Tararaboemdiee, de Grondwet biedt de burger geen garantie tegen misdaad

In 1986 kopte Het Parool: ‘Chocolade verstopt riolering Tel Aviv’. En in oktober 1987: ‘Reusachtige cake zet Turijn op stelten’....

Marjolijn Februari

Eigenlijk zocht ik geen knipsels over cake en chocolade, maar een berichtje dat ik twintig jaar geleden uit de krant knipte over een overval op een boekhandel. De gewapende overvaller ging er haastig vandoor met een boek en werd een uur later door de politie ingerekend toen hij op een bankje in het park zat te lezen.

Enfin, dat verhaal kan ik nu dus jammer genoeg niet meer vinden. Wel duizenden andere knipsels over kunst en misdaad, over taal en psychiatrie, en over allerhande wereldgebeurtenissen die u al lang bent vergeten, maar die ik nog in mijn archieven bewaar. Van ‘Filosofie ontbreekt op Parijse sekstentoonstelling’ tot ‘Kok doodgestoken op de lpg-tanker Immanuel Kant’.

Dat ik op zoek ging naar het bericht over de boekendief stond in verband met de spectaculaire kunstroof van deze week in Zwitserland. Van tijd tot tijd verdiep ik me in kunstdiefstal, omdat ik intuïtief sympathie voel voor dat soort dieven. Je zou in deze onartistieke tijd immers bijna vergeten hoe belangrijk schilderijen zijn, als niet af en toe in het Zwitserse Pfäffikon een paar Picasso’s werden gestolen en nog een mooie Cézanne in de rijke buurt van Zürich. Sterker nog, er zijn zeker duizend kunstroven per jaar in Zwitserland – dat moet wel echte liefde zijn.

Maar tegelijk bestrijd ik die intuïtie. Het mag dan waar zijn dat overvallers meer oog hebben voor de waarde van kunst dan anderen, het blijven overvallers die op geld uit zijn en daarbij met grof geweld een hoop onnodige schade aanrichten. En bovendien, intuïtie is weliswaar een goed uitgangspunt voor het vellen van een oordeel, maar de beste test of je het werkelijk meent met je sympathie voor kunstroof is de vraag of je het zelf zou doen – een bivakmuts op en dan Van Goghs bloeiende kastanjetak van de muren rukken? Neen, niet ik.

Op zoek in mijn archieven kom ik ook een knipsel tegen, vermoedelijk uit 1996, over de etymologie van het woord Tararaboemdiee. Taalkundige Ewoud Sanders schreef indertijd in NRC Handelsblad dat het lied al een tijdje zonder veel succes door Amerika reisde; totdat in 1891 de roodharige zangeres Lottie Collins het naar Londen haalde. Zij begon haar uitvoering nog kalm en bedaard, maar zette dan bij het refrein de handen in de zij, gooide haar benen hoog in de lucht en begon een snelle dans waarbij rode krullen en wijde rokken alle kanten uit dwarrelden en wapperden. Ta-ra-ra boom-de-ay!

‘Het lied’, citeert Ewoud Sanders zijn bronnen, ‘was een klap in het gezicht van het Engelse fatsoen.’ Waarom? Niet omdat dat tararaboemdiee nu op zich zo onfatsoenlijk was, maar omdat de uitbundigheid van het refrein de uitdrukking was van een nieuwe vrijheid, een tomeloosheid die brak met de rigiditeit van het tijdperk ervoor. Het werd een megahit. De roodharige Lottie Collins betaalde overigens een hoge prijs: ze stierf toen ze nog maar vierenveertig was. ‘Volgens sommigen omdat de woeste vertolking van ‘Ta-ra-ra boom-de-ay’ haar had uitgeput.’

Zittend bij mijn openstaande dossierkast maak ik korte metten met mijn eigen sympathie voor kunstdiefstal. Er is namelijk een verschil dat ik goed in de gaten moet houden – tussen kunst die breekt met het heersende fatsoen en misdaad die zich met de kunst bemoeit. Een verschil tussen de wereld van de geest en de wereld van de daad: tussen Lottie Collins met tararaboemdiee en het stelen van Picasso’s in Pfäffikon. Je kunt sympathie hebben voor het wilde en ongereglementeerde denken en zingen, maar niet voor bewapende overvallers met bivakmutsen. In de wereld van de daad mag veel nu eenmaal minder.

Dit lijkt me ook een nuttig onderscheid in de discussie over de beveiliging van Ayaan Hirsi Ali in de Verenigde Staten. Om de verontwaardiging van Joost Zwagerman voor te zijn, verklaar ik hierbij plechtig dat ik altijd een voorstander ben geweest van verregaande beveiliging toen Ayaan Hirsi Ali nog in Nederland leefde. Dat kan ik bewijzen. Een gemeenschap moet immers fier om haar bedreigde parlementariërs heen gaan staan; dat geldt voor Geert Wilders net zo goed als voor Hirsi Ali. Die bedreigde parlementariërs hoeven daarvoor niet op Voltaire te lijken, en de meesten doen dat ook niet.

Sommige cabaretiers die nu aandringen op het continueren van de beveiliging voor Hirsi Ali in het buitenland, verwijzen daarbij naar de Grondwet. Maar die verwijzingen zijn niet steeds even to the point. De Grondwet garandeert burgers vrijheid van meningsuiting, dat wil zeggen dat de overheid die vrijheid niet nodeloos mag beperken, het is een recht dat behoort tot de wereld van de geest. Je mag meningen hebben en uiten, boeken schrijven, Voltaire citeren, tararaboemdiee zingen, en de overheid kan het je niet zomaar verbieden. Maar die Grondwet biedt burgers geen garantie tegen misdadigers.

Voor misdaad geldt een heel ander regime – misdaden mogen niet, de overheid vervolgt ze en berecht ze, maar kan niet garanderen dat ze ze altijd voorkomt. Als ik een serieuze politicus was, zou ik daarom aarzelen om verantwoordelijkheid te nemen voor een bedreigde opiniemaker in een land dat buiten mijn invloedssfeer ligt. Want verantwoordelijkheid nemen voor andermans leven is geen spelletje, geen blijk van goede wil en geen lakmoesproef voor je eigen intellectualiteit.

Als je beveiliging biedt, doe je een praktische belofte, en zo’n belofte moet je zo goed mogelijk waar kunnen maken. De discussie over de beveiliging van Hirsi Ali zou daarom wel eens wat meer over die wereld van daad en misdaad mogen gaan dan over Voltaire.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden