Te Nuyl brengt een pracht-Rusalka

Rusalka, door De Nationale Reisopera in Groningen. Tournee...

Zeemeerminnen zijn vaak verliefd op mensenmannen, en ook het omgekeerde komt voor. De tragiek in zo'n geval, hoe men er ook omheen draait, is dat de zeemeermin geen kut heeft. Dit schijnt op den duur vooral de mensenman te hinderen, maar voor de zeemeermin vormt het toch ook een belasting. Goed aflopen doet het nooit, behalve bij Walt Disney.

In Rusalka, een opera uit 1901 van Antonin Dvorak, is de mensenman een prins, en is de zeemeermin een zoetwaternimf. Voor de rest zijn alle bezwaren hetzelfde.

De nimf Rusalka denkt er wat op gevonden te hebben. Van de heks Jezibaba krijgt ze wat Dvorak en zijn librettist 'voetjes' noemen - wij vermoeden er meer achter, zeker nu we het stuk hebben zien opvoeren in een regie van Peter te Nuyl.

In ruil voor haar anatomische correctie staat de nimf haar stem af. Dat is een ingrijpende ruil, die gevolgen heeft voor de communicatie, maar ook voor de opera van Dvorak. Die moet het op de belangrijkste momenten doen met een niet-zingende hoofdrolzangeres.

Dvorak heeft dit ten dele opgelost. De tweede akte, waarin de mensenman zijn zwijgende schoonheid op de huwelijksdag verstoot ter wille van een mensenprinses, een bruiloftsgast nota bene, is voorzien van aardige feestmuziek. En van turbulente klanken in en rond de partijen van de man en de mensenprinses. Verder wordt een deel van het verhaal niet getoond maar weggeroddeld door een jager en een koksmaat. Dvoraks hoofdrolsopraan, tenslotte, krijgt wat zingen betreft compensatie in de eerste en de derde aktes - die 'natte' aktes, die door haar lange, maanbeschenen solo-episoden van de weeromstuit wat worden vertraagd.

Wat moeten we toch met die brave boswachter Dvorak? Peter te Nuyl en Mirjam Grote Gansey, die Rusalka voor de Nationale Reisopera hebben geënsceneerd, blijken een paar verbluffende antwoorden bij de hand te hebben. En Johan van Slageren, een 33-jarige dirigent die in de theaters van Hildesheim en Wuppertal ervaring heeft opgedaan, blijkt hen daar met zijn accenten en tempokeuzes heel wel in te volgen - al speelt het door hem geleide Orkest van het Oosten nu ook weer niet de sterren van de hemel.

Te Nuyl doet veel met weinig middelen, en legt de metafoor van de uitzichtloze liefde haarscherp vast. Dit in een sobere, strak-esthetische omgeving, waarin Mirjam Grote Gansey het bos het bos laat: de natuur bestaat vooral uit licht. De erotiek is in Te Nuyls regie het werk van krolse katten (Dvoraks 'drie bosnimfen') en een hysterica: de onheilszwangere mensenprinses. Voor Te Nuyl en zijn kostuumontwerper is zij een in violet gehulde roodharige, wier hofhouding bestaat uit vijftien lookalikes, die zich met vijftien heren krampachtig onderhouden - een schitterende oplossing voor de pretentieloze koorscène in de bruiloftakte.

Dat Te Nuyl voor deze Dvorak-exercities het middel gebruikt van de raamvertelling - hij laat de hele opvoering 'dromen' door de acteur Porgy Franssen - kan hem nauwelijks ten laste worden gelegd. De droom van Porgy, een beschroomde mannendroom waarin de ideale verhouding een non-verhouding is, wordt consequent doorgevoerd. Porgy droomt zichzelf hulpvaardig de handeling in, en als het moet droomt hij er, al dirigerend, de muziek bij.

Het is een riskante onderneming, maar zijn stille daden hebben het voordeel dat ze het probleem van een langdurig niet-zingende heldin verzachten. Zijn luisterende aanwezigheid geeft de langere solo-episoden bovendien een doel.

Bij dit alles zijn het voortdurend de kleine dingen die het doen. Schoeisel bijvoorbeeld. Het onzekere voortstrompelen van de oerwijze 'watergeest' (Jaco Huijpen) op koturnen; de eenzame muiltjes die Rusalka na haar terugkeer naar de poel niet meer nodig heeft; het prachtige beeld waarin de dromer de heldin helpt bij haar eerste wankele voetstappen.

En water. Zoals het aquarium dat het toneel op wordt gedroomd ter leninging van Rusalka's heimwee - waar op de achtergrond Charles en Di-achtige bruiloftbeelden worden geprojecteerd.

Het is, na Bernsteins Candide waarvan de uitmonstering werd aangekocht in Schotland, de eerste eigen produktie van de Reisopera. De Reisopera zet er een hoge standaard mee - met een vocaal en fysiek overtuigende Rusalka, de Britse Anne Williams-King, die niet alleen charmeert, maar ook verkilling weet over te brengen. Ze wordt omringd door een overwegend Nederlandse cast, waarin Ellen van Haaren (de prinses) over veel mensentemperament beschikt, Lucia Meeuwsen een onvergetelijke Jezibaba neerzet, en Hubert Delamboye (de prins) een toepasselijke tenorlyriek ontwikkelt - zo'n zilverig 'Tsjechisch' timbre dat herinnert aan bedauwd spinrag.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden