Tarantula's? Daar moet je omheen lopen

Anders dan reisboeken en vakantiegidsen beweren, is een reis naar het hart van de jungle een relatief eenvoudige onderneming. Tussen Schiphol en de Rosevelt..

Jeroen Trommelen

piek in Suriname ligt nog geen week. Om er te komen voldoen een paar telefoontjes, een jaar flink sparen en een serie inentingen. Vanaf Schiphol is de reis naar de Roseveltpiek binnen een kleine week te doen. De logistiek is nauwelijks ingewikkelder dan bij een fietstocht over de wadden. Je neemt een lijnvlucht van de KLM naar Paramaribo en vanaf daar een Twin Otter van Surinam Airways. Zo beland je in Drietabbetje, waar je een gids zoekt met een korjaal, een stuurman en een kok. Vanaf hier is het nog drie dagen varen over de Tapanahony, maar dat is geen straf. Reizen door het ongerepte regenwoud is baden in een overweldigende stilte, poedelen in de lauwe rivier en klauteren over stroomversnellingen. CenterParcs verbleekt erbij als schaduwen in Plato's grot.

Met de ontbering valt het mee. Het menu van cassavebrood en gekookt, donkerblauw toekan-vlees went na enkele dagen een beetje. Hoogstens blijf je 's nachts onwennig ronddraaien in een te korte hangmat, opgeknoopt onder een bladerdak in de buitenlucht, luisterend naar de brulapen die tegen vijven het daglicht begroeten. Dan begint het bos te dampen, barst de volière los en loeit de nieuwe dag weer aan.

Zo bereik je ongemerkt het leefgebied van de Wajana-indianen, één van de drie indianenvolken die nog in het Surinaamse binnenland leven. De gids neemt de drie betrouwbaarste indianen aan boord, om hem de weg te wijzen en zijn boot over onzichtbare rotsblokken te manoeuvreren.

Gevoegd bij hemzelf, de kok en de stuurman komt het aantal Surinaamse personeelsleden daarmee op zes, wat tegenover een blank vakantievierend gezin van vijf héél even een onwennig, neo-koloniaal gevoel kan geven. Maar het moet, leggen ze uit. Zo is al eeuwen de rolverdeling tussen de boslandcreolen en de oorspronkelijke bewoners van het land. De bosneger organiseert, peddelt, en vervoert vracht en mensen over de Surinaamse rivieren. De indiaan begidst het land en jaagt het eten bij elkaar. Afgerekend wordt die dienst in nieuwe geweerpatronen. En daar heb jié - gast uit Nederland - ruim voor betaald.

Ter hoogte van het indianendorp Apetina is het een halve dag varen over de Tusu-kreek, een zijsprong van de Tapanahony die zelf weer uitvloeit in de Marwowijne. Aan de oever van die kreek volgt een laatste overnachting en alweer een eigenaardig ontbijt van uit de boom geknalde capucijneraap of agami (trompettervogel), geserveerd met een beker regenwater en een taaie lap cassavebrood. Maar ach, de indianen eten niet anders en er is trouwens niks anders.

Volgen op deze dag zes uren van woudlopen, waden, klimmen, zweten, vallen en opstaan - niets indrukwekkends. Een beetje nat en een beetje moe, daar blijft het bij. Ward van acht jaar en Roos van elf banjeren probleemloos achter de Wajana's aan, behalve wanneer die geruisloos op hun teenslippers naar voren schieten, geweer in de aanslag, omdat ze de geur van bosvarken in de neus krijgen. Uiteindelijk halen onze jongste twee de top nét niet, maar voor Arne van veertien is het een eitje.

En daarboven is het. . . wow!

Boven op de Roseveltpiek ligt het enorme Surinaamse binnenland aan je voeten. Een vrijwel onbevolkt gebied, vier keer zo groot als Nederland. Geen menselijk teken zover het oog reikt. Alleen bos, wilde ananassen, het gekrijs van peng-peng-jou's en het gehuil van apen.

Aan de horizon ligt Brazilië, links het oerwoud van Frans Guyana. Ergens beneden zwerven nomadische indianenstammen, onzichtbaar, elk contact mijdend en levend in het stenen tijdperk. Godzijdank heeft de Surinaamse regering de laatste jaren geen 'reddingspoging' meer ondernomen om hen daarvan te weerhouden, en zijn wij al evenmin van plan ze lastig te vallen.

Dit is het dus: de authentieke jungle-experience. Je haalt diep adem, kijkt eens goed rond en denkt héél even aan alle vrienden en collega's die deze zomer weer veiligheidshalve met de tent naar Frankrijk zijn gegaan, of zich op een ingewikkelde fietstocht van Texel naar Schiermonnikoog hebben gestort.

Waarom eigenlijk?

Het is, vrees ik, geen romantische boodschap die ik ga verkondigen. Maar anders dan de reisboeken en vakantiegidsen beweren, is een reis naar het hart van de jungle een relatief eenvoudige onderneming. De verleiding is groot dat ingewikkelder voor te stellen, jawel, ook voor dit verhaal. Wat is er leuker dan je vakantie te beschrijven in termen van een zware expeditie?

En echt gelogen hoeft het niet eens te zijn. Tot diep in de negentiende eeuw verzetten de Aucaner bosnegers, die de toegang tot de Tapanahony controleerden, zich inderdaad met succes tegen ontdekkingstochten in hun achterland. Pas in de jaren zestig werd de rivier toegankelijk voor missionarissen en antropologen. Omgeving en bewoners zijn sindsdien nauwelijks veranderd, maar om er te komen voldoen tegenwoordig een paar telefoontjes, een jaar flink sparen (de reis is duur) en een serie inentingen.

Maar vooral moet je bestand zijn tegen geleuter over donker Suriname en de gevaren van het Amazonegebied, die vervolgens over je losbarsten. Het was, achteraf bekeken, nog de grootste hindernis van de reis. Wie aankondigt naar Suriname op vakantie te gaan, vindt zijn weg geplaveid met bezorgde blikken, vreemde vragen en angstige oma's die kaarsjes opsteken voor de goede afloop.

Zullen we daar niet worden beroofd of onze kinderen worden uitgescholden? Halen we het binnenland wel, met die stakingen en oproer? Weten we dat de medische zorg er uit geldgebrek is gestaakt? En wat dan als je een been breekt of erger? En wat doet Bouterse?

Waarna iemand het boek adviseert dat-je-absoluut-moet-lezen! Tussen Orinoco en Amazone, van Redmond O'Hanlon. 'Want die doet precies hetzelfde als jullie!' En verdorie, op de dag van vertrekt dringt de bestseller zich verleidelijk op naast de toptien-stapel van de kiosk op Schiphol. Intrigerende titel: precies tussen de Venezulaanse rivier Orinoco en de Braziliaanse Amazone, daar ligt inderdaad Suriname.

Maar O'Hanlon, lezen we, was er liever nooit geweest. Hij verdrinkt er bijna in de rivier, meent te worden doodgestoken door de tarantula's, wordt geplaagd door dronken soldaten, nukkige reisgenoten en vijandige indianen. En dit na zelfs in oerwoudtraining te zijn geweest bij de SAS, een Britse elite-eenheid. Wie uitgeput de eindstreep van dit boek haalt, zet zijn leven lang geen stap meer in het Amazonegebied.

Ten onrechte, uiteraard. De werkelijkheid tussen de Orinoco en Amazone bestaat voor ons uit Iwan Kwasiba, overbezorgde Aucaanse bosneger uit Drietabbetje, gids, begeleider en kindervriend. 'Ik heb één belangrijke mededeling', zegt hij. 'Niemand loopt náást mij en niemand loopt vóór mij. Iedereen loopt dus achter mij, begrepen?' Dat is de taal die kinderen snappen, en de rest van de dag wordt een betoverende excursie door het regenwoud. Geen boom zonder functie, geen bloem zonder verhaal en zelfs waar niks te zien lijkt te zijn, valt toch wat te beleven. Zoals de kleine zwerm vliegen die boven een zandhoop danst. 'Daar heeft net een brulaap gepoept.' En mochten we verdwalen, let dan op de brulaap. Wat hij eet, moeten wij juist niet eten. Waardoor we óók moeten letten op de kwata, de slingeraap, want diens dieet is juist geknipt voor ons.

En tarantula's, vragen Ward en Arne alsof ze op schoolreisje zijn. Hoe zit het met die reuzenspinnen van O'Hanlon? Dáár, wijst Iwan naar de grond. Hun huis. Het lijken kleine konijnenholen, afgesloten door een slordig web. In zo'n hol moeten ze hun voet niet zetten - maar dat kan ook niet zolang ze áchter hem blijven, begrepen? Voor schorpioenen is het ook uitkijken en we moeten niet zwemmen op plaatsen waar de rog zit, dus áltijd vragen voordat je in de rivier springt. En bij de schemering uitkijken voor slangen, en boven bij de rotsen alert zijn op poema's.

Maar terwijl Iwan doceert, halen de Wajana's hun schouders op. Slangetjes, tarantula's, poema's, Pfff! 'Daar moet je gewoon omheen lopen', fluistert er een. Bosnegers voelen zich uitstekend thuis op de rivier, gebaart hij. 'Maar in het bos zelf wordt het een stuk minder.'

David, een van de drie Wajana-indianen, bukt zich om een geel-zwarte kikker tussen de bladeren op te rapen en hem levend in zijn buideltas te doen. Hij prevelt een zin waarvan we de woorden two dollars verstaan. Dat is het bedrag, legt hij uit, dat een Amerikaan die soms opduikt in Apetina, voor de zeldzame en beschermde kikker betaalt.

En daarmee dringt de buitenwereld langzaam binnen, zelfs hier midden in het oerwoud. De dag erna zijn we terug in Apetina, het dorp dat op de heenweg onvoorstelbaar primitief had geleken. Nu valt op dat er wel degelijk een elektriciteitsdraad tussen de huizen loopt, ook al zit daar al jaren geen stroom meer op. En er is een kleine eerste-hulpkliniek, waar al jaren geen dokter meer komt. Ooit, in de gouden jaren zeventig, bereikten de voordelen van de beschaving ook deze plek in het binnenland. Maar zoals aan zoveel, heeft de algehele Surinaamse malaise ook daaraan een einde gemaakt.

De 25 pk buitenboordmotor ronkt. Iwan Kwasiba wil naar huis. Terug naar Aucaans gebied waar zijn eigen stuurman de boot over de stroomversnelling kan loodsen. Binnen drie dagen zit hij weer in Drietabbetje. En als hij wil, de dag erop in Paramaribo. Van Zanderij naar Schiphol is het dan nog een kleine zucht - geen expeditie; makkelijker dan een fietstocht over de wadden.

Surinamers weten dat al lang.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden