Te schoon schrijver

Erwin Mortier kan niet anders dan mooi schrijven. In zijn jongste roman, over een homoseksueel in oorlogstijd, schiet hij door.

Erwin Mortier: De spiegelingen

**


De Bezige Bij; 304 pagina's; euro 18,90.


Op de monumenten die ons herinneren aan de Eerste Wereldoorlog zouden ook de namen van de vrouwen moeten staan, merkt de Vlaamse Hélène Demont op in de roman Godenslaap (2008) van Erwin Mortier. De namen van de hoeren, de maîtresses en de zusters in de fronthospitalen, de vrouwen die 'de angst verdreven' en die de achterkant van de heroïek kenden, door de gehavende en desperate strijders bij te staan. Mortier richtte dat monument alsnog op, door de 100-jarige te laten terugblikken op dat vergeten verdriet van België, in een taal zo opgedoft dat het verhaal haast kapseisde. Eindelijk mocht Hélène, en ze greep haar kans.


In die vroege jaren werd ze verliefd op de Engelse soldaat en fotograaf Matthew Herbert. Na de oorlog zou ze met hem trouwen, en samen kregen ze een dochter. Al die tijd vermoedde Hélène dat haar homoseksuele broer Edgard ook dodelijk verliefd is geweest is op Matthew.


Broer Edgard nu is de verteller in De spiegelingen, de nieuwe roman van Mortier, die wederom iemand uit de schaduw van de geschiedenis trekt: de homoseksueel, de jongen die anders is, en die als gewonde in het hospitaal tussen zijn windselen door lag te loeren naar andere mannenlijven, beurs of niet. Die inderdaad een grote liefde opvatte voor de Engelsman (tot Matthew, de inmiddels gestorven fotograaf, is het grootste deel van deze vertelling gericht), en die op verstolen momenten die liefde ook beantwoord zag. Die tot in de Tweede Wereldoorlog nog verschillende minnaars had, mannen die teder over zijn littekens ('lasnaden') wreven, en over de stramme heup die hij aan de Grote Oorlog heeft overgehouden.


'Ik ben geen man van grote gedachten', heet het in De spiegelingen, 'laat mij onooglijk blijven'. Dat klinkt bescheiden. Maar in een monoloog die een roman lang duurt, wordt dat zelfbeeld een beleefd excuus om leegte te maskeren. Edgard Demont weet na twee wereldoorlogen niet meer wat dat was, 'de ziel, en zeker de mijne. En zaken als vooruitgang, het universele, de liefde, de economie, vind ik al even onduidelijk. Hoeveel van die ijle termen zouden ons, indien we hun voetsporen konden volgen, terugvoeren naar onze naaktste lichamelijkheid?'


Met die verzuchting acht de vroegoude Demont (in 1945 is hij nog geen 50 jaar) zich ontslagen van elke poging om ook maar iets van de genoemde grootheden te onderzoeken. Alsof de ware zintuiglijkheid alleen gevonden kan worden in gestoei en gesabbel tussen de lakens, en alleen te voorschijn kan komen uit het lid, de piel, de pik dan wel het geslacht van de beminde, die in deze varianten aan de orde komen. Liever vermeit Edgard zich in sensibel kwijnen en kwelen, hij denkt terug aan hoe hij in de barak lag te kermen en intussen keek naar het zonlicht dat op het pyjamahemd van Matthew danste. En aan de volgende oorlog, toen hij als veertiger in Londen kennis had aan de jonge Engelse schilder Paul. Bij luchtalarm lag Edgard in bed te kijken naar de inslagen en brandhaarden, 'likkend aan de horizon, bijna feeëriek', en hij legde zijn wang maar weer in Pauls hals.


O de pijn, denkt hij soms. De zinsnede wordt in De spiegelingen enkele malen aangehaald, 'O de pijn', een kreetje dat voor lamento moet doorgaan, dat moet goedpraten dat Edgard met zijn dienstknecht Pierre (die hem ook 's nachts ter wille is) een leven lang niks heeft uitgevoerd. Hij speelt geen rol van betekenis in de geschiedenis, en dat is goed zo, laat hem maar in de schaduw mijmeren over lijven van toen en later. In Londen 'hing de lucht van brandend mensenvet en verkoolde botten', maar hij lag in Pauls armen. Het was zijn enige manier om 'met de wereld samen te vallen'.


Dat Mortier niet anders dan mooi kan schrijven, weten we sinds zijn debuut Marcel van vijftien jaar geleden. Maar in De spiegelingen schiet hij fataal door in schoonschrijverij, temerige sofismen ('voor iedereen maakt het fantasma de uiteindelijke waarheid uit, de laatste grond, de enige sleutel in het moeilijke slot in onszelf') en baarlijke kitsch. Na de twee grote oorlogen heeft Demont nog één keer echt iets gevoeld voor een man, de blinde Japanse jongen Noburu. 'Zijn oogleden trilden alsof het regende. In zijn dode pupillen heb ik eindelijk jouw afwezigheid in de ogen kunnen kijken.' Noburu verloor zijn moeder door een bombardement bij Osaka, en zelf was hij vanaf dat moment blind.


Ook een oorlogsslachtoffer. Edgard zwijmelt bij de herinnering. De blinde jongen schreef in hanepoten enkele woordjes neer voor zijn Belgische bezoeker: ''s Nachts is niemand blind', en 'Vuur huilt als het brandt, Mr Edgard.'


Onder Mortiers handen wordt alles zacht en week, elke dramatiek en tragiek wordt gesmoord in zijn albasten zinnen. Van de wijsheden die Edgard mag spuien, met zeurderige melancholie in de borststreek en een jankend kruis daaronder, blijft niets over wanneer je er op klopt en in knijpt, in de hoop op substantie. Als gelei glijdt de inhoud naar buiten en sijpelt weg. Vorm die staat als een huis dat er fraai uitziet. Maar geef er geen duwtje tegen, want dan storten alle rijk beschilderde wanden acuut in. 'Ons geheugen wordt pas herinnering wanneer de toekomst het bezoekt en met haar ontgoochelingen besmet.' O dit vermoeide verbalisme - dat heeft míj pijn gedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.