Te veel hartstocht leidt tot ellende

Onbehagen, dat roept Abraham Janssens' Heracles, Pan en Omphale uit 1607 op, hoewel het een indrukwekkend mooi schilderij is. Dat ligt niet aan de uitvoering: de verdeling van de figuren over het beeldvlak, de suggestie van beweging, de modellering in verf, het is allemaal even vaardig gedaan....

De compositie wordt gedomineerd door het bleke, bijna lichtgevend blanke naakt van Omphale. Haar wezenloze houding, de kin op de borst geknikt alsof ze beneveld is, vormt een prikkelend contrast met het woeste gevecht dat zich om haar afspeelt. In een draaiende beweging trapt Heracles zijn rivaal, de wild met zijn bokkenpoten zwiepende herdersgod Pan, het bed uit. Met diezelfde draai werpt de held zich op de met gesloten ogen achterover hangende Omphale.

Maar het plaatje is misleidend. Uit de Griekse mythe waarop de Antwerpse meester de voorstelling baseerde, werd de erudiete zeventiende-eeuwer juist geacht te leren dat ongebreidelde hartstocht tot ellende leidt. Heracles is de slaafse minnaar van Omphale.

Dat ging zelfs zover dat hij, volstrekt belachelijk in de ogen van die tijd, haar kleren droeg. Zo dacht Pan zich aan Omphale te vergrijpen, terwijl hij Heracles in travestie te pakken had. Om de erotische uitstraling van de voorstelling te verhogen, veroorloofde Janssens zich de nodige vrijheden.

Het werk maakt deel uit van een tentoonstelling die draait om de plaatjes: Griekse Goden en Helden in de tijd van Rubens en Rembrandt. Daarmee wil het Dordrechts Museum laten zien hoe zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlandse en Vlaamse meesters onderwerpen uit de Klassieke Oudheid in beeld brachten. Om de circa tachtig schilderijen, aangevuld met nog eens vijftig prenten, een plaats te kunnen geven moest het hele museum, op een enkele zaal na, ontruimd worden.

Zelfs met zoveel ruimte is het een ambitieuze onderneming om zo'n breed overzicht te willen geven, zeker van een periode als deze, met een ongeëvenaard hoge en gevarieerde schilderijenproductie.

Maar wat er in Dordrecht gepresenteerd wordt, is zeker de moeite waard. Onbetwist hoogtepunt van de tentoonstelling is Rembrandts grote Athena, uit een Japanse privé-verzameling. Dat de eigenaar, zij het pas na tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke dienst, erin toestemde om zijn bezit uit te lenen heeft er waarschijnlijk alles mee te maken dat hij van plan is om het op de markt te brengen. Aan de authenticiteit van een tweede Rembrandt, de Philemon en Baucis wordt getwijfeld.

Van de andere grote publiekstrekker, Pieter Paul Rubens, zijn maar liefst zes schilderijen te zien. Het is uitzonderlijk om tussen de forse doeken die hij nodig had om zijn flink uitgevallen dames op te draperen, ook een paneel aan te treffen. In de regel worden grote, uit verschillende planken samengestelde panelen te kwetsbaar geacht om te vervoeren. Maar het Metropolitan Museum in New York had er blijkbaar geen moeite mee om een juweel als Rubens' Feestmaal van Acheloüs, met stilleven-elementen van de hand van Jan Brueghel, uit te lenen.

Werk van schilders uit het Antwerpen van Rubens neemt het grootste deel van de begane grond van het museum in beslag. Net als bij Janssens lijkt het verhaal, inclusief de moraal, meestal niet meer dan een flinterdun excuus om vrouwelijk - en trouwens ook mannelijk - naakt zo aantrekkelijk mogelijk uit te stallen; het is bijna zoiets als 'de Playboy lezen om wille van het interview'.

De klassieke schoonheid van de naakte goden en helden contrasteert opvallend met een aantal van de veel realistischer, huiselijker voorstellingen van de Noord Nederlanders, die op de eerste verdieping zijn opgehangen. Van de prachtige Sater en de boer van Matthias Stom, en trouwens ook van de versies die Jan Steen en Barent Fabritius van deze fabel schilderden, hoef je enkel de halfnaakte sater met zijn bokkenpoten af te snijden om een doorsnee zeventiende-eeuws interieur met alledaags geklede figuren over te houden.

Het is veel, heel veel. Zoveel, dat niet direct opvalt wat mankeert. En dat is ook veel. Van schilders als Lambert Lombard, Frans Floris en Jan Gossaert, die cruciaal waren voor de introductie én de verspreiding van de klassieke thema's in de Lage Landen, is geen werk opgenomen. Ook een belangrijk meester als Cornelis Cornelisz van Haerlem ontbreekt. Om de laat zeventiende-eeuwse fijnschilderkunst te vertegenwoordigen was een schilderij van Adriaen van de Werff een betere keuze geweest dan de akelige Willem van Mieris-sen die er nu hangen.

Natuurlijk, veel schilderijen worden niet of slechts tegen zeer hoge kosten uitgeleend. De komst van een prachtig Aphrodite, Ares en Eros van Lambert Sustris, bijvoorbeeld, bleek op het laatste moment niet door te gaan vanwege de slechte toestand waarin het werk zou verkeren. Het is de zwakte van een thematische tentoonstelling als deze: compleet is het overzicht nooit.

Maar in dit geval is dat een kwestie voor scherpslijpers en zeurpieten, want het vele wat er wel te zien valt maakt het tot een sterk geheel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.