Suprematie reden voor bezorgdheid

Nog nooit heeft één land het schaatsen zo gedomineerd als Nederland het afgelopen seizoen bij de mannen. Bij de internationale kampioenschappen vielen liefst 17 van de 24 beschikbare medailles aan oranje-rijders ten prooi....

Bij de allrounders dateert die hegemonie niet van vandaag of gisteren. Na 1994, toen Johann Olav Koss zijn goldrush tijdens de Winterspelen in Lillehammer succesvol afsloot, gingen alle wereldtitels naar Nederlandse schaatsers. Het wachten was slechts op het WK waarin Nederland grand slam zou maken. In Göteborg bezetten Romme, Ritsma, Postma en Tuitert de eerste vier plaatsen. Meer is niet haalbaar.

Nieuw is dat Nederland nu ook op de korte afstanden dominante trekjes begint te vertonen. Onder aanvoering van Erben Wennemars werd een geslaagde aanval gedaan op de gevestigde orde. De Amerikaanse sprintelite capituleerde, Shimizu wankelde en alleen Wotherspoon hield zich majestueus staande. De Canadees hoopt nog steeds op zijn eerste olympische goud, maar zijn weg naar Turijn 2006 ligt bezaaid met Nederlandse voetangels.

Hoewel Ard Schenk gelijk heeft dat Nederlanders wel erg snel relativeren bij een overmaat aan internationale successen, ontwikkelt de schaatssport toch voldoende redenen voor bezorgheid. Wanneer één land zo extreem de boventoon voert, werkt dat eerder verlammend dan prikkelend op de concurrentie. Zeker als het verschil in financiële middelen eerder toe- dan afneemt. De vraag is dan ook gerechtvaarigd: is het schaatsen nog wel te redden van deze korfbalisering?

Optimisten zullen erop wijzen dat in post-olympische jaren het land met de breedste top per definitie aan de macht is. Eenlingen als Derek Parra kunnen het zich permitteren in een seizoen na de Spelen enigszins kalmaan te doen. De Amerikaan kwalificeerde zich desondanks probleemloos voor de grote toernooien, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Jochem Uytdehaage die zich alleen voor de vijf kilometer bij de WK afstanden plaatste. Die titel was voor de Utrechtse tweevoudig olympisch kampioen de troostprijs voor een verloren seizoen.

De Nederlandse suprematie zal vermoedelijk niet beperkt blijven tot dit tussenjaar. De belangrijkste reden daarvoor is dat Nederlandse toppers tegenwoordig veel langer doorschaatsen dan in het verleden. De vorstelijke salarissen, die zij sinds de komst van de commerciële ploegen ontvangen, maakt het meer dan verleidelijk een maatschappelijke carrière op de lange baan te schuiven, dan wel het koeienmelken nog een paar jaar uit te stellen.

Toppers uit het verleden, zoals Ard Schenk, Kees Verkerk, Hilbert van der Duim en Leo Visser, schaatsten gemiddeld zeven seizoenen en richtten zich daarna op hun toekomst. Zij namen aan maximaal drie Olympische Spelen deel. Rintje Ritsma en Gerard van Velde waren er in 1992 in Albertville al bij en hopen in 2006 Turijn te halen. Een dergelijk lange schaatscarrière was vroeger alleen voor een vrijbuiter als de sterke Australiër Colin Coates weggelegd.

In het allroundschaatsen speelt Nederland al sinds eind jaren zestig een rol van betekenis, maarnu de generaties over elkaarheen schuiven (Ritsma/Postma plus Romme/De Jong/Uytdehaage plus Tuitert/Van der Rijst) is er echt sprake van overmacht. Die wordt nog versterkt door de opkomst van de sprinters. Jarenlang telde Nederland niet mee op de korte afstanden, omdat iedereen wilde allrounden. Bos, Van Velde en Wennemars behoren nu echter tot de wereldtop en een volgende generatie (o.a. Nijenhuis, De Koning, Olde Heuvel) staan op het punt aan te schuiven.

Meer internationaal gerichte commerciële ploegen zouden wellicht een oplossing kunnen bieden. Maar welk belang heeft een Nederlandse sponsor bij een grotere internationale inbreng? De zakelijke belangen reiken meestal niet verder dan de eigen grenzen. Een poging van Bart Veldkamp om in het seizoen '96/'97 een internationale ploeg op te zetten strandde al na een jaar en TVM stootte na een jaar de Canadese sprintelite alweer af.

Bovendien is Nederland het enige land dat zo ongeveer alle schaatswedstrijden live en integraal uitzendt. Zelfs een skate-off is voor de NOS al reden om op lunchtijd zendtijd vrij te maken. In het buitenland is schaatsen voor de televisie een restsport.

Sympathiek is de suggestie van met name Gerard Kemkers om Nederlandse trainers ontwikkelingshulp te laten verrichten. Maar te vrezen valt dat een dergelijk intitiatief binnen de oerconservatieve Internationale Schaats Unie weinig kans maakt. Ook de nationale schaatsbonden lijken niet te zitten wachten op een rol van Nederland als gidsland.

Interessanter is daarom de kwestie die Ab Krook deze winter opwierp. Hoe komt het toch dat Nederland bij de vrouwen zo matig presteert, vroeg de topsportcoördinator van de KNSB zich hardop af. Want zo verklaarbaar als de suprematie van de Nederlandse mannen is, zo onlogisch is de huidige onmacht van de nationale vrouwen. De Duitse muur viel al in 1989, maar moet in het vrouwenschaatsen nog steeds geslecht worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden