Studenten niet te porren voor het leraarsvak

De lerarenopleidingen hebben al jaren te kampen met een afnemende instroom van studenten. En het einde is nog niet in zicht....

Van onze verslaggever

Sander van Walsum

UTRECHT

De jongste aanmeldcijfers geven een gemengd beeld. De belangstelling voor de pabo's (die docenten voor het basisonderwijs opleiden) trekt eindelijk weer wat aan. En ook voor sommige vakken in het voortgezet onderwijs, zoals Duits en scheikunde, lijkt zich een ommekeer aan te dienen. Maar het algemene beeld is uitermate somber.

De grote leegloop van oudere docenten uit het voortgezet onderwijs zal over enkele jaren beginnen. Maar de studenten die straks hun plaats moeten innemen, zijn vooralsnog in geen velden of wegen te bekennen.

De faculteit Educatieve Opleidingen van de Utrechtse hogeschool weerspiegelt die ontwikkeling. Het onderkomen van de faculteit, een geschakeld gebouw aan de Archimedeslaan in De Uithof, werd in 1976 betrokken door de ruim vijfduizend voltijdstudenten van de toenmalige Stichting Opleiding Leraren (SOL). Tegenwoordig zijn in hetzelfde gebouw niet alleen de eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen gehuisvest, maar ook de deeltijdlerarenopleiding, de pabo en orthopedagogiek. En nog zitten de opleidingen volgens de huisvestingsnormen van het ministerie tamelijk royaal in hun jas.

Onderwijsdirecteur D. Stafleu kan slechts gissen naar de oorzaak van het afnemen van de instroom. 'Leerlingen die toe zijn aan een beroepskeuze, kennen in de regel maar één vak van zeer nabij: dat van leraar. Kennelijk zijn die ervaringen niet zodanig dat zij zich geroepen voelen om in de voetsporen te treden van hun docenten.'

Bovendien is de concurrentiepositie van het leraarsvak ten opzichte van andere beroepen in de loop der tijd zwakker geworden. 'Vroeger kon je met een heleboel opleidingen, vooral in de letterensfeer, eigenlijk alleen maar leraar worden. Nu kun je er alle kanten mee op. Daar hebben wij weet van gehad.'

Ook is er het afgenomen prestige van het vak. 'Ik doel dan niet op de salariëring', zegt Stafleu. 'Want daar is onderhand wel wat aan gedaan. Nee, het vak heeft geen aanzien meer. Ik ben bang dat het belang van de leraar net zo wordt ingeschat als dat van de vuilnisman: die kun je ook niet missen.'

Stafleu heeft ook een positieve verklaring voor het teruglopen van het aantal studenten. Tot voor kort werden de lerarenopleidingen in belangrijke mate (Stafleu houdt het op ongeveer 50 procent) bevolkt door studenten die afkwamen op de vakinhoud, maar die onder geen beding leraar wilden worden. De opleidingen zijn zich daarom meer op het leraarschap gaan concentreren. Zo lopen eerstejaars studenten al stage op een middelbare school, wordt er bij het onderwijs minder aandacht besteed aan de vakinhoud en meer aan didactiek, en worden studenten na elk studiejaar vooral beoordeeld op hun belangstelling voor het leraarsvak. Stafleu sluit niet uit dat van dergelijke vernieuwingen een zuiverende werking uitgaat op (aspirant-)studenten.

Het is echter de vraag of de wens hier niet de vader van de gedachte is. Veel studenten, ook in de 'serieuze' vakken, gaan er nog steeds van uit dat niet meer dan de helft straks het onderwijs in wil. Eerstejaars studente Arya bijvoorbeeld ziet haar biologiestudie als niet meer dan de aanzet tot een vervolgopleiding aan de universiteit. De didactische ingrediënten neemt ze op de koop toe. Bovendien staan daar genoeg 'leuke' vakken tegenover, zoals informatica en geschiedenis van de levenswetenschappen.

Haar groepsgenoot Marieke daarentegen heeft met overgave voor het leraarschap gekozen. 'Overdragen van kennis is toch het leukste dat er is. Ik heb geen idee wat ik als leraar zal verdienen, en het kan me ook niets schelen.' Zij is zich er echter van bewust dat haar medestudenten er in de regel een minder bevlogen toekomstbeeld op nahouden.

Stafleu denkt dat de 'ideale' lerarenopleiding heel goed kan worden opgetrokken binnen de huidige financiële en organisatorische marges. Er zou een goede bestemming kunnen worden gevonden voor de 50 miljoen gulden die de HBO-Raad onlangs voor de lerarenopleidingen opeiste. Maar het voortbestaan van de sector is er niet van afhankelijk.

Zelfs de bezuinigingen van begin jaren negentig hebben uiteindelijk geen ongunstige gevolgen gehad, al hebben enkele zusterinstellingen er flinke tikken door gekregen. Het heeft de scholen aangemoedigd om eigen inkomstenbronnen aan te boren - waarin vooral de Utrechtse opleiding goed is geslaagd - en heeft de docenten aangezet tot een doelmatiger gebruik van hun tijd.

De docenten noch de studenten zijn daar veel slechter van geworden, meent Stafleu. 'Onze werksituatie was vroeger wel uitermate ontspannen. Wij besteedden eenderde van de tijd aan het onderwijs, eenderde aan ''ontwikkeltijd'', en eenderde was vrij invulbaar. Dat daar verandering in kwam, was aanvankelijk wel even slikken, maar nu ondervinden de docenten dat hard werken ook leuk kan zijn. En de student? Die wordt minder in de watten gelegd. Maar dat kan, vooral bij dit vak, geen kwaad. Ik denk zeker dat hij geen slechter onderwijs krijgt dan in de gouden jaren zeventig. Integendeel.' Alleen moet die verheugende boodschap nog doordringen tot de potentiële studenten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden