EssayZwart-witdenken

Te zwart gevonden worden, te wit gevonden worden: schrijver Lisa Boersen maakte het allebei mee en leerde ervan

Beeld Rop van Mierlo

Deel I: Te wit

Tot ik in de jaren negentig naar Harlem, New York, verhuisde, was ik het gewend om ‘iets buitenlands’ te hebben. Mijn moeder komt uit het Caribisch gebied en heeft de kleur van mokka. Café con leche, zegt ze zelf. Koffie verkeerd. Mijn vader is Nederlands en wit. Op het eiland van mijn moeder zouden ze mijn eigen huidskleur ook wel omschrijven als ‘indio lavado’, gewassen Indiaan. Wit, maar niet het roze-wit van echt witte mensen. Het komt vooral door mijn haar (kroezig krullend) en mijn lippen (dik) dat mensen mij in Nederland vaak vragen waar ik vandaan kom. Dit is wat ze dan gokken: Italië, Spanje, Marokko, Israël, Griekenland, Mexico, Indonesië, Suriname, of gewoon een mix, ‘iets buitenlands’.

Omdat ik een leven lang ‘iets buitenlands’ had, was ik verbaasd toen ik in Harlem werd benaderd als ‘dat half-witte meisje’. 

Half-wit, ik? Voor het eerst moest ik mijn witte kant verklaren.

Voor de goede orde: in de jaren negentig verhuisde ik een half jaar naar Harlem voor mijn studie antropologie, dus echt wonen deed ik daar niet. Wie het getto kan verlaten, woont niet in het getto, zei iemand tegen me, en dat is zo. De essentie van het getto was armoede. Armoede als een allesbepalende levenssituatie van dubbele banen, gebrekkige scholen, slechte behuizing, van iedere dag je hoofd boven water zien te houden zonder uitzicht op verbetering. Veel huizen waren uitgebrand. Er waren plekken waar het leek alsof het oorlog was geweest. Voor verse groenten moest ik mijn buurt uit, richting downtown, want verse groenten waren pas vanaf 110th Street te krijgen. Witte mensen zag ik nooit waar ik woonde, de gentrificatie moest nog komen. Toen ik me aansloot bij een leesclub durfden de leden niet bij mij langs te komen toen het mijn beurt was om de avond te hosten. ‘Sorry’, zei iemand, ‘het is niet persoonlijk, maar ik ga niet verder dan 96th Street. Alles daarboven is een no-go area.’

No-go-area? dacht ik. En de gezinnen die hier wonen dan?

Binnen een paar weken was ik veranderd in een young, angry black woman. De ongelijkheid was te groot om te kunnen verdragen. Er zaten niet meer dan een paar metrohaltes tussen de beste voorzieningen en de slechtste van de stad – of het nu ging om scholen, huizen of winkels. Het leek wel Apartheid, vond ik, en de American Dream vond ik inmiddels lachwekkend. Ja, in principe kon iedereen er komen. Maar bij die race naar de top had de een dan een auto en de ander niet meer dan een paar sokken aan zijn voeten. Al was Harlem in veel opzichten ook veel warmer en gezelliger dan ik had verwacht, want iedereen kende elkaar. ‘Je kunt hier slapen met de deuren open’, zei mijn huisgenoot, die inmiddels een goede vriendin was geworden.

Ik sloot me aan bij een activistische groep latino’s. Iets met het woord 2000 erin, want dat stond in die tijd gelijk aan de toekomst, aan een vergezicht waarin nog van alles mogelijk was. Ze gaven workshops op scholen, gratis bijlessen, organiseerden bijeenkomsten en politieke rally’s.

Het was bij een van hun bijeenkomsten dat een meisje fronsend naar me keek en zei: ‘Who’s that half-white girl?’ Het klonk een beetje afkeurend.

‘Zij komt uit Nederland’, zei iemand. ‘Dat ligt in Denemarken.’

De maanden erna raakte ik steeds meer gewend aan het wonen in Harlem. Naast mijn Nederlandse accent kreeg ik nu ook een latina-accent. Ik deed mijn studie, deed vrijwilligerswerk, ik werd verliefd en kreeg een vriend uit de activistische kringen. Iemand die zich met wilskracht, intelligentie en een portie geluk had opgewerkt tot docent aan de universiteit. Hij was oprecht verliefd op mij, daar twijfelde ik niet aan, maar moeite met mijn kleur had hij wel.

Jarenlang had hij afgegeven op succesvolle zwarte mannen die voor een witte vrouw kozen. Zelfhaat, noemde hij dat. Nu was hij samen met mij en ik was binnen het spectrum van zwart-zijn het witste dat je vinden kunt. Ik kon zijn schaamte soms voelen, als zwarte vrouwen hem met dedain aankeken om zijn verraad aan de goede zaak. Hoe moesten zwarte vrouwen zichzelf vieren als hun beste mannen overliepen naar de andere kant? Ook had hij als self-made man moeite met de privileges waarmee ik was opgegroeid, al zou hij dat nooit zo verwoorden. ‘Voor jou is de wereld gewoon een heel goede plek’, kon hij zeggen, en daar klonk naast verwondering dan ook iets van verwijt in door. Of verbeeldde ik me dat? Was het mijn eigen schaamte? Mijn schaamte voor een witte jeugd vol mogelijkheden, van niet-gescheiden ouders, gezelligheid en geld genoeg?

Beeld Rop van Mierlo

Ik ging naar spoken-wordavonden, luisterde naar dichters die een ode brachten aan hun moeder. Een moeder die in haar eentje op een uitkering vijf kinderen had opgevoed (‘En dan noem je mij een genie?’, zei de dichter). Ik luisterde naar discussies van anderen die allemaal op ‘gifted and talented’-programma’s hun studies hadden bekostigd. Ik was het eens met hun kritiek op het systeem, het perverse van de raciale ongelijkheid, het onbenul van witte mensen. Maar witte mensen echt afvallen, dat kon ik niet. Ik kende er te veel, te veel witte mensen waar ik erg veel van hield. En dus probeerde ik hier en daar te nuanceren, de mogelijkheid open te houden voor een dialoog. Maar een dialoog met witte mensen, daar wilden de meeste activisten om mij heen pas aan beginnen als we gelijkwaardig aan tafel zouden zitten. Tot die tijd hadden zij daar niet veel te winnen. Dus waarom zouden ze? Witte mensen waren nu toch ook niet bezig met hen? Die leefden hun veilige witte levens en kwamen nooit in het getto.

Dan dacht ik aan mijn boekenclub en was stil. Ik zag hoe de andere activisten keken naar mijn half-witte gezicht, het gezicht van iemand die niet echt kan kiezen en waar je in tijden van oorlog dus niet veel aan hebt.

‘Het probleem is niet je huidskleur’, zei mijn vriend. ‘Je kunt politically black zijn.’ Maar ik wist niet of ik dat wilde.

Bij de bijeenkomsten van de latino-activisten voelde ik steeds sterker de afkeur van de vrouwen. ‘Zelfhaat’, zeiden hun ogen tegen mijn vriend. ‘Wat doe je hier’, zeiden hun ogen tegen mij. Al keken ze me meestal helemaal niet aan. De meeste dan. Sommige vrouwen waren aardig, probeerden me te betrekken bij een gesprek. Of waarschuwden me. ‘Doe niet té veel je best. Het is beter om geen latina te zijn dan een nep-latina.’

Ik weet niet wat er was gebeurd als ik me politically black had opgesteld. Of ik dan wel was geaccepteerd. Maar wat ik wel wist: hoewel de activistische vrouwen om mij heen oprecht aan het strijden waren voor een betere wereld waren ze erg onaardig tegen mij. Misschien was ik de belichaming van zwarte zelfhaat, maar ik kwam met goede bedoelingen. Telde dat niet? dacht ik, al zei ik dat nooit. Bij de bijeenkomsten van de activisten was ik stiller en stiller geworden tot ik beland was in de rol van toeschouwer, eentje die niet meer deed dan af en toe knikken. Een tijdje bezocht ik nog bijeenkomsten als het stille aanhangsel van mijn vriend, en uiteindelijk ging ik helemaal niet meer. De relatie met mijn vriend ging uit en de latino’s met het woord 2000 heb ik daarna nooit meer gezien.

Het gekke was: inmiddels was het mij ook opgevallen dat veel succesvolle zwarte mannen kozen voor een witte vrouw. Je gaat het pas zien als je het doorhebt, dacht ik, inderdaad. Het leek te vaak voor te komen om toeval te zijn. Maar betekende dit dan ook dat de liefde van mijn ex gebaseerd was geweest op zelfhaat? Een actieve afwijzing van zwarte vrouwen? Nee, dacht ik. Of wilde ik dat niet erkennen? Wil iemand ooit zoiets erkennen bij zichzelf?

Hoe dan ook, als ik nu zwarte mannen zag met een witte vrouw aan hun arm, dan wilde ik roepen dat ik in hun liefde geloofde. ‘Discriminatie leidt tot zwarte zelf-haat’, wilde ik roepen, ‘ja, het leidt tot zwarte kinderen die kiezen voor witte poppen, voor vrouwen die hun kroeshaar glad willen maken, die moeten vechten om te geloven dat black beautiful kan zijn! En jij helpt hen niet die realiteit te doorbreken met je keuze voor die witte vrouw! Maar ga ervoor! Houd van haar! Leef die liefde!’

Ik besloot dat ik aardig zijn voor anderen nog belangrijker vond dan strijden voor een betere wereld. Belangrijker dan welke strijd dan ook die gevoerd moest worden om zieke systemen te bevechten. Zonder het onrecht te bagatelliseren of relativeren, wenste ik een activisme waar activisten anderen de maat niet zo namen. Of tenminste, niet heel streng, ook al is dat de kern van hun taak. Ik begon een diepe liefde op te vatten voor vegetariërs die af en toe Hema-worst eten, voor feministen die vallen op alfamannen, voor klimaatactivisten die onnodig vaak douchen. Want al waren die inconsequenties in strijd met het goede doel, de goede bedoelingen stonden nog steeds overeind. Ik was ervan overtuigd dat we het daarvan moesten hebben: de goede bedoelingen van niet perfecte mensen, omdat daar de ruimte voor verandering zit, verbetering, maar vooral ook voor lucht en begrip. Ik wenste een activisme waar onze menselijkheid in mee werd genomen omdat elke strijd anders verstikkend wordt. Al is dit misschien wel de moeilijkste vorm van activisme. Het is nu eenmaal makkelijker om te oordelen dan om begrip te tonen.

Hoe moeilijk dat is, bleek twee jaar later, toen mijn begripsvermogen nogal op de proef werd gesteld.

Beeld Rop van Mierlo

Voor de illustraties bij dit artikel liet Rop van Mierlo zich inspireren door de kleurenleer van Johannes Itten, die inhoudt dat een kleur in verschillende omgevingen anders ervaren wordt, terwijl de basiskleur zelf niet verandert.

Deel II: Te zwart

Het duurde bijna een jaar voordat ik wist waarom we nooit meer naar zijn ouders waren gegaan. Ik had een Duitse vriend, opgedaan op een vakantie, en kwam nu regelmatig in München. Mijn vriend was Duits-Duits, generaties lang Duits en wit. Niet dat ik dat van belang vond, tenminste, niet in het begin. Maar of zoiets van belang is, bepaal je uiteindelijk niet in je eentje.

München had grote, imposante gebouwen, brede straten, weidse pleinen. Alsof de stad alsmaar indruk op je wilde maken. Waarom ik me er niet thuis voelde, wist ik niet. Misschien liep alles er net te veel op rolletjes. Was het er te schoon, te goed geregeld, te veel in de pas. Ik vond het een leuke plek voor iemand als Balkenende, onze toenmalige premier, maar niet voor mij.

De Duitse vriend die ik had was wel heel leuk en dus reisden we op en neer tussen twee landen, zo vaak we konden. Hij was al klaar met zijn studie, maar nog niet begonnen aan iets dat hij als het echte leven zag. Hij deed wat losse klussen. Repareerde eens een scooter. Zwom in de rivier, stookte vuurtjes in de avond, ging tafelvoetballen in het café. Hij won een paar duizend euro bij een spelshow en kon er weer even tegenaan.

Er zijn mensen waarbij je je moeilijk voor kunt stellen dat ze opgegroeid zijn bij hun ouders. Dat was zo bij mijn Duitse vriend. Hij had iets lichts, iets vrolijks. De keer dat ik zijn vader had gezien, kon ik me niet voorstellen dat die strenge man de vader kon zijn van mijn flierefluiter. Hij had strak, achterovergekamd haar, groeven in zijn gezicht, een naar binnen gekeerde blik. Hij leek op een vader uit de jaren vijftig. Zo een die elke zondag zijn auto wast, het gras weer maait en van zijn vrouw verwacht dat het eten om 6 uur klaar staat.

Klopt, zei mijn vriend. Zo is hij inderdaad. Maar dan erger. Hij heeft vier Mercedesreservebanden aan de muur gehangen in zijn garage. Met het ventieltje onderaan. Als je stiekem het wiel een kwartslag draait, dan ziet hij dat, en dan draait hij het wiel weer terug.

Mijn vriend had zijn hele jeugd geruzied met zijn vader tot hij op zijn 19de was vertrokken om in een caravan te gaan wonen, want een kamer in München kon hij toen nog niet betalen. Zijn vader was een heel autoritaire en nukkige man, zei hij, en zijn moeder een lieve vrouw die met die nukken leefde.

Ik wist dus dat de relatie tussen mijn Duitse vriend en zijn vader altijd al op en neer ging tussen slecht en nog slechter. Maar dat ze officieel waren gebrouilleerd, kwam voor mij toch als een verrassing.

‘Ja’, zei mijn vriend ongelukkig. ‘Al een half jaar. Om jou.’

‘Om mij?’, vroeg ik verbaasd. ‘Hoezo?’ Ik had zijn vader nauwelijks gezien.

‘Omdat je een buitenlander bent’, zei hij. Ik zag hoezeer mijn vriend zich schaamde. Hij zuchtte, wreef met zijn hand door zijn haar en even leek het of hij ging huilen. Ik wilde hem omhelzen, geruststellen.

‘Omdat ik een buitenlander ben?’, vroeg ik in de war. ‘Heeft hij iets tegen Nederlanders?’

‘Als je blond was, was het geen probleem geweest’, antwoordde mijn vriend. En toen besefte ik dat zijn vader een racist was. Zo’n echte, die het alleen om je uiterlijk is te doen.

Ik was het gewend dat mensen vooroordelen hadden. Dat ze soms dachten dat mijn Caribische moeder wel blij zou zijn dat mijn vader haar uit de armoede had gered, terwijl ze was grootgebracht met dienstmeisjes, een kok en chauffeur. Of dat ze zich konden verbazen over de beugel van een nichtje - ‘Beugels, hebben ze die daar ook?’ Maar met mijn ABN, mijn gymnasium-diploma, mijn jeugd vol bezoekjes aan het concertgebouw – in Nederland had ik nog nooit zoiets meegemaakt. Vaak genoeg vonden mensen mij wel exotisch, maar een echte buitenlander, dat nooit. Het voelde wat bevreemdend.

‘Hij is bang dat je met mij bent voor mijn papieren’, zei mijn vriend.

‘Dat slaat nergens op’, zei ik. ‘Ik ben EU-burger, weet je nog?’

‘Het slaat nergens op’, zei mijn vriend. ‘Maar dat is voor mijn vader nog nooit een reden geweest om van mening te veranderen.’

Dit is wat ik besloot te doen. In New York was ik ongelukkig geweest toen ik te wit was bevonden. Dat zou me niet nog eens gebeuren. Als ik nu te zwart was, was dat niet mijn probleem. Ik dacht aan de donkere, wrokkige, racistische gedachten van de vader van mijn vriend. Als iets dat hem omringde, hem uit zijn slaap hield, iets dat hem grommend op deed staan. Terwijl ik me rustig uit zou rekken, fris en vrolijk aan mijn dag zou beginnen, zonder eenmaal te denken aan de man die zich zo opwond over mij.

En dat lukte eerlijk gezegd heel erg goed.

Mijn beste vriendin kon het niet geloven. ‘Hoezo doet het je niks?’, vroeg ze. ‘Dat meen je niet!’

Maar ik haalde mijn schouders monter op. ‘Ik maak het gewoon niet tot mijn probleem.’

Dat ik weinig last had van mijn schoonvader, was natuurlijk ook omdat mijn vriend en zijn vader waren gebrouilleerd. De vader van mijn vriend was niet aanwezig in mijn leven. Voor mij begonnen de problemen eigenlijk pas echt toen hij toenadering zocht. Om te beginnen toenadering tot zijn zoon. Hij had hem gevraagd naar het kerstdiner te komen. Hij wilde geen Kerst vieren zonder hem.

Mijn vriend twijfelde. ‘Mijn moeder zegt dat het heel wat is, dat mijn vader deze eerste stap nu zet. Normaal is hij veel te koppig en trots.’

‘Dat is dan toch positief?’, zei ik. ‘Waarom kijk je zo moeilijk?’

‘Omdat jij… ’ zei mijn vriend en ik zag weer zijn schaamte. Hij haalde diep adem. ‘Jij kan niet komen. Dat is nog een brug te ver. Mijn vader… Dat gaat met babystapjes. Allemaal aan dezelfde tafel, dat gaat gewoon nog niet lukken.’

‘Babystapjes?’, zei mijn beste vriendin. Ze klonk verontwaardigd. Ze kon niet geloven dat mijn vriend naar het kerstdiner zou gaan zonder mij. En al helemaal niet dat ik dat goed vond.

‘Hij doet het ook voor zijn moeder’, zei ik, ‘en ik wil zelf niet eens naar dat diner. Varkensvlees eten en O Tannenbaum zingen. Geen enkel probleem om dat over te slaan.’

Maar mijn vriendin hield vol. ‘Als jij niet mag komen, moet hij ook niet gaan.’

Ik zei weer iets over babystapjes en dat het nu eenmaal zijn vader bleef. ‘Wat moet je dan?’, sputterde ik. ‘Die man is gewoon…’ ik zocht naar woorden. ‘Beperkt in zijn denken. Een soort van gehandicapt, eigenlijk.’

Maar mijn vriendin schudde haar hoofd. ‘Mogen gehandicapten dan racistisch zijn?’, vroeg ze aan mij, en daarop wist ik niets te zeggen.

Beeld Rop van Mierlo

In de tijd dat mijn vriend het contact met zijn vader had verbroken, had hij zijn moeder wel gezien maar nooit bij haar thuis. Na het kerstdiner zocht hij haar thuis weer op en zag zijn vader dan ook. Echt warm werd het niet tussen hen, maar hun relatie ontdooide een beetje en daar was zijn moeder erg blij mee. Ook zocht zijn moeder mij nu soms op. Op mijn verjaardag kwam ze langs en bracht een cadeautje. Ik wist dat ze zich schaamde voor haar man, zich schaamde dat hij mij niet accepteerde. Maar we bespraken het nooit.

Als mijn vriend en ik zijn moeder zagen, leek het of zijn vader niet bestond. Wel kneep ze soms in mijn hand, en dan dacht ik dat ze daar iets mee wilde zeggen, iets dat ze niet goed uitspreken kon. Ik vond haar aardig, lief zelfs, al begreep ik niet hoe ze met haar man kon leven. Maar zij leek haar huwelijk te zien als haar lot en niet iets om te bevragen. Of misschien hield ze gewoon wel veel van haar man, zo veel dat ze ook veel accepteerde.

Ik wist niet dat ze achter de schermen haar man wel degelijk aan het bewerken was. Dus toen mijn vriend en ik op een zomerdag samen met zijn moeder in een biergarten zaten, had ik niet voorzien dat zijn vader daar opeens zou opduiken.

Maar daar stond hij, aan het hoofd van onze tafel.

Hij groette en stak zijn hand naar mij uit.

Overrompeld schudde ik zijn hand.

Daarna ging hij bij ons aan de tafel zitten en keek mij niet meer aan. In rap Duits begon hij tegen mijn vriend en zijn moeder te praten.

Stomverbaasd keek ik naar mijn vriend. Die glimlachte ongemakkelijk terug.

Ik keek naar zijn moeder. Ze knikte naar mij, heel verguld.

Het Duits ging te snel voor mij om goed te begrijpen. Soms ving ik iets op of begreep ik iets half, genoeg om te weten dat het allemaal over koetjes en kalfjes ging. Over het weer, tuinmeubels, iets met de Mercedes.

Ik zat erbij en keek ernaar, zonder te begrijpen waar ik precies naar keek.

Toen zijn ouders weer vertrokken, zwaaiden ze, zijn moeder uitbundiger dan zijn vader. Ze keek nog steeds verguld.

‘Wist jij hiervan?’, vroeg ik aan mijn vriend, toen zijn ouders waren weggefietst.

‘Mijn moeder had mijn vader verteld dat we hier zouden zijn’, antwoordde hij. ‘En dat hij aan kon schuiven als hij dat wilde.’

‘En jij wist dat?’, vroeg ik. ‘Waarom zei je dat niet?’

‘We wisten niet of hij het ook zou doen.’

Het was stil.

Ik zei niets.

Mijn vriend keek afwachtend. ‘Goed toch, dit?’, vroeg hij voorzichtig. ‘Dit is toch een stap vooruit?’

Dat was het moment dat ik voor het eerst echt boos werd. Woest, was ik. ‘Goed?’, riep ik. ‘Goed? Eerst geeft die man mij een schop, en daarna moet ik blij zijn met zijn babystapjes? Hiep hiep hoera gaan roepen? Blij dat hij eindelijk wel met mij aan een tafel wil zitten?’

Nee, ik was niet blij, ik had zin om iemand heel hard te slaan.

Het kwam niet door zijn vader dat onze relatie kort daarop uitging. Mijn vriend wilde niet verhuizen, ik hield niet van München. Onze lange afstandsrelatie belandde in een eeuwige limbo en dat brak ons uiteindelijk op. Of misschien vonden we elkaar ondanks de liefde gewoon niet leuk genoeg, leuk genoeg om offers te brengen. Maar ik heb nog veel nagedacht over die dag in de biergarten met zijn vader. Die dag dat zijn vader zijn hand uitstak.

Ik had het gevoel dat zijn vader was gecapituleerd. Dat hij zich neer had moeten leggen bij de druk die zijn vrouw en zoon hadden uitgeoefend. Het was geen hartelijkheid die plots was ontstaan.

Maar een uitgestoken hand, is een uitgestoken hand. Voor iemand die zijn ongelijk nooit erkende, was het misschien zelfs een groots gebaar. In ieder geval was het een teken dat hij bereid was mij te erkennen. Te accepteren dat ik er was, ook al had hij mij liever weggekeken, zo zijn leven uit.

Ik had hem ook liever weggekeken. En met hem alle andere autoritaire, racistische mannen. Het probleem is alleen dat door weg te kijken nooit iemand echt verdwijnt.

Al zag ik ze inmiddels niet meer – die fronsende latina’s, mijn Duitse schoonvader – ze waren er tenslotte nog steeds. Ik was er nog steeds. Wat als je elkaar niet kunt ontlopen, omdat je een familie deelt, een baan, een klas, een stad, een land?

Wat als ik in München gebleven was?

Ik wist dat ik vrolijk om mijn schoonvader heen kon leven. Maar zou dat wel vol te houden zijn?

Misschien kon je niet blijven bevechten dat iemand in je leven was. Mijn schoonvader en ik waren verbonden door geliefden, door gedeelde plekken, feestdagen. Geen keuze maar een omstandigheid, iets waarmee je het maar hebt te doen.

Een warme relatie hadden mijn schoonvader en ik nooit gekregen, daar ben ik vrij zeker van. Voor wederzijds begrip moet je elkaar ook begrijpen en dat zat er bij ons niet in. Dat haal je niet met babystapjes en soms zijn babystapjes al moeilijk genoeg. Maar misschien was het ons wel gelukt om elkaar te verdragen. Misschien hadden we net genoeg begrip op te kunnen brengen om elkaar net niet te gaan slaan. Wat best heel wat is, want de wereld is niet bepaald zonder geweld. Misschien is elkaar verdragen zonder te slaan wel dat wat we beschaving noemen. Vooruitgang, zelfs.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden