Tasten naar het raadsel van de ontroering

DE ENGELSE DICHTER James Fenton heeft een ongebruikelijk grote belangstelling voor de technische kanten van de poëzie in het algemeen en voor de ontstaansgeschiedenis van allerlei individueel dichterschap in het bijzonder....

En hij heeft een ongewoon grote belangstelling voor het thema 'dichters en oorlog', wat voor een Engelse dichter die in het laatste kwart van de twintigste eeuw zelf begon te schrijven niet zo vreemd is - en al helemaal niet voor de dichter James Fenton, die ooit oorlogsverslaggever was in Zuid-Oost Azië en indertijd als een van de laatste het vallende Saigon verliet.

Dat Fenton gefascineerd is door de techniek van het dichten is goed te zien aan zijn eigen werk. Hij publiceerde, behoudens enkele kleinere uitgaven in eigen beheer, twee bundels: The Memory of War and Children in Exile, in 1983, die inderdaad onder meer over zijn eigen ervaringen met het oorlogsgeweld handelde, en in 1993 Out of Danger. Die bundels kregen een groot lezerspubliek en zijn tot op de huidige dag verkrijgbaar. Samen met John Fuller maakte hij bovendien een bundel virtuoze parodistische en spottende verzen, Partingtime Hall. Zijn werk moet je niet zozeer lezen als wel voorlezen: pas dan wordt duidelijk hoezeer Fenton gesteld is op de klassieke kwaliteiten van de poëzie.

Het is alsof zijn gedichten elk een eigen maar verborgen melodie hebben. Die melodie is dwingend: het is even zoeken en proberen, maar na een keer of wat openbaart ze zich en weet je ook meteen dat er geen andere is.

Wie hem ooit heeft zien voorlezen zal zich dat de rest van zijn leven blijven herinneren - 'zien', inderdaad, en niet alleen horen. De ogenschijnlijk timide dichter met het merkwaardige eivormige hoofd, onwaarschijnlijk groot en kaal, verandert zodra hij zijn werk ten gehore moet brengen in iemand die zelfverzekerd samenvalt met wat hij zegt. Hij leest vanuit zijn knieën, zangerig en meeslepend, rappend haast. Een gedicht als 'The Thing that People Do', uit Partingtime Hall, of het prachtig bezwerende 'Tiananmen' uit Out of Danger kan ook haast niet anders gelezen worden als in een mimicry van de wijze waarop de dichter dat zelf doet: staand en verend.

In 1994 werd Fenton voor vijf jaar benoemd tot hoogleraar poëzie in Oxford, als opvolger van de Ierse dichter Seamus Heaney. Net als Heaney heeft hij de colleges die hij daar gaf na afronding van zijn professoraat nu gebundeld, in The Strength of Poetry.

De twaalf opstellen in die bundel gaan over enkele van de grote dichters in het Engels uit de twintigste eeuw, Wilfred Owen, Philip Larkin, Marianne Moore, Elizabeth Bishop en W.H. Auden, met terugblikken op de oudere Engelse poëzie.

Het zijn telkens precieze studies van hooguit een handvol gedichten van die dichters of zelfs maar enkele strofen of regels, waarbij Fenton gebruik maakt van hun biografieën om tot een beter begrip van hun werk te komen. Wél close reading, maar geen overdreven preutsheid in de benadering van wat voor saaiere geesten een autonome tekst heet te zijn.

In zijn pogingen om tot een beter begrip te komen van het werk van Wilfred Owen, een van de klassieke Engelse 'war poets', omgekomen op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog, een week voordat in november 1918 de wapenstilstand werd overeengekomen, betrekt hij diens homoseksuele coming out rechtstreeks op de rijping van zijn jeugdig dichterschap.

Citaten uit brieven en fragmenten van verzen worden naast elkaar gelegd om te laten zien welke metamorfose Owens poëzie onderging onder invloed van zijn seksuele bewustwording. Daar is niets dramatisch of pathetisch aan, in de benadering van Fenton, maar wel werpt het licht op een verandering van toon in de verzen van Owen.

Het opstel over Philip Larkin probeert tot een beter begrip te komen van diens chagrijn, zijn karakteristieke gemopper over het verval van alles wat mooi en aardig was aan het Engeland van Larkins jeugd. Dat heeft betoverend mooie regels opgeleverd - 'What will survive of us is love' of 'They fuck you up, your mum and dad' -, maar waar komt het uit voort? Fenton schetst de geestesgesteldheid van het gezin waarin Larkin, die zich het grootste deel van zijn leven had teruggetrokken als bibliothecaris in Hull en zich daar op het kokette af liet voorstaan op zijn afzijdigheid, opgroeide. Een vader die er in de jaren dertig vanuit een grenzeloos pessimisme op gokte dat Hitler de ophanden oorlog wel zou winnen en dat het met het Engeland van zijn dagen nooit meer wat zou worden, een speurtocht naar overlevenden in het even later plat gebombardeerde Coventry, Larkins geboorteplaats.

Fenton probeert erachter te komen welke verhouding er bestaat tussen Larkins gesomber in zijn poëzie en zijn reële ervaringen. Feitelijk geven die lang niet altijd zoveel aanleiding te zien voor zijn cultuurpessimise; de wijzigingen die hij op verzoek van de verantwoordelijke minister aanbracht in een in opdracht van de overheid geschreven gedicht over natuur- en cultuurbehoud zijn zelfs hilariteit verwekkend. Larkin deed daar aanvankelijk scherpe uitspraken in, maar was nadat de minister bezwaar had gemaakt even vrolijk bereid daar een nettere en lichtere toon in aan te slaan. Waar blijf je dan met je door het lot bepaalde sombere dichterschap?

Zo gaat het keer op keer in Fentons beschouwingen: de praktijk van het dichterschap is een stuk trivialer, maar ook een stuk onthullender dan de bekende voltooide verzen in al hun geheimzinnige schoonheid suggereren. Dat lijkt soms op het intrappen van een open deur, maar in hun onderlinge samenhang en verbeten concentratie op het ambacht van de dichter brengen Fentons colleges wel degelijk iets aan het licht.

Het meest expliciet komt dat aan de orde in het openingsstuk van de bundel, 'A Lesson from Michelangelo'. Daarin behandelt Fenton de artistieke leerschool, de school der poëzie, aan de hand van een voorval uit het leven van Michelangelo. Een van diens leerlingen presenteerde de meester een ontwerp in was en Michelangelo reageerde daarop door het beeld met een paar ferme handbewegingen te vernielen en helemaal opnieuw te beginnen. In een mum van tijd staat er een nieuw beeldje - en zendt Michelangelo zijn leerling heen met de woorden: ga nu eerst maar eens de kunst van het ontwerpen leren, voordat je je toelegt op de kunst van het voltooien.

Dichters kennen, anders dan componisten, uitvoerend musici of beeldend kunstenaars, geen vakopleiding. Zij zijn hun eigen leraar, wat voor een beginnende dichter een paradoxale toestand is - maar niet alleen voor een beginnend, ook voor een gevestigd en beroemd dichter. Daarom betrekt Fenton in het bestuderen van hun versregels ook hun andere schrijfsels: elk van hun zinnen is een oefening. Het is daarom ook zo lastig aan te geven waarmee je het resultaat beoordeelt; de autodidact kent geen andere norm dan die van zijn eigen verstand, gevoel en smaak.

Tegelijkertijd schuilt daarin ook de verrassende kracht van de poëzie. Iedere regel is een oorspronkelijke uitvinding, die op zijn eigen merites beoordeeld moet worden. Maar welke die zijn, is niet eerder vast te stellen dan wanneer de regel er staat. De poëzie moet het hebben van onvergetelijke, onuitwisbare regels - maar aan die wetenswaardigheid heeft de dichter niks.

Hij staat er alleen voor. Lezen helpt, voorlezen helpt ook, maar het is, zelfs samen, ontoereikend. Daarin onderscheidt de poëzie zich, ten minste gradueel, van de andere kunsten.

Dat merkwaardige samenvallen van de dichter met zijn gedicht of die onvoorwaardelijke overgave van de lezer aan een gedicht dat hij niet geschreven heeft, maakt tegelijkertijd het raadsel en de kracht van de poëzie uit.

James Fenton kan de procedure die daaraan ten grondslag ligt - de kunst van het modelleren en die van het voltooien - sleutelend aan andermans werk en het zijne in zijn uiterste voltooiing presenterend een beetje verhelderen.

Dat is al heel wat, voor een dichter die even professor werd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.