Politiek Eerste Kamer

Tandeloze Eerste Kamer faalt bij lakmoesproef

In de kwesties van het referendum en de herindeling van Haren heeft de senaat zich gedragen als het schoothondje van Rutte. 

Minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (D66) tijdens de stemmingen in de Eerste Kamer over de afschaffing van het raadgevend referendum. ANP BART MAAT Foto ANP

Bij de grondwetswijziging van 1815 werd in ons land het tweekamersysteem ingevoerd. De leden van de Eerste Kamer werden door de koning gekozen. De bedoeling was uiteraard dat de leden van de senaat hun instemming zouden betuigen met wat Willem I van plan was. Dat deden ze dan ook braaf. Vandaar dat men in die tijd de Eerste Kamer vaak aanduidde als de ménagerie du Roi (de dierentuin van de Koning).

Verder werd de Eerste Kamer bevolkt door allemaal ‘grote hanzen en adellijke heren’ (zoals dat in de Camera Obscura heette), die de van de Republiek geërfde traditie continueerden van vriendjespolitiek en het elkaar de bal toespelen. Dat alles was de grote staatsman Thorbecke een doorn in het oog. Hij wilde daarom in 1848 en 1849 van de Eerste Kamer af. Dat is hem niet gelukt. Want velen zagen in de senaat een nuttige rem op eventueel radicalisme van de Tweede Kamer. Een niet onbegrijpelijke gedachte in die onrustige jaren.

Maar nadat de rust was weergekeerd, rees opnieuw de vraag naar de zin van de Eerste Kamer. Langzamerhand ontstond het idee van de senaat als chambre de réflection: ver van het politieke gewoel in de Tweede Kamer zou de Eerste Kamer de puntjes op de i zetten in het wetgevingsproces. Daar zit veel in. Maar uiteraard wel op voorwaarde dat die dan ook daadwerkelijk doet wat van haar verwacht wordt. Anders kan men haar het best opheffen als een nutteloze instelling.

De cruciale vraag is dus: doet de Eerste Kamer wat van haar wordt verwacht? Juist op dit moment is het opportuun die vraag te stellen. In de eerste plaats is er de Staatscommissie-Remkes die van de regering de opdracht kreeg het functioneren van het bestaande parlementaire systeem onder de loep te nemen en om in dat kader ook te kijken naar het bestaansrecht van de Eerste Kamer.

In de tweede plaats behandelde de senaat deze week twee wetsvoorstellen die een goede lakmoesproef zijn voor haar bestaansrecht. De eerste was de afschaffing van het raadgevend referendum, tegen de wens van het overgrote deel van het electoraat. Reden is dat Rutte er geen zin in heeft om opnieuw ‘geitenpaadjes’ te moeten zoeken wanneer de uitslag van referenda problemen oplevert.

Vanzelfsprekend behoort de senaat geen boodschap te hebben aan dergelijke overwegingen. Daarna vond afschaffing met terugwerkende kracht plaats. Dat is, in feite, in strijd met de notie van de rechtsstaat: wetten gelden (ook voor de staat) zolang ze niet door andere werden vervangen.

Op 20 juni diende voor de Haagse rechtbank de door Meer Democratie aangespannen rechtszaak over de afschaffing van het referendum. De advocaten van Meer Democratie maakten gehakt van de landsadvocaten, die tot niets meer in staat bleken dan eindeloos te herhalen ‘dat we ons niets van de nu geldende wet (over het referendum) hoeven aan te trekken, omdat die straks is afgeschaft’.

De Eerste Kamer werd opgeroepen behandeling van het wetsvoorstel uit te stellen, totdat er duidelijkheid zou zijn over het al of niet ‘illegale’ (naar het woord van hoogleraar staatsrecht Wim Voermans) karakter ervan. Maar nee, de Eerste Kamer vond het allemaal wel best en stemde in met het wetsvoorstel.

De tweede lakmoesproef voor de senaat was de gemeentelijke herindeling van Haren bij Groningen. De senaat werd herhaaldelijk en uitvoerig ingelicht over de aantoonbare leugens in het betreffende wetsvoorstel en over de strijdigheid ervan met de wet Algemene Herindeling, die procedures voorschrijft inzake gemeentelijke herindelingen. Maar zelfs hierin zag de Eerste Kamer geen beletsel voor acceptatie van het wetsvoorstel.

Dat alles klemt des te meer omdat de verdediging van het wetsvoorstel door Kajsa Ollongren, de minister van Binnenlandse Zaken, in beide gevallen nergens naar leek. Wie Ollongren hoort debatteren, kan alleen maar plaatsvervangende schaamte voelen. Zij is tot niet meer in staat dan het eindeloos herhalen van wat haar ambtenaren haar hebben aangeleverd.

Zij haalt zelfs niet het simpele niveau van het iemand met een kluitje in het riet sturen. Geen wonder dat mevrouw Ollongren de minst populaire minister is van Rutte III en een zware hypotheek op de toekomst van haar partij, D66. Het is pijnlijk, treurig – en zorgelijk.

Drie conclusies. Eén: de Eerste Kamer heeft gefaald met deze twee lakmoesproeven. Twee: dat versterkt de reeds bestaande twijfels over het bestaansrecht van de Eerste Kamer. Meer nog, het krediet dat de senaat bij velen nog heeft, wordt misbruikt ter legitimering van kwalijk kabinetsbeleid. In die zin is ons land zelfs beter af zonder Eerste Kamer dan met een tandeloze Eerste Kamer.

In de derde plaats, dit alles kon alleen gebeuren doordat Rutte wellicht de meest krachtdadige en meest competente minister-president is sinds Cort van der Linden honderd jaar geleden. Juist dat stelde hem in staat de checks and balances in ons politiek systeem zozeer te ontwrichten. Een Balkenende was zoiets nooit en te nimmer gelukt. Rutte toont hier de paradox van le défaut de ses qualités. Want een ‘défaut’, een gebrek, is het: zoals Thorbecke niets zag in een Eerste Kamer die de ménagerie du Roi is, zo heeft ons land nu geen behoefte aan een Eerste Kamer die de ‘ménagerie van Rutte’ is. 

Frank Ankersmit is historicus en lid van de Buitenste Kring van de Staatscommissie-Remkes.

Meer over