Suriname's zwarte bladzij

Voor het eerst sinds de bloedige moorden in Fort Zeelandia, vandaag achttien jaar geleden, lucht John Hardjoprajitno zijn hart. Een van de onderofficieren achter de staatsgreep wil zijn naam zuiveren: 'De decembermoorden hadden nooit mogen gebeuren.'..

door Stieven Ramdharie

HET IS amper een dag na de bloedige nacht waarin sergeanten moordenaars werden. De nacht van 8 december 1982, waarin twintigers en dertigers afrekenden met 'de trots van de natie' - van advocaten tot politici en vakbondsleiders. In een oud-Hollands fort in Paramaribo werden hun botten verbrijzeld, hun lichamen doorzeefd door uzi's. De Groep van 16, de onderofficieren die eerder op 25 februari 1980 de politici uit het regeringspluche schoten, komt voor het eerst na die nacht weer bij elkaar.

In het huis van majoor Roy Horb, tweede man na legerleider Desi Bouterse, worden de excessen geëvalueerd. 'Waarom zijn we nu pas bijeen gekomen en niet vóór 8 december?', vraagt de dan 31-jarige John Hardjoprajitno, die in twee jaar is opgeklommen van sergeant tot minister van Cultuur, Jeugd en Sport. Maar de groep zwijgt. Alleen garnizoenscommandant Horb, beste vriend van 'Hardjo' en naar verluidt betrokken bij de voorbereiding van de decembermoorden, valt de minister bij en zegt: 'Ja, John heeft gelijk.'

Hardjoprajitno, achttien jaar later: 'Ik stelde die vraag omdat ik wist dat een deel van de groep, onder wie ik, niet aan 8 december had meegedaan. Maar niemand steunde mij op die vergadering. Of durfde dat te doen. Bouterse zei nauwelijks iets. Maar je zag dat hij niet blij was met mijn vraag. Voor 8 december waren er nauwelijks meningsverschillen binnen de groep. Maar op deze bijeenkomst werd duidelijk dat de commandogroep definitief gesplitst was.'

Horb, die een maand later samen met Hardjo door Bouterse cum suis zou worden opgepakt wegens plannen voor een staatsgreep, loopt boos uit de vergadering weg. 'Je zag de spanning op zijn gezicht', vertelt Hardjoprajitno. 'Na die vergadering zag je hem meer buiten de kazerne dan binnen. Hij zat ermee wat op 8 december in Fort Zeelandia was gebeurd. Ik weet nog goed dat Horb toen zei: we hebben moorden op onze naam.'

Hardjo is het beu. 'Ik ben het zat', meldt hij via de telefoon. 'Ik wil praten. Mijn naam moet gezuiverd worden.' Ons laatste contact dateert van 23 februari dit jaar, twee dagen voor de 20ste herdenking van de staatsgreep. De oud-couppleger, 49 jaar inmiddels, praat dan opvallend openhartig over wat er in twee decennia is misgegaan in Suriname: 'Wat moet je vieren? De doelen van 1980, zoals corruptiebestrijding, zijn niet gerealiseerd. Sommige leden van de groep hebben zich verrijkt. Het is niet zo gelopen als we dachten.'

Een afspraak om uitgebreider te praten, wordt kort daarna afgezegd. De familie was bang voor de gevolgen. Ze zijn nog steeds bang. Maar Hardjoprajitno wenst niet langer toe te zien hoe zijn naam in verband wordt gebracht met 'Surinames zwarte bladzijde', zoals hij de decembermoorden noemt. Hij is het beu dat hij vereenzelvigd wordt met moord, brandstichting en moreel verval.

Drie weken terug was het wederom raak. De naam van de Javaanse oud-sergeant prijkte op een lijst van 37 ex-militairen en politici die door de Surinaamse justitie zijn gedagvaard in het 8 december-onderzoek dat het Openbaar Ministerie in Paramaribo is begonnen. 'Het is een last', zegt Hardjoprajitno. 'Ik kan niet langer blijven zwijgen. De decembermoorden hadden nooit mogen gebeuren. Suriname is veel te vredelievend voor zoiets. Het is belangrijk dat het nooit meer gebeurt.'

Hij zag veel gebeuren in het 'revolutionaire' Suriname van de jaren tachtig. En Hardjo zweeg erover. Hij moest aanzien hoe zijn maatjes van de Groep van 16 een collega, Wilfried Hawker, in 1982 fusilleerden omdat deze betrokken was bij een mislukte staatsgreep. En hij hoorde kort na 8 december dat een deel van de jongens de decembermoorden op hun geweten hadden. Zelfs toen hij in 1983 in ongenade raakte bij Bouterse en ruim een jaar vastzat, brak hij niet met ze.

Nu klinkt hij bitter. Teleurgesteld. Voortdurend heeft de ex-militair het gevoel dat hij uit de school klapt. 'Nee, dat kan je maar beter niet in de krant zetten', roept hij geschrokken. Niet voor niets hebben de leden van de groep een verbond gesloten, de dag voor de coup, om elkaar voor eeuwig te steunen. Hij schippert tussen trouw blijven aan de jongens en zijn wens om de waarheid te vertellen.

Hardjoprajitno: 'De eenheid van de groep is verdwenen met 8 december. Wat toen is gebeurd, had niets te maken met de verandering die we wilden. Het was een zware domper. Nu overheerst eigenbelang. Iedereen doet maar wat. In 1996 kwam ik Benny Brondenstein tegen, een van de zestien. Hij zag er verwaarloosd uit. Niemand van de jongens keek meer naar hem om. De revolutie heeft haar eigen kinderen opgegeten.'

De oud-minister werkt nu keurig op kantoor. In Nederland. Als hij 's avonds zijn zus opzoekt in haar Surinaamse eethuisje, zijn er genoeg klanten die hem vragen: ben jij niet. . .?' Soms zegt hij dat hij Hardjo's broer is.

'Ik heb geen slecht geweten, beslist niet', benadrukt hij. 'Want ik was er niet bij op 8 december. Ik was het ook niet eens met wat er toen is gebeurd in Fort Zeelandia. Dat heb ik toen duidelijk laten merken binnen de groep. Het is nu tijd om dit in het openbaar te zeggen. Opdat mijn naam nooit meer besmeurd wordt.'

HARDJOPRAJITNO is een van de weinigen van de groep van zestien sergeanten (nog slechts tien van hen zijn in leven), die zich kritisch uitlaat over 8 december, de splitsing in de commandogroep en de 'revolutie' van 1980 die een deceptie werd. Niet dat Bouterse, die mogelijk binnenkort wordt gearresteerd vanwege het justitieel onderzoek, zich meteen druk zou moeten maken over de plotselinge openheid van een van zijn vroegere militaire maatjes.

Zijn naam komt niet voor op een lijst uit 1985 van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) van de folteraars. Wel worden zeven leden van de commandogroep genoemd. Hardjoprajitno benadrukt ook uitvoerig dat hij Bouterse die bewuste nacht niet heeft gezien. Op de avond van 7 december, zo'n vier uur voor de arrestaties en het in brand schieten van radiostations, kranten en vakbondskantoren, meldt Hardjoprajitno zich in Fort Zeelandia bij luitenant P.Bhagwandas, de man die zich tijdens de moorden naar verluidt als een beul zou hebben gedragen.

Bhagwandas, die in 1996 overleed, is in 1982 de derde man in het leger, na Bouterse en Horb. Als hij zich bij Bhagwandas meldt, ziet Hardjo hoe de militair Rambocus, die een half jaar eerder was gearresteerd na de mislukte coup van Hawker, het fort wordt binnengebracht. Rambocus, die uit zijn cel in de Memre Boekoe-kazerne was gehaald, moest zijn kleren uittrekken. Hij was een van de twee militairen die op 8 december zouden worden gemarteld en vermoord.

Hardjoprajitno: 'Ik dacht nog even: wat doet Rambocus hier? Ik woonde toen, net als Horb, tegenover het fort. Bhagwandas zei dat er een oefening was en vroeg of ik de bataljonscommandant in de Memre Boekoe-kazerne kon helpen. Maar toen ik daar aankwam, was die nergens te bekennen. Tegen één, twee uur 's nachts hoorde ik de eerste schoten. De wachtcommandant belde mij op om te vragen wat hij moest doen. Ik zei: blijf paraat en wacht op instructies. De hele nacht ben ik op mijn post gebleven.'

In de dagen daarna, als lid van de commandogroep én als minister, maakt Hardjoprajitno mee hoe de manschappen in de kazerne en de ministerraad op de hoogte worden gebracht van de gebeurtenissen in Fort Zeelandia. Hij is erbij als legerleider Bouterse de militairen in de kazerne vertelt dat de vijftien advocaten, journalisten, vakbondsleiders en politici een staatsgreep wilden plegen en 'op de vlucht' zijn doodgeschoten.

Later op de dag vertelt Bouterse, aldus Hardjoprajitno, een andere versie als de officieren worden ingelicht. Hardjoprajitno: 'Zij kregen te horen dat de soldaten in paniek waren geraakt. Een vliegtuig zou over hen zijn gevlogen waarna de militairen begonnen te schieten. Een groep officieren zei: we zitten niet in het leger om moorden te plegen. Bouterse deelde toen mee, dat wie het er niet mee eens was kon vertrekken. Zo'n vijftien officieren die hun hand opstaken, zijn toen weggelopen.'

RUIM EEN maand later, in januari 1983, is de verwijdering tussen het duo Horb-Hardjoprajitno en Bouterse een feit. Net terug van een verjaardag, wordt Hardjo door drie leden van de commandogroep in zijn huis aangehouden op verdenking van het plegen van een coup. Als hij Fort Zeelandia wordt binnengebracht, ziet hij Horb geboeid op de grond in zijn onderbroek. Hardjo krijgt zestien maanden cel. Met Horb loopt het minder goed af. Hij wordt dood in zijn cel gevonden. Zelfmoord, luidt de officiële lezing.

Hardjoprajitno: 'Er zijn zoveel onduidelijkheden over wat er met leden van de groep is gebeurd. Roy Tolud bijvoorbeeld, mét Horb een van mijn beste vrienden. Van hem is al jaren niets meer gehoord. Vragen hierover zijn altijd ontweken.'

Toch verzoent Hardjoprajitno zich na zijn vrijlating met Bouterse. Hij leidt tot 1996 de Officiers Sociëteit en het landbouwbedrijf van het leger. Dat jaar vertrekt hij naar Nederland. Niemand van de commandogroep stelt hij op de hoogte. Ook niet buurman Marcel Zeeuw, lid van de groep en jarenlang onder-commandant van de Militaire Politie. Sindsdien heeft hij niets meer van 'de jongens' gehoord.

Hardjo zegt dat hij 8 december betreurt. Maar hoe zit het met andere misdaden begaan door het leger? Met de executie van groepslid Hawker? 'Als je verraad pleegt, kan dat gebeuren. Zo zie ik het. Wat ik wel jammer vind, is dat hierover nooit met de groep is overlegd. Dat gebeurde ook niet met 8 december. Na mijn vrijlating heb ik nauwelijks met de groep over die dag gesproken. Het hield mij bezig, maar ik was bang om dingen op te rakelen.'

De oud-couppleger verontschuldigt zich ook niet voor zijn betrokkenheid bij het militaire bewind. De staatsgreep van 1980 was hard nodig. Daar is hij nog steeds van overtuigd.

'Het is alleen jammer dat onze ingreep zo uit de hand is gelopen. We waren te jong. En politiek niet bewust of geschoold. Het was nooit de bedoeling dat we zo lang de macht zouden houden. We hadden duidelijke afspraken gemaakt. We zouden een einde maken aan corruptie en wanbeleid. Na twee jaar zou de macht aan een burgerregering worden overgedragen. Veel wat er in die jaren is gebeurd, en vooral die 8ste december, heeft niets met een revolutie te maken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden