Surrealistische show in hartje Europa

De derde juli wordt als onafhankelijkheidsdag verafschuwd door de nationalistisch geïnspireerde oppositie in Wit-Rusland. Zij wil de ‘Belarussische’ taal en cultuur bevorderen....

De militaire parade op 3 juli, de onafhankelijkheidsdag van Wit-Rusland (of Belarus, zie inzet), vertoont de trekken van sovjetfolklore: volksdansen in ‘traditionele klederdracht’, duizenden kinderen die met felgekleurde vlaggetjes ‘menselijke schilderijen’ maken voor de grote leider en zijn 5-jarige zoontje, die zich beiden in vol militair ornaat vertonen.

Maar het publiek dat is toegestroomd om de parade te zien, weet dat het poppenkast is en komt simpelweg voor de show. Er wordt sceptisch gegromd als, een uur later dan voorzien, drie gepantserde wagens langs rijden om president Loekasjenko naar zijn ereplaats te rijden. Door de luidsprekers weerklinkt een enthousiaste aankondiging van ‘de president van de republiek Belarus!’ – maar bijna niemand voelt de aandrang om te klappen.

Als de luidspreker een toespraak van Loekasjenko aankondigt, slaakt de menigte wat lijkt op een collectieve verzuchting: nog meer uitstel! Maar dan begint het eindelijk. Strak marcherende legeronderdelen trekken langs, gevolgd door tanks uit de Tweede Wereldoorlog en moderne varianten – nauwelijks zichtbaar, want omgeven door roetzwarte rookpluimen van vervuilde diesel. Maar de parade biedt ook middeleeuwse ridders, vlag dragende atleten en, niet te vergeten, een kilometerslange optocht van de nieuwste modellen tractors en andere landbouwmachines die in Wit-Rusland worden geproduceerd.

Het is een surrealistisch schouwspel – dat de karikatuur van dit land als enig overgebleven ‘mini-Sovjet-Unie’ in Europa lijkt te bevestigen. Maar het speelt zich af in het geografische centrum van Europa – en in een land dat zich steeds onafhankelijker opstelt. President Loekasjenko lijkt zich los te weken uit de innige omhelzing door Rusland en flirt met Europa – zij het niet als politiek model, maar als bron van kredieten en investeringen.

Als onbedoeld neveneffect van dat proces, zo hopen althans sommige ‘Belarussische’ ‘nationalisten’, kan er in het land eindelijk een bewustzijn worden gecreëerd van een onafhankelijke Belarussische natie – die in zijn geschiedenis minstens zozeer onder westerse als oosterse invloed heeft gestaan.

President Loekasjenko heeft sinds hij in 1994 aan de macht kwam niet alleen de jonge democratie de nek om gedraaid, maar ook het ‘nationale gevoel’ van een natie die bijna zijn hele geschiedenis door grote buurlanden is geregeerd. Straatnamen werden veranderd, de rood-witte vlag maakte plaats voor een rood-groene variant, Russisch werd als tweede officiële taal erkend en de pogingen om het Belarussisch als ‘schooltaal’ te verspreiden, werden ijlings teruggedraaid.

En toch, zegt de dissidente lerares Engels Marjana Hruzdzilovic, ‘zijn er nu dankzij hem steeds meer mensen die zichzelf als Belarus identificeren’. Dat komt volgens haar door de grote ommezwaai die Loekasjenko in de afgelopen dertien jaar heeft gemaakt – van de hoop (ten tijde van president Jeltsin) dat hij zelf een uniestaat tussen Rusland en Belarus zou kunnen leiden tot het besef (onder Poetin) dat hij de onafhankelijke positie van zijn land moet bewaken om niet opnieuw een ‘provincie’ van Rusland te worden.

‘Toen Jeltsin ziek en oud werd, hoopte Loekasjenko dat hij een unie van heel Rusland en Belarus zou kunnen leiden. Hij was de meest charismatische leider van alle autoritaire types in de stijl van Chávez, Castro en noem maar op. En in de jaren negentig keken Russen vol jaloezie naar het stabiele paradijs in Belarus. Maar nadat Poetin in het Kremlin was gearriveerd, besefte Loekasjenko dat hij geen enkele kans had – en begon hij als eerste te roepen over de onafhankelijkheid van Belarus. En nu hoor je ook gewone mensen een onderscheid maken tussen ‘wij’ en ‘Rusland’.’

De derde juli wordt als onafhankelijkheidsdag verafschuwd door de nationalistisch geïnspireerde oppositie. ‘Het is de dag dat de nazi’s in 1944 Minsk verlieten, en markeert dus het begin van de voortzetting van de Sovjet-bezetting van Belarus’, zegt Zmicier Kaspiarovitsj van de actiegroep Jong Belarus.

In 1996 liet Loekasjenko per referendum de onafhankelijkheidsdag verplaatsen van 27 juli (de dag waarop het land in 1990 een onafhankelijksverklaring aannam) naar 3 juli. Maar de oppositie viert elk jaar nog de ‘echte’ onafhankelijkheidsdag, 25 maart, verwijzend naar de datum waarop in 1918 Belarus zichzelf voor het eerst onafhankelijk verklaarde, voordat het door de Sovjet-Unie werd opgeslokt.

De ongeautoriseerde oppositiemarsen op 25 maart (‘Vrijheidsdag’) zijn bijna elk jaar goed voor tientallen arrestaties. Het verhaal van Marjana’s ontslag als lerares bij het SOL, een privaat taalinstituut waar ze tien jaar succesvol werkte, onderstreept de gevoeligheid van de discussie omtrent de nationale feestdagen van het land.

‘De dag voor de 25ste maart dit jaar, hoorde ik voordat de les begon een meisje iets zeggen over ‘morgen gaat dat tuig van de oppositie weer de straat op om onzinnige kletskoek te schreeuwen’. Ik vroeg haar of ze er wel eens geweest was en legde uit dat er alleen maar rustige, intelligente mensen van alle leeftijden op af komen. Het meisje keek me beledigd aan, maar verder vergat ik het hele incident.’

De dag daarna werd Marjana onder grote druk gezet door de directie om de school te verlaten. De directie schermde met een (nooit aan haar getoonde) brief van ouders die zich tegen haar ‘politieke activiteiten’ tijdens de les keerden. Al gauw bleek het desbetreffende meisje een dochter te zijn van een politiekolonel in het ministerie van Binnenlandse Zaken. Een telefoontje uit die hoek had volstaan om haar te wippen na jarenlang trouwe dienst.

Waaruit het Belarussische nationale gevoel nu precies bestaat, is moeilijk te zeggen, erkent Zmicier, omdat het nauwelijks ontwikkeld is en onder Loekasjenko ‘onderdrukt’. Drie jaar geleden heeft hij drie maanden in de cel gezeten, omdat hij een rood-groene vlag op het gemeentehuis had vervangen door een rood-witte. Hij staat aan het hoofd van een organisatie die zich inspant voor het behoud van de Belarussische cultuur – een doel dat voor de autoriteiten volstond om de groep uit hun kantoor te zetten.

Zmicier en Tsimafej Drantsjuk, de leider van Jong Belarus, zeggen beiden Belarussisch te spreken en het ook van huis uit al gesproken te hebben. Maar Tsimafej geeft toe dat maar een minderheid van de Wit-Russen de eigen taal machtig is, al wordt die sinds 1991 wel als verplicht vak op school gegeven. Ook veel jonge nationalisten hebben moeite met de taal. Zmicier heet bijvoorbeeld alleen maar zo op zijn visitekaartje, in het café waar we met hem spreken laat hij zich gewoon Dima noemen.

Marjana windt er geen doekjes om: ‘Veel leerlingen trekken een lelijk gezicht als je het hebt over ‘Belarus’, al zijn ze in Minsk geboren en getogen. Ze identificeren zichzelf niet met dit land en zeggen dat ze alleen maar Engels willen leren om zo snel mogelijk weg te gaan.’ Hoewel volgens statistieken meer dan 80 procent van de bevolking etnisch Belarussisch is, en slechts 12 procent Russisch, spreekt het overgrote deel van de bevolking Russisch.

‘Niet lang geleden’, zegt ze lachend, ‘werden twee mensen die in de metro Belarussisch met elkaar spraken aangekeken alsof het buitenlanders waren. Nu gaat het iets beter.’ Loekasjenko zelf spreekt trouwens ook geen Belarussisch, maar een soort boerenmengeling van de twee talen. En pas drie weken geleden werd voor het eerst een minister van Cultuur aangesteld die Belarussisch spreekt.

In zijn militaire uniform rept Loekasjenko voor het begin van de parade van de hechte vriendschap met Rusland en het Russische broedervolk. ‘Wij gaan onze vriendschap met Rusland aan niemand verkopen.’ Maar ook benadrukt hij dat zijn land onafhankelijk is en zich door niemand laat voorschrijven met wie het wel of niet contacten onderhoudt. ‘Wij zijn een soeverein en onafhankelijk land.’

‘We hadden een kortstondige explosie van Belarussische cultuur tussen 1990 en 1994’, zegt Zmicier, ‘totdat Loekasjenko alles weer in sovjetrichting terugdraaide. Maar uiteindelijk zal de nadruk op onze eigen taal en cultuur hier onvermijdelijk komen bovendrijven, net als in Oekraïne gebeurd is. Maar het kan alleen een echte nationale cultuur worden als de staat zich erachter stelt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden