Te veel gezien

'Ik wil hier niet zijn, denk ik, maar ik ben er, en beschrijf het onbeschrijflijke wat ik hier zie.' Verslaggever Michel Maas over zijn ervaringen in Phuket en Atjeh....

'Elk moment dat ik daar was wilde ik weg. Ik wilde dit niet zien. Zou ik stoppen en weglopen? Of zou ik de verantwoordelijkheid nemen om daar te zijn met mijn camera?'

De tekst staat op een t-shirt van een jongeman op het vliegveld van Me dan, de chaotische toegangspoort tot Atjeh. De jongeman zit tegenover mij alsof hij wil dat juist ik zijn t-shirt moet lezen. Ik lees het en noteer de woorden. Zij zijn van James Nachtwey, oorlogsfotograaf. Ik heb Nachtwey gezien. Als ik hem tegenkom, staat hij in Banda Atjeh aan de straat, met zijn camera's om zijn nek. Hij kijkt om zich heen met een blik die verraadt dat hij pas net is aangekomen. Over hem hangt nog niet de grauwe sluier van vermoeidheid, stof en dood die zoveel mensen hier met zich mee torsen. Hij is nog fris gewassen en gekamd.

Ik moet er zelf vreselijk uitzien. Misschien hebben mensen toch iets van de kameleon in zich, en nemen zij, als je maar lang genoeg wacht, de kleur van de omgeving aan. Ik volg de blik van Nachtwey. Wat hij kan zien van waar hij staat, is niets bijzonders. Een beetje modder op de weg, een trottoir waaraan je kunt zien dat het onder water heeft gestaan. Wacht maar, denk ik. Straks kijk je wel anders.

'Tsu-na-mi.' Meer dan eens hoor ik het mensen uitspellen, alsof het een woord is dat iedereen moet leren, of de naam van het nieuwste videospel uit Japan. Het is een machtig woord. Mensen in Atjeh krimpen in elkaar, of rennen in paniek naar buiten als je het roept. Daar ga ik heen, naar tsu-na-mi. Ik moet erheen.

Als de verwoesting Atjeh treft is Atjeh nog gesloten voor buitenlanders. De Indonesische regering wil niet dat mensen zien wat daar gebeurt. Er wordt al zo lang zo negatief over Indonesië geschreven. Over wat zich 26 december in Atjeh heeft afgespeeld, heeft na een dag nog niemand een idee. De telefoons zijn dood, de stroom is uitgevallen. Een aardbeving, een vloedgolf. Twee gewone woorden, voor gewone natuurverschijnselen die wel vaker wat slachtoffers eisen. Maan dag, een dag na de ramp, lijkt het nog mee te vallen.

Schijnwereld

Ik vlieg eerst naar Thailand, naar Phuket, dat ook hard getroffen lijkt te zijn. Ik ben daar nooit geweest. Wel aan de kusten van Ba li, waar alles ongeveer hetzelfde schijnt te zijn, hetzelfde als op alle toeristenkusten van de wereld. Een schijnwereld van bars, restaurants, hotels, winkeltjes, internet en bier.

De routine van zonnen-shoppen-biertje is volkomen platgeslagen. Mensen lopen verdwaasd rond en weten ineens niet meer wat zij moeten doen. Het strand ligt bezaaid met wrakgoed. Lijken beginnen te stinken vanonder ingestorte gebouwen en stapels puin. Hotelkamers zijn veranderd in vuilnisbakken waar de zee zijn rommel naar binnen heeft gegooid. Alles heeft dezelfde kleur gekregen, de kleur van het wrak van de Titanic.

Ik moet nog even wennen. Loop net zo verdwaasd rond als de toeristen die zich verbazen hoe dit heeft kunnen gebeuren. Niemand heeft de schok gevoeld die ver weg, bij Atjeh een scheur in de aarde trok. Iedereen sliep, want iedereen heeft de dag tevoren een beetje veel gedronken. Het is de dag na kerst.

De winkeltjes aan het strand van Pathong zijn verdwenen, de parasols en bootjes zijn vaak ver landinwaarts neergekwakt. Auto's slingeren overal in het rond. 'Een Nissan Cefiro', zegt mijn begeleider Arthorn. In zijn stem klinkt ontzag. 'Een dure auto.' De tsunami kent geen onderscheid tussen dure en goedkope auto's. Hij kent ook geen onderscheid tussen jonge en oude mensen, rijke mensen, arme mensen, mannen, vrouwen. De dood discrimineert niemand, en trekt ook niemand voor.

Machteloos

Drie chocoladebruine overwinteraars staan aan het strand. De bejaarde benen van een van hen zijn geschaafd toen het water erlangs raasde en ze sloeg met stukken hout en stenen. De mannen hebben het overleefd en staan nu in hun korte broek in het zand en kijken uit over de zee. 'Ik blijf', zegt een van de drie. 'Tot februari.' Hij komt uit Oosten rijk, en heeft nog geen zin om terug te gaan. Waarom zou hij? Zijn hotel staat er nog, het strand ligt er nog en de zon is ook nog niet verduisterd. Zijn vriend, een Duitser, kijkt hem verbijsterd aan: 'Hoe kun je hier blijven? Straks is iedereen weg, en dan zit je hier in je eentje. Ik ga. Als het kan, ben ik morgen weg. Ik heb te veel gezien.'

De tsunami heeft hem laten voelen hoe klein wij mensen zijn. Wat is er nodig om 200 duizend mensen van de aardbodem weg te vagen? Een kleine siddering van de aarde. Meer niet. Heel even hebben wij hier op Phuket kunnen zien hoe klein en machteloos mensen zijn, als het erop aankomt. 'Hier wird man katholisch', zegt de Duitser. Hier wordt een mens gelovig. Veel mensen die denken zoals hij haasten zich weg van het eiland, maar anderen blijven.

Zij kijken bij honderden toe als volgelopen hotels en kelders worden leeggepompt, en het zakkende water een voor een de doden prijsgeeft die het heeft gevangen. Zij nemen foto's. Zij rekken hun halzen om een echte dode te kunnen zien.

Waarom doen mensen dat? Ik wil hier niet zijn, denk ik, maar ik ben er, en beschrijf het onbeschrijfelijke wat ik hier zie. Ik beschrijf hoe mensen die gisteren nog leefden, nu stinkende karkassen zijn die niemand meer herkent. Hoe hotels die gisteren nog in de avondschemering over de zee uitkeken, nu onderdak bieden aan doden die gevangen liggen onder water en vuil.

In het ziekenhuis liggen de lijken in lange rijen naast elkaar. Aan elke plastic zak, aan elke kist is een foto vastgeniet. Een foto van de dode die in de zak zit. De gezichten zijn verminkt, gebutst en soms grotesk en volslagen onherkenbaar, maar de foto's geven elke dode ook na de dood nog een eigen identiteit.

Een Japanse vrouw wordt uitgepakt. Zij is wit als was. Haar dochters en een schoonzoon zijn gekomen om haar te zien. Op haar plastic zak hebben zij een bosje bloemen gelegd. De schoonzoon heeft een foto bij zich. Een portret van toen de vrouw nog jong was, en mooi, en vol leven. Deze foto wil hij bij het lijk achterlaten, zodat zij ook in de dood nog kan zijn wie zij tijdens haar leven was, en niet slechts het kapotte lichaam dat hier ligt. Hij bedenkt zich en stopt de foto weer in zijn binnenzak. Misschien heeft hij hem straks nog nodig.

Arrogantie

Lijkenfoto's hangen overal. Mensen verdringen zich ervoor en wijzen naar details. Waar om doen mensen dat? Ik kijk ook en beschrijf de dode met de watten in haar mond, de man met de uitpuilende ogen. Een man staat bij de lijken. Een familielid, een kennis. Hij vraagt wat ik daar doe. Journalist. Wegwezen! 'Not welcome!', zegt hij. Hij wil niet bekeken worden in zijn leed. Ik laat hem met rust, maar ga door met mijn werk.

Ik neem de verantwoordelijkheid van hier te zijn en pak mijn pen en mijn papier

Ik heb nog geen idee van de omvang van de ramp. Het dodental stijgt snel, maar hier op Phuket wordt haastig opgeruimd. De straten worden schoongeveegd en al een dag na de ramp zijn de terrasjes die niet zijn beschadigd weer open. Op die terrasjes dalen de toeristen neer als mussen op een korst brood. Eerst een, dan twee, dan tien...

Ik zie een hardloper op het strand. Hij draagt een walkman, en rent routineus en snel langs de vloedlijn. De zee laat hem met rust. Die ligt er weer bij alsof er niets is gebeurd, alsof hij niets heeft gedaan. Rimpelloos en vlak tot aan de horizon.

Ik zie een meisje dat zich uitkleedt en begint in te smeren met zonnebrandolie. Zij is net zo wit als de Japanse dode, maar kennelijk vastberaden met een lekker kleurtje naar huis te gaan. Een man ligt in het zand. Ook hij is niet dood. Hij leunt op zijn ellebogen en zijn hoofd rust op zijn handen. Hij verveelt zich. Zijn vrouw staat achter hem en kijkt naar strandjutters die bezig zijn bruikbare spullen uit de restanten van de ramp te trekken. De lijken zijn er al uit gesorteerd, en de rest is op hopen geveegd aan de rand van het strand, klaar om te worden opgehaald. Ik maak er foto's van. Ik kan niet geloven dat een mens zo ongevoelig kan zijn.

Het kan makkelijk. Geen wezen is arroganter dan de mens. Zij maken gaten in de aarde, kappen de bergen kaal en vervangen de natuur door beton en asfalt. Zij vormen de wereld naar hun eigen idee van hoe het zou moeten zijn. De tsunami heeft die arrogantie verstoord en de mensen doen voelen hoe nietig zij zijn. Wij krabben hoogstens een klein beetje aan de oppervlakte van de planeet, maar als die kwaad wordt schudt hij ons van zich af als een hond zijn vlooien.

Beetje pijn

De opruimploegen op Phuket wekken de indruk dat het zaakje weer onder controle is, de open terrasjes en internetcafés geven mensen het gevoel dat de ramp maar een beetje pijn heeft gedaan, maar dat we er over een weekje niets meer van zullen voelen. De toeristen hervatten het zonnen-shoppen-biertje, eerst aarzelend, maar na drie dagen al bijna normaal. Ook de Thai hervatten het leven. Wat in Pathong betekent dat de Tiger-disco woensdagavond alweer propvol zit met kortgerokte Thaise meisjes. Zij moeten leven, nietwaar?

De ramp is verhuisd naar achter hun ruggen. Op het terrein voor het provinciehuis, bij de ziekenhuizen en op andere plaatsen zoeken honderden mensen naar vermisten. Steeds wanhopiger lopen zij langs de groeiende lijsten met namen, de borden vol foto's. Zij gaan van het ene naar het andere ziekenhuis, kijken in lijkzakken, zoeken in de zalen vol gewonden. Hun aantal groeit. Nog steeds is de echte omvang van de ramp nog niet bekend.

Berichten komen uit Khao Lak en van Phi Phi eiland - het eiland waar The Beach met Leonardo DiCaprio is opgenomen. De weg naar Khao Lak is onbegaanbaar. Alleen boten kunnen erheen, net als naar Phi Phi. Steeds meer komen er terug, gevuld met lijken en gewonden. Honderden zijn er dood, honderden worden er vermist. Honderden.

Het aantal betekent niets voor de mensen die lopen te zoeken. Ze zoeken iemand met een naam en een geschiedenis. Iemand die heeft geleefd, en misschien nog steeds in leven is.

Naarmate het aantal stijgt, begint dat besef bij mij soms te slijten. De doden worden alleen nog maar doden. Gevulde lijkzakken. Een bron van een stank die in je kleren en haren gaat zitten en zich diep in je neus verstopt waar je hem maanden later nog plotseling kunt ruiken als je hem allang weer vergeten was.

Het wordt gewoon om hier rond te lopen, en ik ben niet eens meer geschokt als ik een Duitser tref uit München die loopt te vloeken omdat Neckermann hem naar huis haalt. Hij brult in de telefoon dat hij nog voor een week betaald heeft en dat hij wil blijven. Uiteindelijk zwicht hij. Machteloos roept hij ten slotte dat hij zich zal laten evacueren, 'aber nur unter Protest!'

Wonderlijk schoon

Ik wil hier niet zijn, denk ik. Wij gaan alleen nog even naar de tempel Kat Ho, om te zien wat daar met de doden gebeurt. In de schaduw van de gebouwtjes van de tempel staan kisten, te wachten op crematie. De kleine oven van het complex kan er maar vijf of zes per dag verbranden. Na elke dode moet de oven afkoelen, zodat ze de as eruit kunnen halen, en dan moeten ze hem weer opstoken. Dat is een tijdrovend karwei.

Twee kisten staan geparkeerd voor de oven. De een bedekt met bloemen, de tweede is een geïmproviseerde kist die wordt getimmerd voor anonieme doden. Uit de kist lekt zwart lijkvocht. Het valt naast de kom die eronder is geschoven en sijpelt langzaam van de trappen naar beneden. Ik noteer het. 'Lijk vocht, kist, oven', en loop naar de tempel. Drie kisten staan klaar voor het begrafenisritueel. Overladen met bloemen, kleurige lampjes en wierook.

Voor een van de kisten zit een meisje in serene stilte wierook te branden. 'Wie was dat?', vraag ik aarzelend, en wijs naar de kist. Zij draait zich om en kijkt mij aan. Misschien komt het doordat ik zoveel verminkte gezichten heb gezien, maar ik kijk in het mooiste gezicht dat ik ooit heb gezien. 'Mijn moeder', zegt zij.

Kalm vertelt zij dat zij 13 is, en de oudste van drie kinderen. Haar moeder werkte als serveerster in Pathong. Nu zal zij moeten werken, zegt zij. Voor haar zusjes. Zij huilt niet, ik wel. Ik hap naar lucht en draai mij om naar Boeddha die glimlachend uitkijkt over het landschap.

Ik voel een lichte bries, niet meer dan een zuchtje wind. De koelte voelt aangenaam, en even lijkt het of de wind niet langs, maar door mij heen waait. Zachtjes wordt daar al het zwarte stof weggeblazen dat het zien van al die doden daar heeft neergelegd. Ik denk niet meer: 'Ik wil hier niet zijn', maar voel mij wonderlijk schoon en licht.

Hiroshima

Als ik Phuket verlaat, en naar Atjeh vlieg heb ik het gevoel dat ik alles heb gezien dat er te zien valt. Net als James Nachtwey stap ik frisgewassen en gekamd de straat op.

Aan de weg van het vliegveld werken twee graafmachines. Zij graven diepe brede sleuven, die gevuld worden met lijken. Daar gaat zand overheen, en dan nog een laag lijken en dan weer zand, net als lasagna. Tientallen zwarte en gele zakken liggen in de sleuf die half vol water staat. Uit de zakken steekt een arm, een been, een opgezwollen buik. Maar dat heb ik al gezien.

Zelfs de stad lijkt nog overeind te staan. Ik zie de moskee, zie de Heilig Hartkerk, zie ongeschonden straten. Dat is nog maar een façade: de voorkant van een stad die geen achterkant meer heeft.

Als ik voor het eerst de straat op stap en begin te lopen, groeit met elke stap het besef dat wat hier is gebeurd groter is dan alles wat ik ooit heb gezien. Ik ben in Hiroshima. Ik ben in de wereld die Noah aantrof toen het water was gezakt. Hoeveel doden vielen er in Hiroshima? Zeventigduizend, minder dan hier, als je de zeventigduizend niet meetelt die later aan kanker zijn gestorven.

De hand van God heeft de ene helft van Banda Atjeh platgeslagen, en de zee heeft het puin dat daar lag tegen de andere helft gesmeten. Overal liggen lijken. De mensen hebben nog niet eens de tijd gehad ze in zakken te stoppen. Bijna geen enkel lijk heeft een naam, aan geen enkele zak hangt een foto. Zelfs hier, midden in het hart van de hoofdstad.

Ik ken de stad. Ben hier vaak geweest en heb door de stoffige straten gereden. Toen was hier oorlog. Grimmig gemaskerde militairen reden in gepantserde vrachtauto's rond, en richtten lachend hun geweren op voorbijgangers. Elke dag werden er doden gevonden aan de kant van de weg. Bijna elke dag wel een, of twee, of drie, meer dan twintig jaar lang. Soms zag ik zo'n dode, en schreef erover.

Zo stil

Het is nog altijd oorlog, maar dat betekent ineens niets meer. Een tsunami is honderd keer groter dan het hele Indonesische leger en dat van de rebellen bij elkaar. De soldaten rijden nog rond, maar zijn net zo verbijsterd als de bevolking zelf. Honderden militairen en politiemannen verdwenen in de golf. Zij waren in hun kazernes net zo kwetsbaar als de vissers in hun huisjes aan het strand. En zij kijken net zo verschrikt als Ban da Atjeh voor de zoveelste keer deze week door een naschok heen en weer wordt geschud.

Ik sta midden in het platgeslagen land van het kuststadje Lhok Nga en verbaas mij waarom alleen de moskee nog overeind staat. God zal wel weten waarom, maar het is een raadsel. Ik sta voor Hotel Medan en kijk naar de vissersboot die daar voor de deur op het droge ligt als Noahs ark. Ik kijk naar de lijkzakken die langs de kant van de weg liggen om te worden opgehaald. Ik kijk hoe lichamen uit het puin worden getrokken, kijk hoe doden voorbijdrijven in de rivier, zie hoe het water ze wit heeft gemaakt en hoe zij zacht als zeewier bewegen met de golven.

Ik hoor dat Helmi, die ik nog ken uit Bi reu en, is verdwenen. Hij zat in het kantoor van zijn krant, Serambi, in Banda Atjeh toen dat als een van de eerste gebouwen door de golf werd platgeslagen. Zeker zestien journalisten verdwenen met hem. Ik moet nog ergens een foto van hem hebben, bedenk ik. Zo'n foto helpt tegen het vergeten.

...Ik wil hier niet zijn. Maar ik ben er, en neem de verantwoordelijkheid van hier te zijn met mijn pen en papier...

Achter de ark bij Hotel Medan liggen twee lijkzakken. Zwarte schone zakken met een rits in het midden. Ik maak er foto's van. Wind blaast een plastic beker ertegenaan, stof blijft op het plastic liggen. Ik ga even zitten en denk hoe het moet zijn om hier te liggen en de auto's en motoren voorbij te horen komen. Ik kijk naar de zakken, de lichte golving van het plastic. Het is zo stil. Ik voel een diepe kalmte over mij heen komen. Zij liggen hier goed. Ik kan ze hier met een gerust hart achterlaten.

Ik laat ze achter, denk ik, maar zo eenvoudig blijkt dat niet. Op het vliegveld leunt een klein meisje tegen een muur. Haar mondje hangt open, haar ogen zijn gesloten. Ze slaapt. 'Het is net of ze dood is', denk ik. Het is nog maar een week geleden dat ik een ander kindje zag, in het ziekenhuis van Phuket. 4 Jaar en negen maanden oud. Zij lag in een koelkast. Ik zag alleen haar foto. Haar gezichtje was bont en blauw, haar mondje pruilde een beetje, of ze boos was, haar oogjes waren stijf gesloten. 'Het is net of ze slaapt', dacht ik toen. Ik heb over haar geschreven. Ik weet zelfs nog haar naam. En ik weet dat haar ouders haar hebben gevonden. Zij krijgt een grafje, haar foto staat op een dressoir en mensen zullen voor haar bidden. Dat is al veel meer dan de meeste doden hier zullen krijgen.

Ik schud mijn hoofd. Ik probeer de doden van mij af te schudden. Maar overal om mij heen zie ik ze. In een arm die vanachter een stoelleuning tevoorschijn hangt, een zwarte plastic zak in een hoek, een uitgerolde slaapzak.

Allemaal zijn wij dood. Wij weten het alleen nog niet.

Witte hand

Als ik thuiskom staat voor mijn huisdeur een emmer water, waarop bloemen drijven. Ik weet wat er van mij wordt verwacht. Ik dompel mijn handen in het water en was ze, was ook mijn onderarmen, en gooi water met bloemen en al in mijn gezicht. Ik laat mijn tas met kleren buiten achter, waar zij met tas en al in het bloemenwater worden gedompeld.

Binnen neem ik een bloemenbad. Het bloemenwater moet de doden tot rust brengen die zich in mijn neus, mijn hersenen, mijn poriën hebben genesteld. Ik weet dat dat nooit helemaal zal lukken.

Sommige doden draag je altijd met je mee. Ik weet dat ik het gezichtje van het kleine meisje uit Phuket niet zal vergeten. Uit Bali is er een vrouw van nog geen 20, zij was helemaal verbrand, maar haar gezicht was nog gaaf. Uit Kosovo een klein jongetje dat door een sluipschutter van een kilometer afstand met een meesterschot doormidden was geschoten. Hier uit Atjeh neem ik een witte hand mee, van een man die voorbijdreef toen ik uitkeek over de rivier. Hij zwaaide.

Ik beschrijf ze. Dat is alles wat ik voor ze kan doen. Misschien maak ik daarmee hun dood iets minder zinloos, denk ik. Alsof er ooit een zin zit in de dood.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden