Stripkunst

Het demonisch verbeelde leven van de Noorse schilder Edvard Munch, vol zuippartijen, eenzaamheid en woede.

Steffen Kverneland: Munch

***


Uit het Noors vertaald door Lucy Pijttersen en Carla Joustra.


Oog & Blik; 280 pagina's; euro 35,90.


We beleven een kleine hausse van kunstenaarsbiografieën in de strip. Recentelijk waren Rembrandt, Van Gogh (in meerdere versies) en Schwitters aan de beurt, nu is Edvard Munch het doelwit. Munch is een demonische verbeelding van de Noorse tekenaar Steffen Kverneland, die precies honderd jaar na zijn landgenoot ter wereld kwam, in 1963. Dat hij zich de reïncarnatie waant van de grote schilder is misschien overdreven, maar van een sterke zielsverwantschap is zeker sprake. Ze delen in elk geval hun liefde voor de fles.


Munch hoort thuis in het rijtje vroege modernisten die zo eigenzinnig waren dat ze nauwelijks in een stroming passen. Er zitten elementen van Jugendstil, symbolisme en expressionisme in zijn stijl, maar het 'Levensfries' dat de Noor bij elkaar schilderde, is uniek, met zijn naargeestige nadruk op dood, ziekte, eenzaamheid en dreigende waanzin. Kverneland voegt daar nog twee belangrijke elementen aan toe, alcoholisme en woede, waardoor zijn visuele biografie even energiek als afstotelijk wordt.


In het inleidende hoofdstuk voert de tekenaar zichzelf op, discussiërend (en drinkend) met zijn collega en landgenoot Lars Fiske, de stripbiograaf van Kurt Schwitters. We lezen dat Kverneland zijn verhaal wil vertellen op basis van citaten uit dagboeken, artikelen en getuigenissen van derden. Daar houdt hij zich aan, met gevolgen voor de loop van het verhaal, dat met horten en stoten gaat.


De verhitte gesprekken tussen de tekenaars - een terugkerend element in het boek - vormen een passende echo van de intense vriendschap tussen Edvard Munch en de Zweedse schrijver August Strindberg, die al net zo woedend en drankzuchtig was als de schilder. Kverneland besteedt veel aandacht aan de dynamiek tussen die twee. Het zal ook niet verbazen dat een fiks deel van de 280 pagina's is gewijd aan hun favoriete ontmoetingsplaats: de Berlijnse kroeg Zum schwarzen Ferkel, het toneel van vermaarde scheld- en zuippartijen van het artiestenvolkje in het fin de siècle.


Om de een of andere reden portretteert Steffen Kverneland zijn personages vaak in een kubistische stijl, al strooit hij ook met foto's, pastiches en karikaturen (met name van Munchs kinnebak). Het levert alles bij elkaar een delirisch stripverhaal op.


Onvermijdelijk komt ook de ontstaansgeschiedenis van De Schreeuw aan bod, het iconische schilderij uit 1893. Een jaar eerder maakte Munch een wandeling langs de kust, toen hij 'een zuigende pijn onder zijn hart' voelde: 'Boven de blauw-zwarte fjord hingen vurige tongen van bloed - en ik voelde een oneindige schreeuw door de natuur.'


In zijn analyse van De Schreeuw toont Kverneland onder meer een foto van zichzelf waarin hij poseert als de schreeuwer, om te illustreren dat het doek vanuit een hoog standpunt is geschilderd. Die foto is tegelijk een maffe parodie, die eens te meer illustreert dat Kverneland van Munch een allerminst nuchter boek heeft willen maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden