Succesvol steunbeleid EU ter discussie

Brussel discussieert over de vraag hoe de EU straks de nieuwe, arme lidstaten financieel gaat steunen. Het huidige ruimhartige beleid zal moeilijk vol te houden zijn....

Wie de laatste tien jaar niet op het platteland van Spanje is geweest, moet hoognodig eens gaan kijken. De bezoeker zal versteld staan van de rap toegenomen rijkdom. Dat is voor een groot deel te danken aan de Europese Unie. Maar de vraag is of de EU haar vrijgevigheid kan blijven opbrengen als in 2004 een stuk of tien veel armere landen lid worden.

Die discussie is in alle hevigheid losgebarsten in Brussel. De Europese Commissie presenteerde onlangs een rapport waarin ze verslag uitbracht van de successen van het steunbeleid. Ook bekeek ze wat er moet gebeuren ná 2004: kunnen dan ook landen als Polen en Estland profiteren van de royale financiering uit Brussel?

De cijfers spreken voor zich: elk jaar maken de rijke lidstaten nu nog ongeveer 33 miljard euro over aan hun armere collega's. Daarmee is het steunbeleid een van de belangrijkste onderdelen van de Unie; niet alleen in financiële termen (slechts aan landbouw wordt meer uitgegeven), maar ook omdat die grote kapitaalstromen de interne solidariteit van de Unie symboliseren.

Het beleid is ook succesvol. Kijk naar Ierland: dat land behoorde in 1988 nog tot de armste in de EU, met een gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking dat op 64 procent van het gemiddelde van de EU lag. Inmiddels is dat 119 procent, een percentage dat overigens betekent dat Ierland binnenkort ook mag gaan meebetalen aan de begroting. Spanje, Portugal en Griekenland profiteren eveneens van dit zogeheten structuurbeleid.

De EU onderhandelt nu met twaalf landen over toetreding. Negen van die twaalf zitten op een gemiddeld inkomen van 41 procent van de EU. Drie van de twaalf (Cyprus, Slovenië en Tsjechië) zijn ongeveer zo rijk als de drie armste huidige EU-leden: Portugal, Spanje en Griekenland (87 procent van het EU-gemiddelde).

De politieke discussie vloeit rechtstreeks voort uit deze cijfers: de huidige ontvangers zijn benauwd dat de toetreding van een hele reeks armere landen ten koste gaat van hun subsidies. De Commissie beaamt dat dat een reële mogelijkheid is. Het belangrijkste criterium voor de ontvangst van steun is dat in principe elke regio in aanmerking komt waar het inkomen minder dan 75 procent van het EU-gemiddelde bedraagt. Aangezien het gemiddelde EU-inkomen na de toetreding met 13 tot 18 procent zakt, zal een aantal regio's die nu nog steun ontvangen, daar in de toekomst niet meer voor in aanmerking komen.

De rijke landen, Nederland en Duitsland voorop, vinden dat de huidige lidstaten eigenlijk allemaal al te rijk zijn voor steun. Ze willen het criterium voor de hulp veranderen. Niet langer moet de rijkdom of armoede in een regio bepalend zijn, maar de rijkdom of armoede van het hele land. Het huidige beleid, zegt onder meer staatssecretaris Benschop van Buitenlandse Zaken, legt een premie op de slechte verdeling van middelen in een land. Als bijvoorbeeld Spanje ervoor kiest om zijn economische groei in de regio rond de grote steden aan de kust en in Madrid te concentreren, hoeft de EU niet mee te betalen aan de achterblijvende ontwikkeling in Extremadura of Andalusië.

De rijke landen willen een einde maken aan het rondpompen van middelen, waarvan op dit moment nog bijvoorbeeld Flevoland profiteert, en het uitsluitend toebedelen aan de arme landen, die dan voor een groot deel zelf kunnen uitmaken hoe ze het in eigen land willen verdelen. Anders gezegd, regiobeleid moet niet in Brussel worden gemaakt, maar in de lidstaten zelf.

Dat Spanje, Portugal en Griekenland voor het behoud van hun subsidies vechten, is vanzelfsprekend. Ook de Europese Commissie wil het huidige beleid handhaven. De kandidaat-lidstaten op hun beurt zien met lede ogen toe hoe hun rechten uitgekleed dreigen te raken.

De Commissie gaat ervan uit, terecht volgens de meeste economen, dat landen niet meer subsidie kunnen krijgen dan 4 procent van hun eigen bruto nationaal product. Een hoger bedrag zou de economische onafhankelijkheid bedreigen. Vanwege de relatieve armoede betekent die grens echter dat de kandidaat-lidstaten hooguit 137 euro per inwoner aan steungelden kunnen tegemoet zien, terwijl Spanje, Portugal, Ierland en Griekenland nu nog 231 euro per inwoner ontvangen.

Volgens Brusselse diplomaten moet de discussie rond de steungelden niet los gezien worden van het debat over de landbouwsubsidies, dat ook al op dit moment gevoerd wordt. Ook in dit debat dreigen de kandidaat-lidstaten achtergesteld te worden bij de huidige leden van de EU. 'Het platteland van Polen zal niet zo snel een metamorfose doormaken als dat van Spanje', concludeert een diplomaat. 'De kandidaat-lidstaten zullen in financieel opzicht niet meteen volwaardig lid zijn. Dat is gewoon onbetaalbaar.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden