Succes is een vijand

Dode schrijvers worden vergeten of gecanoniseerd, wat veelal neerkomt op een beleefde vorm van vergeten. Men roemt het talent van de schrijver, zijn belang voor het vaderland en de literatuur, maar men zwijgt discreet over wat er eventueel controversieel of onaangenaam zou kunnen zijn aan het werk van de schrijver.


Stefan Zweig is een van de weinige schrijvers die ruim zestig jaar na zijn dood nog altijd voor heftige bijval en niet minder heftige kritiek weet te zorgen.


'De grote drie', over wie in Nederland al decennia wordt gesproken, is een staaltje van canonisering voor de dood. Wellicht vleiend voor de betrokkenen, maar uiteindelijk fataal; canonisering is een wurgslang. Waar heilig is verklaard hoeft niet meer gelezen te worden. De dood van Mulisch illustreert dit: in de diverse necrologieën werd haast meer aandacht besteed aan de publieke figuur, die Mulisch ook was, dan de schrijver. Zijn kleding, zijn vriendschappen, zijn liefde voor dieren, zijn eetclub.


Duiding is voor academici, wij brengen de volksschrijvers terug tot een niveau waarbij niemand zich buitengesloten hoeft te voelen - want dat is tegenwoordig de ware zonde - zodat er van de schrijver weinig anders overblijft dan een soort voetballer die niet kon voetballen maar desalniettemin toch regelmatig op tv mocht verschijnen.


Ik vrees dat het lot van de grote drie weldra te vergelijken zal zijn met dat van de Vijftigers of de Tachtigers. De min of meer gecultiveerde Nederlander kent de verzamelnaam nog, zonder te willen weten wat zich daarachter schuilhoudt.


Hoeveel kritiek ik ook op sommige van hun boeken mag hebben, Reve, Hermans en Mulisch hebben een beter lot verdiend. Van ieder van hen heb ik een boek uitgekozen dat tot het beste behoort van wat zij hebben geschreven, dat misschien wel hun beste boek is. Dat die boeken uit het begin van hun schrijverschap stammen, zal geen toeval zijn. De schrijver kent twee vijanden: gebrek aan succes en succes. Het laatste is misschien nog een grotere vijand dan het eerste.


Reves vaak aangehaalde opmerking dat hij een winkel heeft, is een mooi voorbeeld van Reves zelfironie, maar ook een vorm van cynisme tegenover datgene waarover de schrijver nu juist nooit cynisch zou mogen zijn: het eigen werk.


De ondergang van de familie Boslowits van Reve, voor het eerst verschenen in 1949, is het verslag van de fascinatie van de verteller Simon voor drie leden van het gezin Boslowits, de gehandicapte vader Hans, zijn zoon Hansje en het broertje van Hansje, Otto, een jongen die wordt omschreven als 'een beetje achterlijk'.


De novelle begint enkele jaren voor de oorlog op een kinderfeestje waar Simon in contact komt met de familie Boslowits. Over de gehandicapte vader schrijft Reve: 'Ik verlangde zeer het vertrek van de zieke man gade te slaan, want ik had hem door twee gasten zien binnendragen en dat schouwspel had mij geboeid.' Deze zin is kenmerkend voor de toon van de novelle en misschien ook voor Reve zelf.


Het schouwspel mag voor de betrokkenen onaangenaam zijn, het mag hun ondergang zijn, maar de verteller observeert met een koele concentratie, alsof de werkelijkheid zelf weinig meer is dan een bron van esthetisch genot.


Maar door zich obsessief te concentreren op het verval van de mens, zijn ziektes, zijn lelijkheid, zijn tekortkomingen, ontstijgt het observeren de kilte en wordt het iets wat ik sadistische betrokkenheid zou willen noemen.


De obsessies met de lelijkheid van de mens is iets wat Reve met Hermans deelt. In De donkere kamer van Damokles schrijft Hermans over het personage Ria: 'Haar tanden vormden geen sieraad van de mond, of zelfs maar een wapen, maar eerder de afsluiting ervan, iets als de knip op een portemonnaie.'


Bij Reve ligt het accent op de erotiek van de tekortkoming. Over de achterlijke Otto schrijft hij bijvoorbeeld: 'Zijn neus was rood en vochtig en de punt droeg een klein, geel puistje.' Iets in deze zin en de context waarin die staat geeft de lezer het gevoel dat Simon deze neus zou willen aanraken en misschien zelfs meer dan dat: beminnen. Bij Hermans ligt het accent op de walging, hoewel ook walging erotisch kan zijn.


Zoals vaker bij Reve het geval is, is van plot ternauwernood sprake, de plot zit in het feit dat de verteller, een kind nog, zij het een vroegrijp kind, de contouren beschrijft: de oorlog komt en hoewel de familie Boslowits wellicht ook zonder nazi's ten gronde zou zijn gegaan, worden ze door de Duitsers langzaam maar grondig vermalen.


Over die oorlog schrijft Reve: 'Het mooist zou ik korte, maar hevige straatgevechten hier in de stad vinden,' zei ik. 'Zo van raam tegenover raam, met handgranaten en witte vlaggen, maar niet langer dan twee dagen, want dan verveelt het weer.'


Een zin die de kracht én de zwakte van Reve vertegenwoordigt. De ironische weemoed, superieur verwoord, maar ook hier al het vermoeden van een alles overheersende verveling. Het gevaar van de observator is dat hij dédain gaat vertonen voor de werkelijkheid die hij observeert, dat die werkelijkheid hem verveelt of beangstigt, wat misschien hetzelfde is, en dat hem uiteindelijk nog maar een lot waarlijk tragisch schijnt: zijn eigen.


In het voorjaar van 1961 reisde Harry Mulisch naar Jeruzalem om voor Elseviers Weekblad het proces tegen Adolf Eichmann te verslaan. De reportages die Mulisch schreef over deze zaak bundelde hij onder de titel De zaak 40/61. In een voorwoord noemt hij dit 'het verslag van een ervaring'.


De reportages zijn uitmuntend geschreven: 'Het is warm en Eichmanns verkoudheid is eindelijk over, de witte zakdoek blijft vandaag in zijn linker binnenzak. ''Hij is genezen'', zeggen wij tegen elkaar.'


Hannah Arendts boek Eichmann in Jeruzalem is beroemder, maar niet noodzakelijkerwijs beter. Haar ambitie was anders, zij wilde de vernietiging van het Europese Jodendom en de rol die de diverse Joodse raden bij die vernietiging hebben gespeeld in kaart brengen. Mulisch wilde, zoals hij aangaf in zijn voorwoord, verslag doen van een ervaring. En inderdaad zijn die stukken waarin het om zijn ervaring gaat het indrukwekkendst. Maar ook het meer zakelijke verslag van de carrière van Eichmann blijft boeien. Zo was ik vergeten, of had ik verdrongen, dat Eichmann in 1937 Hebreeuwse les nam bij een rabbijn. Tegen de zin in van Heydrich, baas van de SD, die zich afvroeg of een nazi wel iets van een Jood kon leren. Maar 'Eichmann ging vlijtig voort, zich op eigen houtje te ontwikkelen tot een specialist in joodse zaken.' Hij richtte een 'joods museum' in voor de SD en 'las alles wat los en vast zat over het jodendom'.


Aangezien de naam Eichmann nog regelmatig in polemieken en columns opduikt, zou men er goed aan doen dit boek te lezen om te weten naar wie men eigenlijk verwijst.


Echt huiveringwekkend wordt De zaak 40/61 waar Mulisch Eichmann verbindt met schrijverschap in het algemeen en zijn eigen schrijverschap in het bijzonder. In het hoofdstuk 'De gruwel en zijn afbeelding' stelt Mulisch dat grote kunstenaars het nazisme voorvoelden. Goethe in zijn Faust bijvoorbeeld, E.T.A. Hoffmann, Breton, De Sade, Heinrich Mann in Professor Unrat.


'In hoeverre is de afbeelding van gruwel de oorzaak van gruwel?' vraagt Mulisch, een eeuwig actuele vraag.


Hij verklaart zich solidair met Breton, die met revolvers de straat oplopen als een daad van surrealisme zag, met De Sade, met Hoffmann: 'Zelf heb ik eens geschreven, dat ik afstam van een volk 'dat zich placht te vermaken door zuigelingen in de lucht te werpen en deze op de punten van hun sabels op te vangen', - daarmee ben ik nog steeds geen nazi, maar nog altijd een schrijver (die zich van zijn romantische kant laat kennen).'


Later stelt hij over voornoemde schrijvers: 'Hun talent heeft hen gered.' Daarbij dacht hij, daaraan twijfel ik niet, ook aan zichzelf.


Eichmann noemt hij het verschil 'tussen de kunstenaar en de moordenaar'.


In een latere reportage, van 23 september 1961, schrijft hij: 'Eichmann is mijn vader.'


Deze zin, sleutel tot een schrijverschap, is voor zover ik weet in geen necrologie genoemd. We willen de volksschrijver wel uitzwaaien op zijn begrafenis, maar we wensen bij voorkeur niet na te denken over zijn werk.


Arthur Muttah, de held uit Hermans' roman De tranen der acacia's, woont samen met zijn zus, Carola, en zijn grootmoeder, die een spiritistische praktijk heeft, op twee verdiepingen in Amsterdam. De grootmoeder, die haar geld in contanten verstopt heeft in haar bed, licht haar kleinzoon in dat zijn moeder niet de dochter is van zijn grootvader maar van een Jood en zijn vader die in Brussel zit is ook 'een jood, een vette jood, een stinkjood.'


Carola houdt er een intieme relatie op na met een hoge Duitse officier, maar heeft ook een verhouding met de verzetsman Oskar Ossegal. Deze Oskar is getrouwd met de Tsjechische Andrea Corvàc, die op haar beurt een buitenechtelijke relatie heeft met Arthur Muttah.


Oskar weet van Andrea's ontrouw maar hij lijkt er boven te staan: 'Hij daarentegen had zich nimmer opgewonden wanneer hij háár betrapte. Hij had altijd zijn mond gehouden en gedacht: Nu denkt zij: 'ach, Oskar kijkt naar mij met een blik zo trouw als goud en ik doe niets dan de libido, waar hij recht op heeft, aan anderen verspillen.' Arthur lijkt meer van Oskar te houden dan van Andrea, maar bovenal veracht hij zijn zus en zijn grootmoeder.


Als het zuiden van Nederland is bevrijd vlucht Arthur door de linies naar Brussel, waar zijn vader met zijn nieuwe familie woont. Wegens geldgebrek kan de vader Arthur niet lang opnemen. Hij zegt tegen zijn zoon: 'De oorlog is de enige leerschool voor het leven waar men werkelijk wat leert! Wie geen oorlog heeft meegemaakt, heeft niet geleefd.'


Zijn vader regelt voor Arthur een nieuwe identiteit, die van een vermoorde Antwerpse Jood, Joseph Mencken, daardoor kan hij als tolk dienst nemen bij de Britse troepen in Duitsland.


Niet lang daarna keert hij terug naar Brussel, hij begint een verhouding met de Joegoslavische prostituee Maritza, die hij tot bloedens toe verwondt. De slotzin van het boek is gewijd aan Maritza: 'Zij wist van weerzin niet wat zij moest doen.'


Hermans schreef dit boek van 16 mei '46 tot 4 juni '48. Als Mulisch gelijk heeft dat sommige kunstenaars het nazisme voorvoeld hebben, dan heeft Hermans met deze roman het tijdperk voorvoeld dat begon toen het Derde Rijk instortte en dat nog altijd voortduurt.


Oorlog is onze leerschool, vrede het pauzenummer. De lezer voelt dezelfde weerzin als de hoer Maritza. De tranen der acacia's verbeeldt het gruwelijke subliem; zestig jaar na zijn verschijnen is De tranen der acacia'snog steeds choquerend.


In De zaak 40/61 schrijft Mulisch dat sommige mensen genoeg hebben van de gruwelijke verhalen over de oorlog, dat weten ze nu wel. Over hen schrijft Mulisch: 'Het kan niet geweten worden. En in de luisteraar, die oog in oog staat met een verhaal dat een komedie maakt van zijn eigen ernst, ontwaakt wrok.'


Als Hermans, Mulisch en Reve geen wrok meer veroorzaken bij de hedendaagse lezer kan dat alleen maar betekenen dat hun beste boeken niet meer gelezen worden.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden