verstrekken omdat het tijd kostte die hij liever in goed onderwijs stak.

Bij Max Planck-instituten als het zijne is de manier waarop dat gebeurt welhaast een droom, zegt Meijer. 'In eerste instantie geloof je het bijna niet. Je krijgt als instituutsdirecteur haast carte blanche als je eenmaal benoemd bent. Je selecteert zelf je mensen, koopt apparatuur, reist. Het kan allemaal, als het maar toonaangevende wetenschap oplevert. In de praktijk betekent zoiets overigens ook dat een nieuwe directeur bij aantreden ongeveer het hele oude onderzoek en de oude staf opdoekt. Niets is voor de eeuwigheid, zelfs niet bij Max Planck.'

Het is een vorm van hiërarchie die in het egalitaire Nederland welhaast ondenkbaar zou zijn. Instituten waar de directeur alleenheerser is, komen in Nederland niet veel voor. De Duitsers vinden het doodnormaal, zegt Meijer. 'Strikt genomen heeft het systeem duidelijke nadelen. Voor jonge wetenschappers is het moeilijker om zichtbaar te worden en een eigen carrière te maken. En er is een enorme afstand naar het hoger onderwijs. Studenten komen in het plaatje nauwelijks voor. In Nijmegen trekken we de studenten juist zo vroeg mogelijk het lab in, om te laten zien wat echt onderzoek is.'

Maatschappelijk cultureel, zegt Günther Seliger, werktuigbouwer aan de TU Berlin, is er tegenwoordig een opmerkelijk innige band tussen de wetenschap en de Duitse industrie. 'In de tijd dat ik studeerde, in de jaren tachtig, was 'bedrijven' een vies woord. Smerig kapitalisme. Dat is helemaal omgekeerd.' Opmerkelijk daarbij, zegt hij, is dat relatief veel Duitse managers en industriëlen in de technische hoek zelf een technische opleiding hebben. 'Mensen voor wie niet alleen het resultaat telt, maar die ook weten wat daarvoor binnenin de zwarte doos moet gebeuren. Dat geeft een eenheid aan de industriële innovatie.'

De Duitsers geloven absoluut in techniek, zegt Schlatmann. 'Techniek en wetenschap horen bij het Duitse zelfbeeld. Dat helpt ook.'

En hoe. Van de tien hightechregio's in Europa zijn er zeven Duits. Volgens Ton Nijhuis van het Duitsland Instituut is dat het rechtstreekse resultaat van de industriepolitiek in de 20ste eeuw. Na de crisis van de jaren zeventig ging overal in Europa de productie naar lagelonenlanden. De meeste West-Europese landen legden zich toen toe op de dienstverlening. Nijhuis: 'In Duitsland, van oudsher een technisch industrieland, bleef men inzetten op industriële productie, alleen dan in gespecialiseerde hightech producten: geavanceerde werktuigbouw, auto's, medische apparatuur, chemie. Nu is de export daarvan de kurk van de Duitse welvaart. En iedereen beseft: om technisch voorop te gaan, moet je consequent in R&D en wetenschap investeren.'

Ook in krappere tijden zijn de Duitse wetenschapsuitgaven onaantastbaar. Sterker, er gaat dan op z'n Keynes juist geld bij. Bondskanselier Merkel, nadrukkelijk zelf ooit natuurwetenschapper, gelooft heilig in onderzoek en innovatie. Geen partij die het daar mee oneens is. Schlatmann: 'In Nederland vinden we dat onderzoek geld kost, in Duitsland verwachten ze dat het geld oplevert.'

Rust en vasthoudendheid, zegt Nijhuis, dat is wat we echt van onze oosterburen moeten leren, of in elk geval zouden kúnnen leren. 'Productieve research en innovatie zijn kwesties van lange adem. De Duitsers hebben met elkaar afgesproken dat de oude industrie voorbij is, dat ze voortdurend kennis nodig hebben om nieuwe dingen te maken en dat ze daarvoor de tijd nemen. Er zijn beleidsafspraken die lopen tot 2025. Kom daar eens om in Nederland.'

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden