Taiwan droomt zich de poort naar China

Taiwan is het voorbeeld van een maakbare samenleving naar het Oosteuropese model die nog floreert ook. Maar de welvaart slaat vooral neer bij een kleine elite....

ZONDER zweem van twijfel somt de topambtenaar van Economische Zaken de acht technologieën, tien industrieën en de negenenzestig cruciale produkten op die de komende jaren de vaart in de economie van Taiwan moeten houden. Het zijn lijsten, zegt hij er serieus bij, die niet door één knappe kop van het ministerie zijn opgesteld, maar pas na zorgvuldig en uitgebreid overleg tussen de overheid en de ondernemers tot stand zijn gekomen. Natuurlijk kan en wil Taiwan niet alles in één keer doen, zegt hij er bescheiden bij - het opbouwen van een vliegtuigindustrie bijvoorbeeld, nummer dertien op de lijst van 69, heeft niet de hoogste prioriteit. Want het eiland mag dan bulken van het geld, er zijn grenzen aan het haalbare.

Maar alsof dit industriebeleid niet ambitieus genoeg is, heeft Taiwan ook nog een masterplan voor de hele economie klaar liggen, met dank aan McKinsey voor de hulp bij het opstellen. Het volgen van deze blauwdruk zal 'onze economische kracht maximaliseren, onze economische horizon verbreden en Taiwan op een hoger ontwikkelingsniveau brengen', heet het in de glimmende folders die het ministerie verspreidt.

Volgens deze blauwdruk moet Taiwan niet alleen het industriële hart van Azië worden, maar zich ook gaan concentreren op zee- en luchttransport, de telecommunicatie in snel tempo ontwikkelen, zich opwerpen als financieel centrum en de honderden miljoenen Chineestaligen met films en tv-programma's gaan te bedienen.

Als ergens nog het geloof in de maakbare samenleving bestaat dan is het wel op Taiwan. En als ergens het bewijs wordt geleverd dat totale vrijmaking van de economie geen noodzakelijke voorwaarde is voor voortdurende groei dan is dat ook op Taiwan. Want deze economische tijger is een van de beste voorbeelden dat snelle en langdurige welvaartsgroei kan samengaan met bureaucratie, dichte regelgeving, monopolies, gebrek aan democratie en de vermenging van partijbelang en staatsbelang.

Voormalige Oosteuropese toestanden dus. Maar dat het land desondanks economisch niet is blijven steken op het niveau van Roemenië of Bulgarije maar in enkele decennia is doorgestoten tot de Top-20 van de handelsnaties van de wereld en nu na Japan de grootste berg aan deviezen bezit, heeft menigeen aangezet tot de speurtocht naar het geheim van dit succes.

Een van de meest lijvige verslagen van zo'n zoektocht verscheen anderhalf jaar geleden, geschreven door een groep economen van de Wereldbank. Het 'Oostaziatische wonder' is in hun ogen vooral te danken aan zeer omvangrijke investeringen, jaar in jaar uit, en een sterke nadruk op scholing. Overheid en bedrijven staken hun geld bovendien in precies de goede sectoren, waar de meeste winst te behalen viel. Geïmporteerde technologie uit gevestigde industrielanden en een stabiel economisch beleid deden de rest.

Sommigen, zoals de Amerikaanse econoom Krugman, vinden dit een net iets te mooi verhaal. Krugman gelooft niet in wonderen, hij ziet het simpeler. Taiwan en de andere tijgers als Singapore, Zuid-Korea en Hongkong, hebben hun vooruitgang vooral te danken aan veel sparen, veel investeren en weinig consumeren. Een beleid dat in de jaren vijftig ook in Oost-Europa is toegepast.

Maar hieraan komt vanzelf een einde, want aan het op steeds grotere schaal inzetten van mensen en machines zitten grenzen. Bijvoorbeeld omdat er geen mensen meer beschikbaar zijn. Dan is het ook vanzelf gedaan met hoge groeicijfers.

De enige manier om daarna nog hogerop te komen is door slimmer gebruik te maken van arbeid en kapitaal. Juist dat hebben de tijgers - papieren tijgers noemt Krugman ze - de afgelopen decennia vooral nagelaten.

Het is een discussie die grotendeels aan Taiwan voorbij gaat. Daar maken ondernemers en politici zich niet zozeer druk om de oorzaken maar vooral om de gevolgen van het succes. De hoge groei heeft bijvoorbeeld geleid tot gestaag stijgende lonen, waardoor Taiwan al lang niet meer het goedkoopte-eiland van de regio is. Een Chinese arbeider is nu zo'n twintig keer goedkoper dan zijn Taiwanese lotgenoot.

Vandaar dat Taiwanese bedrijven driftig investeren op het vasteland en in andere goedkope landen in de regio zoals Vietnam en Indonesië. Vandaar ook dat in eigen land vooral de nadruk wordt gelegd op hoogwaardige produktie - computers - om de internationale concurrentiestrijd vol te kunnen houden. Als het niet meer met de prijs kan, dan moet het maar met de kwaliteit.

De overheid is er ook veel aan gelegen ondernemers binnen te houden en te krijgen. Met goedkope grond, een schaars goed op Taiwan, royale vrijstellingen voor winstbelasting en andere subsidies worden hele bedrijfstakken die cruciaal worden geacht voor de toekomst van het land in de watten gelegd. Zo ontstaan speciale industrieparken, zoals in Hsinchu, waar het grootste deel van de Taiwanese computerindustrie zit samengepakt. Deze aanpak slaat zó aan, dat voor de komende tien jaar nog 20 tot 30 van dergelijke parken op stapel staan.

Het is een vorm van industriebeleid waarbij een Nederlandse minister van Economische Zaken zijn vingers zou aflikken. Ware het niet dat het geloof in zo'n wijze overheid, die precies weet te voorspellen welke industrieën toekomst hebben en welke niet, hier volkomen is verdwenen.

Het economisch succes heeft vooral geleid tot een grote particuliere rijkdom, maar de collectieve welvaart is nog schraal. Voorzichtig aan wordt de sociale zekerheid uitgebreid, met een pensioentje speciaal voor boeren bijvoorbeeld of de pas een maand oude nationale ziektekostenverzekering.

Het fraaie is dat deze Taiwanese vorm van de verzorgingsstaat direct tot bekende discussies leidt, zoals de betaalbaarheid van de boeren-AOW of de, volgens de medisch specialisten, te lage vergoedingen die zij in het nieuwe systeem voor hun werk ontvangen.

Maar waar het de Taiwanese regering op dit moment vooral om gaat is haast maken. Want hoewel niemand het hardop zegt, of het nu regeringsfunctionarissen of ondernemers zijn, het hele masterplan hangt aan de terugkeer van Hongkong naar China in 1997.

Door deze dekolonisatie gaat de meest gebruikte omweg voor Taiwan verloren. De precaire politieke verhouding met China - de Taiwanese regering claimt nog steeds de enige rechtmatige regering van heel China te zijn terwijl omgekeerd China het eiland als deel van het eigen rijk beschouwt - maakt het onderhouden van contacten moeilijk. Hoewel de afgelopen jaren de relatie is verbeterd, is het voor bijvoorbeeld Taiwanese transportbedrijven nog steeds verboden direct aan China te leveren. Maar indirect, via Hongkong, mag wel.

Ook investeren op het vasteland is aan strikte regels gebonden. Alleen als de Taiwanese overheid toestemming geeft, mag een fabriek worden neergezet. Maar ook dit verbod wordt massaal ontdoken - via Hongkong. De officiële cijfers zeggen dat Taiwan de afgelopen jaren voor bijna vijf miljard dollar in China heeft geïnvesteerd. Volgens de officieuze cijfers, die het Taiwanese ministerie van Economische Zaken ook zonder blikken of blozen verstrekt, ligt een bedrag van 19 miljard dichter bij de waarheid.

Door de inlijving van Hongkong is straks deze vluchtroute naar China afgesloten. Taiwan gokt erop dat de nieuwe status van Hongkong de economie van dit nieuwe stukje China geen goed zal doen. Vandaar dat het zich nu al opwerpt als regionaal centrum om aarzelende investeerders aan te trekken.

Het onvermijdelijke gevolg van deze strategie is dat Taiwan veel minder krampachtig moet gaan doen over de economische banden met China. Want waarom zou een buitenlands bedrijf op Taiwan gaan zitten als normale handel met China bijna onmogelijk is? Vandaar dat met grote regelmaat melding wordt gemaakt van weer een nieuwe versoepeling van de regels, voor de scheepvaart of de financiële betrekkingen met het vasteland.

Het probleem voor de Taiwanese regering met dit eigen beleid is dat de economische en politieke belangen niet helemaal parallel lopen. Een vrijere economische omgang met China betekent ook een grotere afhankelijkheid van het vasteland. En dat maakt het politieke streven naar één China, maar dan wel op Taiwanese voorwaarden, niet makkelijker.

Het beleid van deregulering, dat voor de hele Taiwanese economie moet gaan gelden, is volgens James Ho cruciaal voor de ontwikkeling van Taiwan tot regionaal centrum. Ho is section chief van het Aproc. Dit is een met de overheid verbonden instelling die nog maar net bestaat en als enige opdracht heeft het de investeerders zo makkelijk mogelijk en het de bureaucraten zo moeilijk mogelijk te maken.

De grootscheepse vrijmaking van de economie zoals het beleid nu voorschrijft moet echter rustig gebeuren.

'Wij geloven niet in een schoktherapie. Kijk maar wat er in Mexico is gebeurd. Zo'n beleid wil geen enkele regering voor haar verantwoording nemen. Wij denken dat een meer geleidelijk beleid grotere economische voordelen zal hebben', zegt Ho.

Hij denkt ook dat Taiwan bij uitstek geschikt is om als springplank naar China te dienen.

'De mensen in Taiwan weten hoe we zaken moeten doen met China. Taiwan heeft verder een heel stabiele economie. Bovendien beschermen wij investeerders. Nationalisaties vinden bij ons niet plaats.'

Nationalisaties misschien niet, maar op andere manieren wordt het buitenlandse bedrijven op Taiwan soms erg moeilijk gemaakt. Vraag dat maar aan de Makro.

Dit Nederlandse winkelbedrijf had met zijn formule zo'n succes op het eiland dat het, zo wordt gezegd, de concurrentie iets te gortig werd.

Vandaar dat Makro plotseling de mededeling kreeg dat twee filialen moesten worden gesloten. Om de boodschap kracht bij te zetten, werd op een gegeven moment ook de elektriciteit afgesloten. Er moest een noodgenerator aan te pas komen om de diepvriesprodukten nog in de uitverkoop te kunnen doen.

Dit soort verhalen horen ze niet graag op Taiwan, want ze komen het imago van een sterke economie met een betrouwbare overheid niet ten goede.

Ambtenaren en ondernemers praten liever over de kwaliteit van de produktie of de grootse plannen voor de toekomst. Die kunnen alleen worden gerealiseerd als overheid en bedrijfsleven even innig blijven samenwerken als in het verleden.

Het is een soort collectief besef waaraan slechts weinigen twijfelen. Want in welk land applaudiseren topondernemers hun handen blauw voor 'de ambtenaren van Economische Zaken die het afgelopen jaar weer zo hard hebben gewerkt voor hun land'?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden