Opinie

Studentenprotest zonder zelfkritiek is zinloos

Nederlandse studenten zijn de traagste, minst studerende en minst gemotiveerde van alle OESO-landen.

Bezetting van het Maagdenhuis. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

Er was iets geks met die bezetters van het Maagdenhuis. Uiteindelijk leken zij verontrustend veel op de universiteitsbestuurders tegen wie zij protesteerden. Die overeenkomst betrof niet alleen de volharding, de schimmige besluitvorming, de almachtsfantasieën en het rode sjaaltje, maar bovenal de volledige afwezigheid van zelfkritiek. Aan de onttakeling van het hoger onderwijs in Nederland zijn immers niet alleen ontspoorde bestuurders schuldig, maar ook de studenten zelf, die behoren tot de traagste, minst studerende, meest calculerende en volgens een recent rapport van de Onderwijsinspectie ook minst gemotiveerde van alle OESO-landen. Geen enkel studentenprotest is serieus zolang dat niet ook gaat over de koele harde feiten van het eigen disfunctioneren.

Voor wie even vergeten was waar dat 'rendementsdenken' van de universiteiten vandaan komt: in Nederland haalt al decennia slechts zo'n 47 procent van de studenten in vier jaar hun driejarige bachelor, terwijl het streefcijfer 70 procent is (in Duitsland wordt 77 procent gehaald, in Engeland 82 en in Japan 90 procent).

Tegenwoordig claimt de VSNU (de lobbyclub van universiteiten) dat het rendementscijfer boven de 50 procent ligt en onlangs zelfs spectaculair is gestegen naar 60 procent, maar dat komt doordat men de uitval in het eerste jaar plots niet langer meetelt. De officiële reden voor dit gefoezel is 'dat het eerste studiejaar gebruikt wordt om te bepalen of er een goede aansluiting is tussen student en opleiding'. In werkelijkheid komt het doordat Nederland anders geen enkele doelstelling zou halen (volgens het Lissabon Akkoord had het studierendement in 2014 ten minste 70 procent moeten zijn).

Weinig motivatie

Afgelopen jaar checkte nrc.next de cijfers over 2013: aan de universiteiten stopte 23 procent na een jaar met de eerstgekozen studie, en in het hbo gaf 37,4 procent er na een jaar de brui aan (tezamen een gemiddelde van 34 procent afhakers, in lijn met het langjaarlijks gemiddelde van 35 procent). Volgens onderzoek van ResearchNed stoppen de meeste afhakers vanwege 'onvoldoende motivatie'.

Overigens 'betreurt' de Onderwijsinspectie, die onlangs wederom de noodklok luidde over het 'onaanvaardbaar' lage studierendement in het hoger onderwijs, het ten zeerste dat de universiteiten en hogescholen met het ministerie hebben afgesproken alleen het afhaken in latere studiejaren te tellen. Feit is dat het hoger onderwijs al jaren vrijwel tevergeefs vecht tegen de lage rendementen.

Zo bleek dat de Universiteit van Amsterdam tussen 1993 en 2003 steeds hogere cijfers aan studenten gaf (het gemiddelde eindcijfer steeg van 6,1 naar 6,5; het aantal tienen verdubbelde), maar dat het aantal uitvallers toch bleef stijgen. De TU Delft schrapte een paar jaar geleden 15 procent van het onderwijs, aan de UvA werd door het 8-8-4 systeem zo'n 20 procent van de studiebelasting weggewerkt, overal heeft men 'struikelvakken' (zoals statistiek en boekenlijsten) geëlimineerd, en op talrijke universiteiten is het principe ingevoerd dat studenten in het eerste studiejaar elke 5 mogen compenseren met een hoger cijfer in een ander vak, terwijl ditzelfde verbetertraject ook een vermindering van 10 procent van de tentamineerbare stof omvat.

Beeld anp

Rechten, economie en psychologie

Deze maatregelen werden mede ingegeven doordat op grote faculteiten als rechten, economie en psychologie (waar de uitvalpercentages al jaren boven de 50 liggen) tijdenlang bijna 45 procent van de studenten meer dan tien (10) herkansingen nodig had om door de bachelorfase te komen.

Gelukkig hebben universitaire studenten tijd genoeg hierover te piekeren, want de Onderwijsinspectie becijferde dat vanaf 2000 het gemiddelde aantal studie-uren per week is teruggelopen van 32,3 naar 27,4, waarbij de door studenten opgegeven uren 'zelfstudie' zijn meegerekend. Volgens de inspectie schommelt bij medische en natuurwetenschappelijke studies het aantal studie-uren rond de 37-40, maar overstijgt bij studies in de categorieën rechten en 'taal & cultuur' het aantal uren studie dikwijls niet de 8 tot 10 uur per week.

In dit licht is het alleszins grappig dat Karl Dittrich, de huidige VSNU-voorzitter (die tegenwoordig de mond vol heeft van 'excellentie'), enige jaren geleden als voorzitter van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie nog sneerde dat er in het hoger onderwijs een chronisch gebrek aan studie-uren heerste, alsook een endemisch gebrek aan diepgang, en dat zelfs bij 10 procent van de universitaire bacheloropleidingen 'de basiskwaliteit in het geding is'. Volgens Dittrich liep er hier een hele generatie studenten rond met een evident 'gebrek aan ambitie en zelfdiscipline', waarbij de universiteiten zelf zorgden voor een 'spiraal omlaag'.

In elk geval is het geen wonder dat de commissie-Veerman in 2010 een hard oordeel velde over het hoger onderwijs: het niveau is 'te laag', het moet 'veel en snel beter', anders 'redden we het niet'. Sterker nog: al in 2005 diagnosticeerde voormalig staatssecretaris Rick van der Ploeg onomwonden dat 'het erbarmelijke academisch klimaat in Nederland' het gevolg was van 'een heilige coalitie van pretstudenten, middelmatige professoren en megalomane bestuurders'.

Scribenten

Dit is overigens niet aan alle studenten voorbijgegaan. Alleen al in deze krant schreven studenten de afgelopen jaren opiniestukken onder titels als 'De harde waarheid: er zijn veel en veel te veel studenten' (Maartje ter Horst, 2 november 2013); 'De uitholling van het Nederlandse onderwijs ligt aan de student zelf' (Fatma Capkurt, 5 november 2013); en 'Laat luie student zakken, schop wanpresteerder van de opleiding' (Willem van Uijen, 7 november 2013). Het is gek, maar deze scribenten waren niet uitgenodigd voor het 'Wetenschapsfestival' in het Maagdenhuis.

Er is nog iets geks met studenten in Nederland. Het SCP heeft berekend dat 80 procent van de studenten in het hoger onderwijs afkomstig is uit de rijkste helft van de bevolking; van de universitaire studenten is dat zelfs 85 procent. Het aantal universitaire studenten uit lagere inkomensgroepen of met allochtone achtergrond is hier beduidend lager dan in de buurlanden. Dit heeft te maken met het structurele gebrek aan doorstroming in het Nederlands voortgezet onderwijs, maar ook met het feit dat studeren in Nederland is verworden tot een lifestyle-attribuut voor de blanke bovenklasse die niet gestoord wil worden met academische vorming.

Bastiaan Bommeljé is uitgever, historicus en redacteur van Hollands Maandblad. Beeld x
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden