Tacita Dean mag de Turnerprijs in de wacht slepen

BEELDENDE KUNST..

Turner Prize 1998: Cathy de Monchaux, Tacita Dean, Chris Ofili en Sam Taylor-Wood. T/m 10 jan. Tate Gallery, Londen. Brochure £1,50. De winnaar wordt vanavond via Channel 4 bekendgemaakt.

De Britse kunst mag zich in de handen wrijven met een televisiestation als Channel 4. Al meer dan acht jaar slaagt dit commerciële kanaal erin de meest prestigieuze beeldende-kunstprijs van Groot-Brittannië zowel inhoudelijk als financieel voorbeeldig te sponsoren. De weken voorafgaand aan de uitreiking van de Turnerprijs zijn het tegenovergestelde van de oefenpartij kleutervoetbal, waar in Nederland de NPS-Cultuurprijs nog het meest van weg heeft.

De formule lijkt simpel. Er is de jaarlijkse tentoonstelling in de Tate Gallery, met voor iedere genomineerde één zaal. Er zijn begeleidende teksten, discussie-avonden en documentaires die Channel 4 maakt van de genomineerden.

Dat leidt ieder jaar weer tot veel bezoekers voor de Turner Prize in de Tate. En tot veel rumoer en schandaal. Ook dit jaar trekt het werk van Cathy de Monchaux (1960), Tacita Dean (1965), Chris Ofili (1968) en Sam Taylor-Wood (1967) weer groot publiek. Maar van rumoer en schandaal is geen sprake. Daarvoor heeft de jury, onder voorzitterschap van Tate-directeur Nicholas Serota, een te voorspelbare keuze gemaakt.

De schilder Chris Ofili maakte vorig jaar op de Sensation-tentoonstelling van reclame-magnaat Charles Saatchi al furore met zijn zinsbegoochelende schilderijen, opgebouwd uit olifantenmest, in het donker oplichtende verf, kraaltjes, glittertjes en versneden fotootjes van zwarte sterren. Sam Taylor-Wood had op de laatste Biennale van Venetië al luid van zich laten spreken met haar filminstallatie Atlantic - over wat zich onderhuids aan een restauranttafel afspeelt als man en vrouw ruziemaken. En ook Tacita Dean is internationaal bekend met haar story-boards en met filmwerk als Disappearance at Sea uit 1994.

Slechts één genomineerde vormt hierop een uitzondering, een verrassing zou je zeggen, als haar werk niet zo bedroevend was. Het is een raadsel waarom de jury Cathy de Monchaux heeft genomineerd voor de prijs - wellicht op voorspraak van jurylid Marina Warner? De Monchaux past immers met haar sculpturen - beelden is een te passief woord voor het expliciet seksuele werk dat De Monchaux maakt - naadloos in een traditie van grote feministische kunstenaars, zoals Nancy Spero, Annette Messager en Louise Bourgeois.

Maar waar Spero begin jaren zeventig, en zeker Messager en De Bourgeois nieuwe metaforen voor vrouwelijkheid bedachten en nog steeds bedenken, grijpt De Monchaux terug op het meest banale motief dat bestaat in verband met vrouwelijkheid: de vagina met weerhaken. Deze giet zij in vloersculpuren met poëtische titels, zoals Never forget the power of tears. Ze priemt de kijker in het gezicht, met het 'ceintuur' Don't touch my waist - waar uit vaginaalvormige 'bontjes' metalen klauwen met zwepen tevoorschijn piepen. En, een absoluut dieptepunt, ze toont het motief in een fotografisch vierluik, waarop graanvelden te zien zijn, licht glooiende heuvels, met in het midden - het 'dal' zogezegd - juist ja, een opengesperde vagina.

Als De Monchaux vanavond de Turner Prize zou winnen, zou dat werkelijk een belediging betekenen voor de overige drie kunstenaars. Met name Ofili en Dean is het gegund de twintigduizend pond in de wacht te slepen. Sam Taylor-Wood valt af, omdat haar nieuwe fotowerk, Five Revolutionary Seconds, te stereotype is om opmerkelijk te zijn.

Dean gun ik de meeste eer, boven de virtuoze schilder Ofili. Dean toont zich een meester in het aftasten van grensvlakken. Metafysische, zoals daar zijn tussen tijd en tijdloosheid, tussen verdwijning en verschijning, tussen licht en duisternis; en fysische, die tussen land en water, zee en lucht, dag en nacht. In Disappearance at Sea - een sleutelwerk in haar oeuvre, volgt en reflecteert de camera het oog van een vuurtoren aan de Britse kust. Minutenlang kijk je ernaar, luister je naar het gekrijs van de zeemeeuwen die ruziën om een vissenkop, een goede slaapplaats op de rots of wat dan ook. Dit niet aflatende, droefgeestige geroep, in combinatie met het 'kijk-uit!-land-hier'-licht van de vuurtoren, kun je opvatten als symbool van het noodlot dat de zee kan zijn. Je kunt het werk interpreteren als troostgevend symbool van de zee, die altijd is en blijft. Maar je kunt ook 'gewoon' gebiologeerd kijken naar het wonderschoon blikkerende licht en de heuvels, aan de voet waarvan het water krabbelt en babbelt.

Ook in haar één na nieuwste werk, The Roaring Forties, genoemd naar een woeste breedtegraad op zee, geeft de kunstenaar blijk van haar hang om grip te krijgen op het verglijden van tijd - juist door de klok stop te zetten. Ditmaal grijpt zij niet naar de camera, maar naar wit schoolkrijt en zwart schoolbord. In zeven episodes schetst zij het relaas van een driemaster op zee: vanaf het in het water trekken van het schip, tot aan het in een sloep terugroeien naar huis door de bemanning. Al tekenend wist Dean details weg, om uiteindelijk te kiezen voor een lijn, die alleen maar contour, alleen maar vorm is. Zo doemen er schimmen op van spookschepen en spookmensen, maar even gemakkelijk verdwijnen ze weer. Dean laat ons met de handen in de ogen wrijven en steeds opnieuw kijken. Ze handhaaft haar illusie.

Lucette ter Borg

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden