Superman, de blondine en de rabbijn

De Amerikaanse stripkunst en de joodse cultuur zijn sterk verbonden, zo is te zien in een tentoonstelling in het Joods Historisch Museum....

Er staan 34 verschillende omslagen van het boek Kavalier & Clay op de website die gewijd is aan Michael Chabons gelijknamige bestseller. Overal ter wereld zijn mensen te vinden die willen weten hoe de stripheld Superman wordt geboren.

Chabons boek is een gefictionaliseerd relaas over twee mannen die in werkelijkheid Joe Shuster en Jerry Siegel heetten. In 1940 bedachten ze de figuur die afkomstig is van de planeet Krypton en wordt gekenmerkt door een overdaad aan spierballen en naastenliefde. Zonder het te weten schiepen ze een icoon waarop een complete amusementsindustrie zou worden gegrondvest: het is geen vogel, het is geen vliegtuig, het is een man in een blauwe tricot.

Shuster en Siegel waren joods, zoals zoveel kopstukken uit de Amerikaanse stripwereld, en tot voor kort was dat een bijkomstigheid. Maar doordat steeds meer joodse tekenaars het medium gebruiken om over hun dramatische achtergrond te vertellen, is die identiteit relevant geworden. En het is de aanleiding voor een grondige expositie, die onder de titel De Superman au Chat du rabbin eerst te zien was in het Parijse Musée d’art et d’histoire du Judaïsme en vanaf vandaag als Superhelden en Sjlemielen van start gaat in het Joods Historisch Museum te Amsterdam.

De joodse stripgeschiedenis begint bij de immigranten die begin vorige eeuw arriveerden in New York en huisvesting vonden in Brooklyn en de Bronx. Integreren doe je niet abrupt maar geleidelijk, en de taal die deze landverhuizers spraken was aanvankelijk een mengeling van moedertaal en Engels, het Yinglish.

In de vroege krantenstrips speelt wat wij nu ‘inburgering’ noemen, een opvallende rol. Harry Hershfield tekende in 1914 voor de Chicago Evening American een stripje over autohandelaar ‘Abie the Agent’ die een landkaart heeft gekocht om zich te verdiepen in de kersverse Eerste Wereldoorlog. ‘Such a war don’t come every season’. Hij zoekt op de kaart naar België, maar kan het land niet vinden. Zijn zoon, leerling op een Amerikaanse school, heeft er geen moeite mee: ‘Kijk boven Frankrijk!’ Abie voelt zich gekleineerd en is Europa meteen vergeten: ‘Learn treveling salesmens geography!’ en daarmee bedoelt hij de nuttige route van Toledo naar Kenses. De spelfouten zijn opzet.

De Amerikaanse strip zou zijn eerste bloeitijd beleven op de funny pages en in de comic sections van de zondagkranten, waar ook de joodse tekenaars te vinden waren. Maar van een specifiek joodse inhoud was al snel geen sprake meer, kleinburgerlijkheid van onvervalst Amerikaanse snit bleek al komisch genoeg. F. Leipziger tekende voor de Topeka State Journal de strip Doings of the Van Loons, waarin de jurk die mevrouw Van Loon tijdens de Paasdagen wil dragen ernstig in gevaar komt, met een hoop huiselijke bonje als gevolg. Bovenaan de krantenpagina kun je zien hoe haar hoed door een vrachtwagen wordt platgereden: de wraak van de kleine man.

Aan het begin van de volgende wereldoorlog bedachten Siegel en Shuster hun bovenmenselijke Superman, die onmiddellijk inzetbaar bleek als toegevoegde militaire waarde. Op de tentoonstelling hangt een stripverhaal uit het tijdschrift Look waarin hij de speciale opdracht krijgt om een tweetal Europese schurken te gaan vangen, te weten Hitler en Stalin. Dit lukt uiteraard, Superman grijpt ze bij de kladden en vliegt eigenhandig naar Genève waar ze een keurig proces zullen krijgen.

Maar Supermans patriottisme gaat nog veel verder. Op een strippagina die iets verderop hangt, zien we hoe hij de hooggehakte blondine Lily Field over de knie legt en een spanking geeft omdat ze gesuggereerd heeft dat aan het thuisfront wordt vreemdgegaan. Superman noemt haar een saboteur, ‘because of petty jealousy you injure the morale of fighting men and servicing women’.

Superman is een veel gekloonde figuur. Hij kreeg al vroeg gezelschap van Batman en Captain America, later zouden er nog talloze andere men-in-tights bij komen. Scenarist Stan Lee (Stanley Lieber) en tekenaar Jack Kirby (Jacob Kurtzberg) domineerden het superhelden-genre na de oorlog en verrijkten het met de X-men en de Fantastic Four, Spiderman, met de Silver Surfer en de Hulk.

Interessant is dat ze hun joodse identiteit eerst hebben onderdrukt door hun namen te verengelsen en later weer hebben geprofileerd. Een van hun creaties is The Thing, lid van de Fantastic Four, die bestaat uit een massieve hoeveelheid steen. Hij werd bedacht in 1961, maar decennia later onthulde Stan Lee dat dit ding ooit een mens was geweest die Benjamin Jacob Grimm heette. Door anderen is opgemerkt dat deze stenen man doet denken aan de lemen man oftewel de Golem, een mythische joodse figuur bij uitstek.

De ondertitel van Superhelden en Sjlemielen luidt: ‘Joodse herinnering in de stripkunst’. De sleutelfiguur in het verstrippen van die herinnering is natuurlijk Art Spiegelman. In 1994 wijdde het Joods Historisch Museum al een grote tentoonstelling aan Maus – a survivor’s tale, waar het accent vooral lag op de moeite die het Spiegelman gekost heeft om een passend idioom te vinden voor het verbeelden van zijn vaders ervaringen in het concentratiekamp. Hij bedacht katten voor de nazi’s en muizen voor de joden, geïnspireerd door de beroemde dierenstrip La bête est mort! uit 1944, waarin tekenaar Edmond-François Calvo de nazi’s een wolvengedaante geeft.

Spiegelman heeft veel veroorzaakt met zijn boek. Hij zorgde met Maus voor een doorbraak van de graphic novel, die eind jaren zeventig (zie kader) al door Will Eisner op de kaart was gezet.

En hij maakte het voor andere joodse tekenaars mogelijk om zelf ook hun verhouding tot de Shoah in beeld te brengen. Het Joods Historisch Museum introduceert drie tekenaars die hun ervaringen (of die van hun ouders) beschrijven en illusteren: Bernice Eisenstein, Miriam Katin en Martin Lemelman.

Het boek van Eisenstein is in het Nederlands vertaald als Ik was een kind van Holocaust-overlevers en gaat over de kloof die gaapt tussen haar ouders, die ‘het’ hebben meegemaakt, en de jonge Bernice die geen deelgenoot kan zijn. Op een prachtige tekening zien we haar als De Denker op een berg woorden zitten terwijl ze peinst: ‘Ik ben verdwaald in herinneringen. Het is geen plek die in kaart is gebracht, er zijn geen lengte- en breedtegraden. Elke keer dat ik er terugkom is het anders.’

Maar haar tekeningen zijn fixaties, daar legt ze mee vast wat het meeste indruk op haar heeft gemaakt en daarmee communiceert ze ook met haar lezers wat het betekent om een tweede generatie-kind te zijn. Zo heeft ze alsnog een ‘deelgenootschap’ weten te bereiken.

In de introductie tot de tentoonstelling schrijft het Joods Historisch Museum: ‘De strip is niet het unieke terrein van joodse kunstenaars, maar de tentoonstelling toont wel aan dat er een specifieke historische band bestaat tussen de stripkunst en de joodse cultuur.’ Het zou correcter zijn om te stellen dat er een band bestaat tussen de Amerikáánse stripkunst en de joodse cultuur, want in Europa is die relatie schraal.

Er zijn wel enkele Europese tekenaars in de tentoonstelling opgenomen die een joods stempel op hun werk drukken, met de jonge Fransman Joann Sfar als belangrijkste vertegenwoordiger.

Van zijn serie De kat en de rabbijn zijn al vijf albums in het Nederlands vertaald. Bij Sfar gaat het echter niet om persoonlijke herinneringen, maar om de geestrijke conversaties tussen een kat die ooit een papegaai heeft opgegeten (waardoor hij kan praten) en een rabbijn. Zegt de kat: ‘Ik vraag u een beeld van God te laten zien.’ Antwoordt de rabbijn: ‘God, dat is een woord!’

Het inlijven van de strip bij de joodse cultuur gaat niet zonder slag of stoot. Bij de Franse pendant van de tentoonstelling verscheen bij wijze van catalogus een krant waarin Ben Katchor, tekenaar van de striproman The Jew of New York, zeer kritisch is over het toekennen van een joodse identiteit aan Amerikaanse strips. ‘Het probleem is dat je de joodse cultuur beperkt als je hem alleen definieert in relatie tot Shoah, zionisme en godsdienst. Zodra je jezelf als jood neerzet, gaat men ervan uit dat je religieus en/of zionist bent. Maar ik ben het een noch het ander en mijn belangstelling geldt meer de historische en linguïstische kant. Het idee van een joodse cultuur en van raciale zuiverheid is uitgevonden door de nazi’s. Er bestaan geen zuivere culturen en rassen.’

Er is één joodse tekenaar die op de tentoonstelling ontbreekt, en dat is de Nederlander Jo Spier. In 1978 publiceerde hij het boek Dat alles heeft mijn oog gezien. Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt 1942-1945 en daarmee lijkt hij heel goed in het rijtje Eisenstein-Katin-Lemelman te passen.

Het probleem is dat Spier een nogal opportunistische houding innam tegenover de bezetter. In 1939 belandde hij in Westerbork na het maken van een spotprent van Hitler, maar later raakte hij bevriend met Mussert en nog weer later maakte hij 322 scènetekeningen voor de Duitse propagandafilm Theresienstadt: Ein Dokumentarfilm aus dem jüdischen Siedlungsgebiet, waarvan een fragment op YouTube is te zien. Na de oorlog bleef Spier zoveel last houden van alle collaboratie-verwijten, dat hij emigreerde naar Amerika. Toen nog het land van de onbegrensde stripverkopen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden