Te kijk in Cuba

Twee Nederlanders op Cuba. De een kwam er al als twaalfjarige om deel te nemen aan een kamp van 'jonge pioniers'....

Ik wilde naar Cuba, en natuurlijk wilde ik dat weer vijfentwintig jaar te laat; want het merendeel van de Nederlandse pelgrimgangers die eind jaren zestig het eiland bezochten en bewierookten, zitten al lang weer veilig thuis, en hebben hun herinneringen op sterk water gezet om bederf te voorkomen; die rage is uitgewoed, de bevlieging voorbij.

Maar ik heb een zwak voor vergane glorie, voor mensen, meningen en modes die overduidelijk achterhaald zijn, maar die desondanks voort moeten, nu zonder glitter, op doordeweekse dagen.

En daarom zocht ik een Nederlandse gids die niet alleen het land kende en vloeiend Spaans sprak, maar die ook in staat zou zijn mij tegen te spreken; zo iemand die het geloof in de Cubaanse revolutie min of meer had bewaard, en mij kon uitleggen waarom ik de dingen anders moest zien dan ik ze zag.

En ik vond R., jongeman van 28 en toch al oud-communist, een prestatie op zichzelf. Twaalf was hij toen hij voor het eerst naar Cuba ging, op aandrang van zijn moeder om daar deel te nemen aan een kamp van 'jonge pioniers', communisten in de dop die uit Roemenië kwamen, Rusland, Nicaragua en twaalf uit Nederland. In een sfeer van vriendschap en verbroedering zouden ze daar hun Cubaanse kameraadjes ontmoeten.

R. herinnert zich vooral die eeuwige rijst met bonen en het gebrek aan frites. Maar begeesterd was hij wel, en op de terugvlucht van Havana naar Amsterdam noteerde hij in zijn tienerdagboek: 'Ik wil zijn zoals Che.'

Che Guevara, maar dat sprak toen nog vanzelf.

Hij beschreef een ideaalbeeld, maar bekwaamde zich tegelijkertijd ook in het communistische genre van de zelfbeschuldiging, want de jonge R. had in Cuba vaker aan ijsco's gedacht dan betamelijk was voor een jonge revolutionair.

Ruim voordat hij de stemgerechtigde leeftijd had bereikt, richtte R. de Communistische Jeugd Bond op, probeerde assistentie te verlenen aan de wereldwijde revolutie in El Salvador en Nicaragua en keerde zo vaak hij kon terug naar Cuba, want dat land bleef zijn eerste liefde, de verwerkelijking van een jongensdroom. Dit neem ik volstrekt letterlijk, want op Cuba heeft hij voor het eerst een meisje gekust.

De laatste drie jaar staat hij kritisch tegenover Fidel Castro, vindt hij zelf. Hij is bereid spaanders aan te wijzen, vergissingen, en gebroken eierschalen. In het laatste artikel dat hij over het eiland schreef, heeft hij ook iemand aan het woord gelaten die de Leider hardop tegensprak.

We nemen bij mij thuis de reis door die ons te wachten staat, met de relevante literatuur om ons heen gespreid. Cuba, ein politisches Reisebuch, waarin het uitputtende hoofdstuk 'wunderbare Solidarität' is opgenomen.

'Zo min mogelijk officiële woordvoerders', zeg ik. 'We moeten mensen vinden die niet uit hoofde van hun functie spreken. Studenten die maar zeer gemiddeld gemotiveerd zijn. Homo's met een minimum aan ideologische correctheid.'

R. knikt en belooft zijn contacten na te gaan. Een half uur later vraagt hij plotseling: 'We hoeven het toch niet constant over homoseksualiteit te hebben, als we daar zijn?'

En dan herinner ik mij weer die oude, politieke hiërarchie, waarin je algemene vraagstukken hebt, zoals de organisatiestructuur van de vakbond en de ontwikkelingen in de landbouw, en particuliere of persoonlijke problemen, die je nooit te serieus mag nemen omdat ze niet objectief zijn en het totaalbeeld vertroebelen.

R. en ik zullen dat spelletje nog vaker spelen. 'Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet.' We willen allebei ooggetuigen zijn, al is de focus verschillend.

Maar ik beloof dat het niet constant hoeft, over die homoseksualiteit, en hij zegt toe dat we ook een dagje naar het strand mogen. Hij zal zich aan zijn belofte houden, ik nauwelijks.

Door omstandigheden arriveer ik een dag eerder in Havana, en als ik R. uiteindelijk in het hotel begroet, heb ik de douanier al gesproken die mijn handbagage inspecteert. Hij ondervraagt me streng (en jaloers) over mijn draagbare computer en schenkt hoegenaamd geen aandacht aan het boek dat ik ernaast heb gestoken, Before night falls van de Cubaanse schrijver Reinaldo Arenas, wiens latere werk in zijn geboorteland nog steeds verboden is.

Ik vind het geruststellend te zien hoe de nieuwsgierigheid naar technologie het bij deze jonge beambte wint van de juiste, ideologische lijn.

Ook Luiz kende ik al, de jongen die me aanspreekt op straat en me meteen de verzekering geeft dat hij niets van me wil, geen dollars of zo. Hij is nu voor onbepaalde tijd werkloos maar maakt eigenlijk sigaren (wil ik sigaren?), heeft een vrouw van 27, een kindje van drie en - sinds gisteravond - een vriendin van zeventien (wil ik een vriendin?). Ik zal nog ontelbare straatverkopers ontmoeten, maar Luiz is een van de weinigen die je op elegante wijze weten af te zetten. Het duurt bijvoorbeeld vier uur voordat hij zijn grootmoeder ter sprake brengt, die oud is en invalide, en medicijnen nodig heeft. Als ik die wil kopen verbetert hij zichzelf: 'Nee, geld voor medicijnen'.

Hij laat me Havana zien en hij wijst me de plek op de Malecon-boulevard waar vandaan twee van zijn neven ontsnapten, in autobanden. Zelf heeft hij natuurlijk ook met het idee gespeeld, maar hij is bang voor haaien, bekent hij, alsof dat heel kleinzerig van hem is. Het langst houdt hij stil voor de Fiat-garage, net geopend, met daarin een nieuwe, zilvergrijze Punto. 'Zijn er nog meer bezienswaardigheden', vraag ik. Hij haalt zijn schouders op.

Omdat mijn koffer niet is gearriveerd heb ik kleren nodig, en Luiz weet de weg, de juiste dollarwinkels. Hij passeert de rij die voor de gesloten deur wacht, klopt, en wijst dan op mij, de buitenlander, die immers een graag geziene gast is. We mogen meteen naar binnen, zelfs hij mag mee. Pas als ik wat onderbroeken en een T-shirt heb afgerekend, en weer langs de rij loop die alleen maar langer is geworden, komt het in me op te vragen met wat voor geld deze mensen dan willen betalen.

Luiz, verveeld: 'Met dollars, natuurlijk.'

'Maar waarom moeten zij dan wachten?'

'Ja, maar dat zijn Cubanen.'

Hij loopt alweer door, maar ik moet er nog even over nadenken. Ik bedoel: het is één ding om te constateren dat de peso, de Cubaanse munteenheid, in de praktijk zijn handelswaarde heeft verloren, en dat Cubanen voor schoenen, broeken en zelfs voor medicijnen dollars op tafel moet leggen. (Lichtelijk schizofreen is het ook: alleen het geld van de gehate vijand telt.) Maar iets anders is het onderscheid dat wordt gemaakt tussen Cubanen en niet-Cubanen die eendere biljetten te besteden hebben. Alsof hetzelfde geld meer waard wordt in buitenlandse handen.

Ik vind het absurd, ik vind het apartheid en Luiz grinnikt om mijn opwinding. Hij zal daarna mijn schuldbesef aanzienlijk verlichten, door mij mee te slepen naar een speciaal eettentje, waar alleen Cubanen komen ('eigenlijk eet je er gewoon bij mensen thuis'), alwaar wij twee kippepootjes zullen nuttigen en de man een kommetje rijst, voor de somma van dertig dollar precies, de glazen water inbegrepen.

Luiz, vermoed ik zo, zal daar toch minstens de helft van terugzien.

Ik was niet helemaal meer een vreemdeling, toen R. ten slotte arriveerde en wij die avond het Prado afliepen, de avenue vlak bij het oude gedeelte van Havana, waar alleen de bomen niet afbladderen. 'Wat een dump', zeg ik, maar R. vindt dat onzinnig en vooringenomen, en ik weer: 'Ja, wacht maar tot je het bij daglicht ziet.'

Zo kibbelen we door, waarschijnlijk ook omdat R. de officiële leidsman is, en ik door mijn vervroegde aankomst al een idee heb van de wonderbare kijkdoos die hij me wilde tonen. Er lopen dus twee Nederlanders over straat, van wie de een al dertig en de ander drie uur op Cuba verblijft, en ze bekvechten over het beheer van Havana.

R. ruikt bekende geuren, herkent oude plekken, en is aanvankelijk heel welwillend wanneer iemand hem aanschiet; de jongen wil best even de politieke situatie met hem doorspreken, maar nog liever iets verkopen. R. wendt zich geïrriteerd af, en vertelt me later dat hij zoiets vijf jaar geleden zou hebben aangegeven bij de politie.

Ik weiger dat te geloven.

'Illegale handel, dat vond ik de corrumpering van het systeem.'

De sfeer wordt er niet gemakkelijker op wanneer ik onder het eten over het boek begin van Reinaldo Arenas. 'Je moet het lezen', vind ik. 'Want de man is een talent. Het is zo iemand die zelfs in de gevangenis zijn gevoel voor ironie weet te bewaren. Hij schrijft over de staatsveiligheidsdienst, de martelingen en intimidaties, maar is het overtuigendst als hij het alledaagse leven schetst; de volstrekt nonchalante manier waarop familieleden, vrienden en collega's bereid zijn elkaar te verlinken en te verraden.'

R. heeft ervan gehoord, Arenas, homoseksueel, schrijver, jazeker, maar ben ik niet te goed van vertrouwen? Kan zo iemand het geheel overzien, blijft hij niet steken in persoonlijke ontboezemingen? Mensen zijn zo snel geneigd hun eigen lot te overdrijven.

Volgt een discussie over fundamentele kritiek en bijzaken, over objectiviteit en eigen ervaringen, over de misleiding van de Amerikanen en de vraag of er überhaupt politieke gevangenen op Cuba te vinden zijn. In een uur tijd komt de Koude Oorlog weer tot leven, onder het toeziend oog van een geeuwende ober en een blonde pianiste die houdt van marsachtige ritmes.

Als we ten slotte iets te beleefd afscheid nemen om naar onze kamers te gaan, pakt R. uit zichzelf het boek van tafel.

Het is niet zo ver naar het Lenin-park, zo'n 25 kilometer, het ligt even buiten de stad, maar wij hebben fietsen gehuurd en het is warm en smoggy en Havana neemt maar geen einde. Onderweg passeren we stalletjes waar ze koffie verkopen en zanderige koeken die niet onder staatcontrole staan. R. verbaast zich het eerste kwartier nog over de wildgroei die in een paar jaar tijd om zich heen moet hebben gegrepen, maar stapt na 20 kilometer toch van zijn fiets en bedrijft privé-handel.

We zijn op weg naar het Paleis van de Jeugd, waar R. als twaalfjarige in de rij stond om Fidel toe te juichen, samen met de andere pioniertjes, van wie de Oostblokkers het saaist waren. Met de Cubaanse kinderen kon hij het goed vinden, al sprak hij toen nog geen woord Spaans. En de delegatie uit Nicaragua was het populairst, herinnert hij zich, want het was 1979 en toen gebeurde het daar net.

Wat?

De sandinistische revolutie, natuurlijk.

Er is een grote betonnen bak met daarin een boom van ijzer, of meer het rudimentaire idee van een boom, en hoewel er niets meer klatert of spettert, besluiten wij dat dit ooit een fontein moet zijn geweest.

'Herken je het?', vraag ik aan R.

'Ja, ja, alleen lijkt alles nu veel kleiner.'

Hij loopt de trappen op met de grindtegels, waartussen zich een lief laagje mos heeft ontwikkeld; kaarsrechte rug, schouders gestrekt. En in een flits zie ik hem hetzelfde doen, maar dan veertien jaar geleden, in een uniformpje dat hem ongetwijfeld te krap zat, want Cubaanse maten.

'Het ziet er nog goed uit', zegt hij, en dat beaam ik meteen: het Paleis van de Jeugd is het best onderhouden gebouw dat ik tot nu toe op Cuba heb gezien. Op de binnenplaats staat hij stil en probeert de positie van toen te hervinden.

'En wat deden jullie dan?'

'We zongen, en we wachtten op Fidel, die het Paleis officieel zou openen. Dat duurde een paar uur, maar toen hij eindelijk kwam was ik behoorlijk onder de indruk.'

R. zoekt zijn geheugen af en ziet dan Castro weer voor zich die op een gegeven moment aan de kinderen vroeg: 'En hoe moet het Paleis heten? Harder, harder, ik versta jullie niet', waarop het als een stem klonk: 'Che Guevara. Che Guevara.' En zo geschiedde.

'Maar hoe kwamen jullie daar zo snel op?', wil ik weten.

'Dat bedacht ik niet, dat riep de Cubaanse delegatie. Zal ze wel van te voren ingefluisterd zijn.'

'En vond je dat geen nep?'

'Nee', zegt R. bokkig, 'ik vond het mooi, dat gevoel van eenheid met zijn allen.'

We dwalen door de gangen waar zich wel ouderen ophouden, meest in militant aandoende kledij, alleen de Jeugd komen we niet tegen. Wel veel tanks: op de borden die naar de diverse zalen verwijzen hebben ze tanks getekend, bij wijze van illustratie; in de tuin staan modellen van tanks op schaal en middenin de conversatiezaal bevindt zich er een op ware grootte.

'Ik vind het zo weinig geschikt voor kinderen.'

'Och', zegt R.

Pas als we langs de kantine lopen, en R. de geur opsnuift van de gaarkeuken, komt er spontaan een herinnering naar boven. Hij maakt een braakgeluid.

'Oh, dat eten van toen.'

'Was het goor?'

Maar hij herneemt zich en zegt net zo flink als hij toen al wilde klinken: 'Nou ja, het viel eigenlijk best mee.'

Wanneer we al weer terug zijn in de stad, en bij Copelia een ijsje eten waar R. nu zonder schuldbewustzijn van lepelt, vraag ik hem of hij het eigenlijk naar zijn zin heeft gehad, daar op dat pionierskamp.

Hij zegt dat het soms wel eenzaam was, maar toch ook leerzaam en interessant. En voor het eerst die reis voel ik niet de behoefte hem tegen te spreken, maar om hem te troosten, ik weet niet eens precies waarmee.

Wij zitten nog aan tafel in het hotelrestaurant en wachten op het wisselgeld, als R. de twee Cubanen in het bargedeelte opmerkt die overduidelijk met ons in contact proberen te komen. Ik draai me om en zie een kleine gedrongen jongen van om en nabij de 25, en een lange, stevige jongen van dezelfde leeftijd. Ze lachen allebei naar ons, maar ik verbeeld me dat de lange dat mooier doet.

Hij heet Raul en is zanger, kom ik even later te weten als ik met ze in gesprek raak. R. volgt de conversatie met een half oor. Ik denk wel: gek, zanger, voor zo'n jongen met een vlakke stem die kraakt. Maar dat hij homo is kan ik zo geloven, ook zonder zijn uitdrukkelijke bevestiging.

R. is moe en wil naar zijn kamer. 'Verder lezen in Arenas', zegt hij met een knipoog en vertrekt.

Dan vraagt de kleine jongen of ik zijn vriend aantrekkelijk vind. 'Je kan het rustig zeggen', voegt hij eraan toe 'want zelf val ik meer op meisjes'. Als ik het beaam, kijkt iedereen heel gelukkig, vooral de lange, en voel ik een knietje onder tafel.

Maar dit hotel is saai, vinden ze, we moeten de stad in, dan zullen ze me laten kennismaken met de scene. Mij lijkt het een goed idee om ook eens die andere paleizen van de jeugd in ogenschouw te nemen. De eerste stop is een cafetaria, met hel tl-licht, waar zich een schimmige discussie ontwikkelt tussen de beide vrienden, in het Spaans, zodat ik het maar voor de helft kan volgen.

Als Raul even naar de wc is, zegt de kleine met de naam die helaas niet onvergetelijk bleek te zijn, dat hij zo af en toe ook iets voor jongens voelt. En mij vindt hij leuk, dat ik het maar weet.

Ik zeg hem, ook uit eigenbelang, dat men niet te lichtzinnig van geslacht moet wisselen.

Maar Raul is al weer terug en stelt een openlucht café voor met levende muziek. Dronken zijn we geen van allen, aangeschoten wel, en in de stemming om liederen te zingen. Maar bij aankomst is de verstandhouding tussen de beide vrienden ronduit vijandig geworden. Gesprek op hoge toon. Raul legt me in het Engels uit dat ik moet kiezen, tussen hem of de kleine. En inderdaad nemen ze nu aan een verschillend tafeltjes plaats, met ieder een eigen gezelschap om zich mee te amuseren. Ik pendel tussen de twee kampen, en zou me gevleid hebben gevoeld als ik niet geacht werd alle drankjes te betalen.

Soms trekt Raul zich even terug en dan zie ik hem staan praten met een agent, net buiten de lichtkring die de lantaarns verspreiden. Dit zou ik in Nederland hooguit eigenaardig vinden, maar op Cuba lijkt het me verdacht.

Later pas zal ik me Arenas herinneren, die schreef over de zogenaamde 'royal gay', de nicht die met rust gelaten wordt omdat hij informant is bij de politie en andere homo's aangeeft.

Wel was ik toen al zover dat ik dacht: naar het hotel.

Net op het moment dat ik afscheid wil nemen van de kleine - Raul is nergens te bekennen - komen er mannen in uniformen aangestormd die ons op de grond gooien. Ze pakken nog wat andere jongens op en schreeuwen voortdurend. Ik begrijp niet alles, maar maricon (flikker) versta ik moeiteloos. Iemand geeft me een trap. Raoul schreeuwt dat ik een buitenlander ben. Dat geloven ze niet. Ik zeg in het Engels dat ik een buitenlander ben. Korte stilte. Dan wordt ik opgetild en krijg een duw. Ik ben allesbehalve solidair en ren weg. Ze laten me ook ontsnappen, want supersnel kan ik niet geweest zijn. Twee straten verder durf ik zachter te gaan lopen en ontdek wat scheuren, schaafwonden en een beschaafd beetje bloed - te weinig in ieder geval om voor martelaar te kunnen spelen.

En terwijl ik mijn weg probeer te vinden naar het hotel, zie ik twee mannen die ik eerder heb gezien (in het café?), homo's, lijkt me, van het meelevende soort: 'De klootzakken. Kom, ik woon hier om de hoek, dan maken we die wonden even schoon.'

Ik moet in de war zijn geweest, want ga blindelings met ze mee, huis in, trap af, naar het souterrain neem ik aan.

Ik sta in een kelderachtige ruimte met tralies die uitkijken op de straat; een soort opslagplaats voor leveranciers, en ik hoor de deur achter me dichtklappen.

Dit begrijp ik niet. Ik roep: 'Hello, hi where are you.'

Er gebeurt niets. Ik rammel aan de deur, maar die zit op slot. Even later zie ik de twee terug aan de andere kant van de tralies, aan de straatkant, in gezelschap van een derde man die lachend voorbijgangers wenkt om naar mij te komen kijken. Het is heel vroeg in de ochtend, vijf, zes uur schat ik zo, dus er zijn gelukkig weinig voorbijgangers. Met moeite krijgt hij er tien bij elkaar.

Dan steekt hij een toespraak af, wijzend op mij, met veel kapitalisten er in en flikkers en varkens, maar zoals gezegd, mijn Spaans is slecht. Zelden heb ik zoveel succes gehad bij een publiek, de mensen lachen.

Het duurt hooguit een half uur, en ik denk achtereenvolgens aan Jules Croiset, en als dat niet helpt en de grijnzende gezichten niet wijken, denk ik: 'Je bent er niet. Dit wordt gewoon een verhaal, later, in de Volkskrant. Tem het tot een verhaal.'

Maar als het hek eindelijk openzwaait en ik zo maar weg mag, de straat op, ben ik daar te moe voor. Ik wil geen pen of papier, maar een deur met sloten die je twee keer om kunt draaien. Ik bereik het hotel, vind mijn kamer en sluit dit keer mezelf in.

R. luistert naar me, en dat doet hij aanvankelijk vol begrip. Ik probeer mogelijke verklaringen op hem uit: was de spreker voorzitter van het Wijkcomité ter Verdediging van de Revolutie, en moesten de twee nichten een wit voetje bij hem halen? Het was zo duidelijk dat niet mijn kapitalisme aan de orde werd gesteld, maar hun gebrek aan kapitalisme. Dit was geen revolutionaire woede waarmee ik werd geconfronteerd, maar het ressentiment van mensen die voortdurend toeristen tegenkomen die voordringen en dollars uitgeven, en die nu met leedvermaak zien dat de rollen zijn omgekeerd.

Maar dan zeg ik iets te stoer, in een poging wat zelfvertrouwen terug te winnen: 'Nou, dit is kennelijk Cuba. Mijn verhaal is af.'

Waarop R. begint over het totaalperspectief, en dat ik niet zo snel mag oordelen; over al te persoonlijke indrukken, en de vertekening die dat kan geven; over de literaire overdrijving, en of ik zeker weet dat een en ander zo gebeurd is; over de onbevooroordeelde, open blik, en dat er in dit land toch veel moois gebeurd is op het gebied van de alfabetisering.

Dat laatste is overigens het enige wat R. niet te berde heeft gebracht. Ik vul dat in gedachten aan, onterecht en oprecht kwaad.

Paranoia: zittend op het dakterras van het hotel, waar een Cubaanse vlag wappert in de wind, kan ik daarin alleen maar het klappen van een zweep horen.

Mijn god, zeg ik tegen mezelf, je mag wel oppassen.

Zelfde dakterras, 's avonds, twee dagen later.

R. heeft meegelopen in een mars ter ere van Marti en Maceo, de twee historische, door de communisten geannexeerde helden van het land. Hij heeft met een fakkel gezwaaid, en nog een keer die sensatie ondergaan van een massa met een mening. Bovendien bleek het gerucht te kloppen dat Fidel zelf zou verschijnen. Hij heeft alleen niets gezegd, vertelt R., hij stond daar maar als een wassenbeeld op het podium en deed zijn mond niet open.

Ik ben in het hotel gebleven, omdat het verzamelpunt hier was en ik meende vanaf het dakterras een beter overzicht te hebben.

Goed, ook wegens schichtigheid op straat.

Gezien heb ik weinig, gehoord alles. Dezelfde kapitalisten en imperialisten, hetzelfde opzwepende ritme dat ik me herinner van die hele vroege ochtend - alleen nu beantwoord door een duizendkoppig publiek.

'Ik wil weg uit deze stad', zeg ik tegen R. 'ik wil een dagje naar het strand.'

R. stemt zonder morren toe. Dan pakt hij het boek van Arenas uit zijn tas, en een blocnote.

'Wat doe je?'

'Ik wil wat citaten overnemen. Het is soms toch wel erg goed.'

Het is lekker donker, en ik zie hem niet blozen.

Met dank aan Remko van Broekhoven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden