Te abstract voor het gedroomde publiek

Zijn gedurfde analyses hebben socioloog Willem Schinkel de nodige faam bezorgd. Met De gedroomde samenleving mikt hij voor het eerst op een groot publiek....

Een proefschrift dat de hemel in werd geprezen, een publicatie kort daarop die gekarakteriseerd werd als ‘één van de meest gedurfde, originele en bevlogen boeken die ooit in de Nederlandstalige sociale wetenschap zijn verschenen’, een optreden afgelopen zondag bij Zomergasten, wat wil je nog meer als aankomende, jonge socioloog? Voor Willem Schinkel was dit kennelijk niet genoeg. Hij mikt duidelijk ook op een groot lezerspubliek. Aspects of Violence, zijn proefschrift over geweld was gericht op collega’s in de sociale wetenschappen. Paul Schnabel, verder vol lof, wees op ‘steeds abstracter wordende betogen die bladzijden lang zonder onderbreking worden voortgezet op een steeds dikker fundament van voetnoten’. Datzelfde geldt voor Schinkels volgende boek: Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Ook hierin stond de – vaak zeer abstracte – theorie centraal. Voedzaam voer voor sociale wetenschappers en filosofen, maar veel te zware kost om direct in een breed maatschappelijk debat een rol te spelen.

Toch wil Schinkel juist als wetenschapper zijn stem in het maatschappelijk debat laten horen. In Denken in een tijd van sociale hypochondrie verwijst hij vol ergernis naar de ‘pseudowetenschappelijke legitimatie’ die Paul Scheffer en Paul Schnabel aan het integratiedebat hebben gegeven. Hij verwaardigt zich zelfs niet om Het multiculturele drama van de eerste, die hij als ‘journalist en dagbladauteur’ beschouwt, in zijn toch zeer uitgebreide literatuurlijst op te nemen. Zelf pretendeert hij als wetenschapper ‘het niveau van het debat’ op te krikken.

In zijn voorwoord bij De gedroomde samenleving stelt Schinkel dat hij ‘op een zo toegankelijk mogelijke manier (...) een zo groot mogelijke lezersgroep’ wil bereiken. Om het maar meteen te zeggen, volgens mij is dit project grandioos mislukt.

In de eerste plaats lukt het Schinkel gewoon niet om zijn theoretische en abstracte stijl te veranderen. Het dit keer volledig weglaten van voetnoten en verwijzingen die een breed publiek zouden kunnen afschrikken, werkt zelfs averechts. Al op de tweede pagina van zijn tekst merkt Schinkel op dat de vele aanhalingstekens nodig zijn ‘omdat ik citeer’. Waaruit hij citeert en waarnaar hij verwijst, blijft echter het hele boek door onduidelijk.

Voetnoten en verwijzingen dienen niet alleen om voor de lezer een tekst controleerbaar te maken. Ze dwingen een auteur zelf ook om niet zomaar uit de losse pols wat beweringen te doen. De gedroomde samenleving bevat veel oncontroleerbare en soms gewoon onjuiste beweringen.

Schinkel illustreert zijn centrale begrip ‘sociale hypochondrie’ (dat slaat op de wijze waarop een samenleving zich via ‘onderbuikgevoelens’ obsessief met zijn eigen kwalen bezig houdt) met verschillende historische verwijzingen. De eerste is naar de opkomst van de gnosis ‘toen het West-Romeinse rijk afbrokkelde’. Deze neergang begon tegen het einde van de 4de eeuw. De verlossingsmysteriën van de gnosis waren juist nadrukkelijk aanwezig in de tweede eeuw toen het gehele Romeinse rijk een bloeiperiode doormaakte. Ook de verwijzing naar Foucault die de negentiende-eeuwse bevolkingspolitiek met sociale hypochondrie verbonden zou hebben, is onzinnig. Foucault verwijst juist naar het zelfbewustzijn van de opkomende bourgeoisie.

Wanneer Schinkel zichzelf als wetenschapper gedwongen had om zijn beweringen te onderbouwen, waren we ongetwijfeld van dit soort ontsporingen verschoond gebleven.

De ergste is misschien wel de uitgebreide verwijzing naar Samuel Huntingtons beroemde boek over ‘de botsing van beschavingen’. Terwijl Huntington juist pleit voor terughoudendheid van het Westen ten opzichte van andere culturen en elke pretentie van een universele beschaving scherp afwijst, schuift Schinkel hem precies het omgekeerde in de schoenen. De strijd der beschavingen is volgens hem in feite een strijd om de verbreiding van de universeel geachte westerse cultuur.

Op deze wijze past Schinkel een boek dat hij blijkbaar niet heeft bestudeerd naadloos binnen zijn eigen schematische weergave van het culturele integratiedebat, het hoofdonderwerp van De gedroomde samenleving. Volgens dit schema suggereert alleen al het begrip ‘integratie’ automatisch dat er groepen (vooral allochtonen, maar ook gedetineerden, gekken, werklozen en ouderen) totaal buiten de samenleving zouden staan. Omdat dit overduidelijk niet het geval is, worden ze op deze wijze er juist buiten geplaatst. Ze zouden niet in de ‘normale’ samenleving passen. Spreken over integratie behelst volgens Schinkel dus het uitoefenen van structureel geweld.

Deze schematische constructie waarop het hele betoog van De gedroomde samenleving gebaseerd is, lijkt mij – om ook maar eens een zwaar sociologisch begrip te hanteren – een op reïficatie (verdinglijking) berustend misverstand. Schinkel laat elk actief spreken over een samenleving waarbinnen mensen geïntegreerd kunnen worden of juist uitgesloten, stollen tot een afgebakend organisme met vaste grenzen. De grote vraag of we, niet alleen in ons dagelijkse spraakgebruik maar ook in onze wetenschappelijke taal, zonder dit soort beelden van de samenleving kunnen, stelt hij niet. Zelf heeft hij het bijvoorbeeld ook onbekommerd over ‘mensen die uit de boot vallen’, terwijl een door hem bewonderd socioloog als Zygmunt Bauman het heeft over de ‘buitenstaanders’ in onze consumptiesamenleving. Oefent Schinkel die het structurele geweld van het integratiedebat wil aanklagen, nu echt met dit taalgebruik zelf structureel geweld uit?

Het zal duidelijk zijn: als Schinkel zich bij zijn wetenschappelijke leest houdt, verdient de prikkelende inhoud van wat hij te melden heeft in het maatschappelijk debat meer aandacht dan hij tot op heden kreeg. Dat vraagt misschien enige tijd. Met een te snelle popularisering bereikt hij echter het omgekeerde van wat hij beoogt.

Hans Achterhuis

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden