Studiehuis vraagt tijd en inzet

Bij de invoering van het studiehuis in 1997 is door de overheid onvoldoende geld beschikbaar gesteld en te weinig tijd uitgetrokken....

HET artikel van Ton van Haperen onder de kop 'Onderwijsvernieuwing blijkt een grote leugen' (Forum, 18 april) bevat een aantal storende onjuistheden. Het beeld dat hij schetst is een karikatuur van het onderwijs in de bovenbouw van havo en vwo na invoering van de tweede fase. Zijn argumentatie is onvolledig en onnauwkeurig en doet geen recht aan de stand van zaken. De invoering van het studiehuis is niet mislukt, maar nog in volle gang.

Zoals bij elke vernieuwing vraagt dat tijd en inzet. Belangrijk is dat alle betrokkenen oprecht bereid zijn de vernieuwing een kans te geven. En dat is helaas niet altijd het geval. Op de eerste plaats wordt de rol van de leerling in het leerproces groter. Voor docenten betekent dat verdieping in nieuwe en andere didactieken en leerstrategieën.

Van Haperen merkt terecht op dat de overheid naliet om middelen beschikbaar te stellen voor extra scholing, aanpassingen van gebouwen en vermindering van het aantal lesuren. Dat dit heeft geleid tot veel teleurstelling en onverschilligheid ten aanzien van de tweede fase, mag duidelijk zijn. Ook de haast waarmee de toenmalige staatssecretaris Netelenbos de wetswijziging in 1997 door de Kamer joeg, was onverantwoord, om niet te zeggen kwalijk. Staatssecretaris en Tweede Kamer negeerden de kritiek dat er veel meer geld en tijd nodig was om docenten en uitgevers voor te bereiden en gebouwen aan te passen.

Nog erger maakte haar opvolgster Adelmund het toen zij, na een protestactie van scholieren in december 1999, met overhaaste maatregelen kwam die een bom legden onder de goedwillende scholen die de tweede fase hadden ingevoerd en er vaak al in 1998 mee waren begonnen. Het kwam niet bij haar op om te overleggen met scholen en beleidsontwikkelaars om te kijken of haar maatregelen wel het gewenste effect zouden hebben.

Adelmund trof vooral veranderingsgezinde docenten; zij werden door leerlingen en sommige docenten gezien als uitslovers. Voor de tweede keer tijdens het invoeringstraject gaven ministerie en parlement blijk van minachting voor het veld. De demotivatie was dan ook enorm en de naweeën zijn nog merkbaar.

De overheid heeft veel goed te maken. Maar dat betekent geenszins dat de invoering van de tweede fase als mislukt mag worden beschouwd. Dagelijks zetten docenten er wel degelijk de schouders onder, ze volgen studies, maken zelf lesmateriaal en op maat gesneden studiewijzers, overleggen, geven workshops, doen aan intervisie etc. etc.

Maar er is ook een tweede probleem dat niet op de overheid kan worden afgewenteld. Een nogal substantieel deel van de docenten is niet geïnteresseerd in verandering. Vaak zijn het teleurgestelde cynici die het adagium huldigen: 'het zal mijn tijd wel duren'. Om diverse redenen houden zij inhoudelijke veranderingen tegen. Leeftijd speelt daarbij een belangrijke rol. Het betreft in meerderheid vijftigplussers. Zij zijn bang dat hun vrijheid en autonomie in het gedrang komt. Er moet immers overlegd worden en afgestemd met andere docenten, met andere secties, zelfs met leerlingen. Het onderwijs wordt transparanter en voor een aantal docenten is dat bedreigend. Er valt niet aan te ontkomen: ook het onderwijs is rijp voor functionerings- en beoordelingsgesprekken, voor salarisdifferentiatie, intervisie en councelling.

Van Haperen beweert dat docenten enthousiast het studiehuis omarmden; dat is nogal kort door de bocht. Zijn opmerking dat het verplicht stellen van Duits 1 gedurende slechts een les per week tot gevolg heeft dat 'zelfs het lezen van fotobijschriften in Duitse boulevardbladen onmogelijk wordt' doet mijn wenkbrauwen fronsen. Deze bijschriften lezen ze al met gemak in de onderbouw. Het probleem dat Van Haperen met zijn karikatuur aan de orde wil stellen, verbaast me van een lerarenopleider.

De tweede fase biedt de mogelijkheid om in modules te werken. Dat is ook wenselijk, want één lesuur per week is dodelijk voor een vak. Beter een half jaar twee uur per week of een trimester drie uur, dat levert voor docent en leerling veel meer op. Dat vergt wel creatieve roostermakers en een ommezwaai in het didactisch denken bij docenten. Het verbaast me dat Van Haperen, als lerarenopleider hier niet op inspeelt. Door bijvoorbeeld in modules te werken voorkom je versnippering en het wegzakken van vaardigheden ter verwerving van kennis.

Het venijn van Van Haperens artikel zit in de staart. 'Nederlands, Engels, wiskunde en geschiedenis, dat is de kern, de rest versiering'. Ik ben benieuwd welk onderwijsinhoudelijk argument hij heeft om deze nonsens te debiteren. Waarom geen aardrijkskunde, maatschappijleer, economie of een kunstvak? Wanneer je vakken als Algemene Natuurwetenschappen en Culturele en Kunstzinnige Vorming af doet als 'nieuwigheden' en 'versiering', getuig je niet van inzicht in de materie. Het zijn namelijk de eerste vakken die erin geslaagd zijn om meerdere disciplines te verenigen. Leerlingen leren verbanden zien. Ze leren vanuit diverse standpunten en disciplines naar verschijnselen te kijken en die te onderzoeken. Schotten verdwijnen tussen vakken en dat is pure winst!

Helemaal bar wordt het als hij de tweede fase verwijt geen oog te hebben voor gelijke kansen van leerlingen uit lagere sociale klassen. Onderwijs is per definitie klasse-selectief. De leerlingenpopulatie op vwo en havo bestaat vooral uit kinderen van welgestelde ouders. Vbo en mavo worden vooral bezocht door kinderen uit de 'lagere' sociale klassen.

Alle experimenten om de intelligentiereserve uit de achterstandsmilieus deel te laten nemen aan hogere opleidingen zijn mislukt.

De tweede fase had dan ook juist tot doel om een nog sterkere selectie aan te brengen. De weg van mavo naar havo is zo goed als afgesneden evenals de mogelijkheid om na de havo nog even het vwo diploma te halen. Deze selectie werd geëist door universiteiten en hoge scholen om het hoge afhaakpercentage van eerstejaars studenten terug te dringen.

Het gevolg van deze strenge selectie is dat kinderen uit lagere milieus nog minder kans hebben om op een universiteit of hogeschool terecht te komen. De politiek heeft dit gevolg van de tweede fase van het begin af aan geaccepteerd. Vreemd dat de artikelschrijver hier niet wijst op de rol van de PvdA. De plannen voor de tweede fase kregen gestalte onder sociaal-democratische bewindslieden: Walraven, Ritzen, Netelenbos en Adelmund. Als Van Haperen zich zorgen maakt om dit probleem dan verbaast het me heel erg dat hij pleit voor wiskunde als kernvak, van alle vakken wel de meest determinerende. . .

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden