Sukarno's magische formule is dogmatisch keurslijf geworden

Aan de vooravond van de Indonesische onafhankelijkheid ontwierp Sukarno een nationale filosofie waarin alle Indonesiërs, van welke etnische of religieuze groepering ook, zich moesten kunnen vinden....

MARIANNE BOISSEVAIN

Van onze verslaggeefster

Marianne Boissevain

JAKARTA

Pancasila - het woord riekt naar magie, naar oosterse wijsheid. 'Het geloof in een almachtige godheid; een rechtvaardige en beschaafde mensheid; nationale eenheid; een overlegdemocratie; sociale rechtvaardigheid.' Dat zijn de vijf 'zuilen' van de Pancasila, de filosofie die de grondslag is van de Indonesische staat.

Op het eerste gezicht zijn het zulke fraaie, algemene doelstellingen dat geen mens er bezwaar tegen kan maken. Al zullen vrijdenkers en aanhangers van natuurgodsdiensten er moeite mee hebben het geloof in een almachtige godheid te belijden. Voor hun is in Indonesië inderdaad geen plaats. 'Wie niet in god gelooft, moet dat maar voor zich houden', is steevast het antwoord als je ernaar vraagt.

Op hun eerste schooldag moeten kinderen niet alleen naam, adres en geboortedatum opgeven, maar ook hun godsdienst. 'Geen' wordt niet geaccepteerd als antwoord, en ook openlaten is niet toegestaan. Voor kinderen zonder geloof zit er niets anders op dan zichzelf van een vals label te voorzien.

Dit gesjoemel aan de voet van de eerste zuil doet het ergste vrezen voor de vier andere steunpilaren van de Indonesische natie. 'Een hol vat' noemde de Nederlandse hoogleraar Van der Kroef de Pancasila eens smalend. En aan de Amerikaanse universiteiten beschouwt men de Indonesische staatsfilosofie als een mengelmoesje van oude en nieuwe bezweringsformules, dat eenstemmigheid moet suggereren om feitelijke tegenstellingen aan het zicht te onttrekken.

Oud-minister Roeslan Abdulgani, tot voor kort Suharto's hoogste adviseur in Pancasila-vraagstukken, verweert zich blijmoedig tegen deze kritiek. 'De Pancasila is geen tovermiddel voor alle kwalen. Het is een synthese van de drie voornaamste politieke stromingen in het moderne Indonesië: het nationalisme, het islamisme en het marxisme. Het marxisme is ontdaan van zijn atheïstische grondslag en de theorie van de klassenstrijd. Het islamisme is ontdaan van zijn antimarxisme en zijn antinationalistische tendens. En het nationalisme is ontdaan van zijn bekrompenheid.'

Sukarno probeerde al in de jaren twintig deze rivaliserende stromingen in de nationalistische beweging tot een eenheid te smeden, zegt Abdulgani. Maar dat was niet tot genoegen van de Nederlandse gouverneurs-generaal, die de charismatische Sukarno eerst naar de gevangenis en later in binnenlandse ballingschap stuurden. Uit die ballingschap zou hij pas door de Japanners worden bevrijd.

'Ondanks onze verzoeken hadden de Nederlandse kolonialen ons nooit een eigen militie willen geven', zegt Abdulgani, 'en daarom waren wij overgeleverd aan de Japanners. Wij hadden geen andere keus dan met hen te onderhandelen. De Japanners wilden honderdduizenden romusha's (Indonesische dwangarbeiders), en ze wilden onze rijst en de juwelen van onze dames. Sukarno en Hatta moesten ervoor zorgen dat de Japanners kregen wat ze wilden, die werden daartoe uit hun ballingsoord gehaald. In ruil voor hun medewerking verlangden de nationalistische leiders een militaire training voor Indonesische eenheden èn een Indonesisch burgerlijk bestuur.

'In 1944-'45 werden de Japanners overal gebombardeerd, ze moesten zich terugtrekken. Toen zeiden ze: wij geven jullie de vrijheid, maar dat moeten jullie wel goed voorbereiden. Ze benoemden een ''commissie van onderzoek ter voorbereiding van de onafhankelijkheid'' onder leiding van de Javaanse filosoof Radjiman Wediodiningrat. Op 29 mei 1945 vroeg Radjiman zijn commissieleden: Wat moet straks de filosofische grondslag zijn van onze merdeka? Want als reactie op de koloniale verdeel-en-heerspolitiek stond het streven naar nationale eenheid en identiteit voorop. Niemand durfde te antwoorden. Hatta en anderen waren bang dat de islamieten een islamitische staat zouden willen.

'Op 1 juni zou Sukarno het woord voeren in de commissie. De nacht tevoren kon hij de slaap niet vatten. Tegen middernacht zei hij tegen zijn vrouw, Fatmawati: ''Wat moet ik morgen zeggen? Ik ga God om hulp vragen.'' En hij ging in de tuin wandelen. Na een uur kwam hij terug - hij wist het antwoord. De volgende dag hield hij de beroemde toespraak waarin hij de Pancasila ontvouwde.'

'Heren', zei Sukarno tot de commissieleden, 'samen moeten wij zoeken naar een gemeenschappelijk filosofisch fundament - geen compromis, maar iets waarover we het allemaal eens zijn. Wat is dat? Het eerste principe is dat van het nationalisme.' Geen Javaans of Sumatraans nationalisme, maar een Indonesisch nationalisme 'van het noordelijkste puntje van Sumatra tot Papua'. Maar dit nationalisme mocht niet ontaarden in chauvinisme. Het vrije Indonesië moest deel uitmaken van de 'family of nations'. Het tweede principe was dan ook 'internationalisme' (later geformuleerd als: 'een rechtvaardige en beschaafde mensheid').

Vervolgens zei Sukarno dat de beste vorm van bestuur een representatieve regering op basis van overleg zou zijn. In zo'n samenleving zou de islam volgens hem het best gedijen. 'Als het Indonesische volk voor het grootste deel uit moslims bestaat, laten wij leiders het hele volk dan opwekken zo veel mogelijk islamitische afgevaardigden naar dit vertegenwoordigende lichaam te sturen. Dan zullen de wetten die daar worden opgesteld natuurlijk ook islamitische wetten zijn', zo trachtte Sukarno het streven naar een islamitische staat de wind uit de zeilen te nemen.

Het vrije Indonesië mocht geen armoede kennen, daarom moest het vierde principe luiden: sociale gerechtigheid.

Sukarno's machtigste wapen tegen de aanhangers van de islamitische staat was echter: het geloof in één god. 'Niet alleen moet het volk van Indonesië in god geloven, maar elke Indonesiër moet in zijn eigen speciale god geloven. Indonesië zal een staat zijn waar eenieder in vrijheid god kan aanbidden'.

Er is nog stevig over gesteggeld voordat het godsgeloof - inmiddels tot eerste 'zuil' gepromoveerd - met de rest van de Pancasila werd opgenomen in de preambule van de grondwet. Er waren islamitische leiders die hadden willen vastleggen dat alle moslims zich aan hun godsdienstige wetten dienden te houden, en er waren er die eisten dat de president een moslim moest zijn. Maar daartegen rees protest van de hindoes uit Bali en de christenen uit Sumatra, Manado en de Molukken, die niets voelden voor een republiek waarin zij tweederangs burgers zouden zijn. Daags voor de stemming over de nieuwe grondwet, 18 augustus 1945, zegden Sukarno en Hatta de islamisten de wacht aan. 'Ik ben zelf islamiet', zei Sukarno volgens Abdulgani, 'maar als wij hierover morgen verdeeld raken, sta ik niet aan uw kant.'

Nog altijd wordt Sukarno's toespraak van de eerste juni aangehaald als de autentieke exegese van de Pancasila. Want dat de interpretatie van de vijf zuilen de afgelopen vijftig jaar radicaal is veranderd, kan Abdulgani niet ontkennen. Het was Sukarno zelf die in 1959 een totaal andere invulling gaf aan het principe van de overlegdemocratie, toen hij de eerste democratisch gekozen volksvertegenwoordiging van Indonesië ontbond.

'Sindsdien wordt de vierde zuil niet meer geïnterpreteerd als democratie, maar als consensus', zegt de Indonesische grondwetdeskundige Adnan Buyung Nasution. 'Er is geen ruimte meer voor verschillen van inzicht of conflicten, voor oppositie en stemmen-tellen. Maar musyawara betekent niet dat iedereen het met elkaar eens moet zijn, het betekent delibereren, onderhandelen, vergaderen, discussiëren. Het is natuurlijk mooi als iedereen het eens is, maar zo niet dan moet je beschikken over een stemprocedure, zodat je tot een meerderheidsbesluit kunt komen. Zo is de Pancasila immers zelf ook aangenomen - er is langdurig over gediscussieerd, er is aan gesleuteld en uiteindelijk waren er nog tegenstemmers ook.'

Een politiek leider die tegenwoordig nogal te lijden heeft onder de beperkingen van de 'Pancasila-democratie' is, ironisch genoeg, een van Sukarno's dochters, de 48-jarige Megawati Sukarnoputri. Ondanks heftige manipulaties van regeringszijde is ze in december 1993 gekozen tot voorzitter van de Partai Demokrasi Indonesia (PDI), de kleinste van de drie legale politieke partijen. Sindsdien zijn de regering en de legerleiding blijven stoken, in de kaart gespeeld door onderlinge rivaliteit in de PDI.

Volgens Megawati is dat gestook een voorschotje op de verkiezingsstrijd van 1997, wanneer twintig miljoen jonge Indonesiërs voor het eerst een stem te vergeven hebben. 'Tenslotte hebben alle drie de partijen dezelfde kansen om deze nieuwe kiezers voor zich te winnen', zegt ze in haar smaakvol ingerichte villa op een lommerrijke heuvel in het zuiden van Jakarta. Maar ze is niet van plan de regering en de militairen tegen zich in het harnas te jagen en geeft slechts met tegenzin antwoord op vragen over haar problemen.

Is het bijvoorbeeld niet raar dat zij als leidster van een volkomen legale partij iedere keer om vergunning moet vragen als ze haar aanhangers ergens in den lande wil toespreken? 'U vindt dat raar - ik ook', giechelt ze. Het lijkt wel of de regering bang voor haar is. 'Is dat zo?' Nou, als die haar zoveel beperkingen in de weg legt. . . 'Ha ha, dat is ùw antwoord, niet het mijne.'

Volgens sommige politieke waarnemers maakt de regering zich zorgen over een mogelijke samenwerking tussen PDI-leidster Megawati en Abdurrahman Wahid, de leider van de 34 miljoen leden tellende islamitische organisatie Nahdatul Ulama. Samen zouden ze een zeer machtige combinatie vormen. 'Het is een feit dat ik Gus Dur heel goed ken', zegt Megawati, de moslim-leider bij zijn populaire bijnaam noemend. 'U moet weten dat mijn vader en zijn grootvader al vóór onze onafhankelijkheid de beste vrienden waren. Ik vraag me af waarom iedereen mij vragen stelt over onze vriendschap. Inderdaad, sinds de Nahdatul Ulama zich in 1984 heeft losgemaakt uit de moslim-partij, de PPP, zijn de leden vrij te stemmen op wie ze willen. En nu zitten sommige leden van de Nahdatul Ulama bij de PDI - maar dat was vóórdat ik voorzitter werd ook al het geval.'

Ze vertelt hoe ze al vroeg vertrouwd raakte met de politieke discussie. Niet alleen haar vader, 'maar mijn hele familie, mijn overgrootvader, mijn grootmoeder, en ook mijn oom, mijn tante - iedereen deed aan politiek'. Azië telt al heel wat presidentsdochters die op hun beurt president zijn geworden: Indira Gandhi, Benazir Bhutto, Chandrika Kumaratunga. Ziet Megawati Sukarnoputri zichzelf nog eens tot hun gelederen toetreden? Ze giechelt weer. 'Dat is een kwestie die helemaal afhangt van het Indonesische volk. Dat is mijn antwoord.'

De vorige afleveringen in deze serie zijn verschenen op 1, 3, 7, 8, 10, 14 en 16 augustus.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden