Strategisch stemmen loont wel degelijk

In het pleidooi van Carolien van Dullemen tegen strategisch stemmen is de wens de vader van de gedachte. Helaas voor haar, stelt Martin Rosema, kan het wel degelijk lonen wanneer kiezers hun stem uitbrengen op een partij die niet hun eerste keus is....

EEN mooie positie in de opiniepeilingen en vergeleken daarmee een tegenvallende uitslag, dat lijkt het lot van GroenLinks bij Tweede-Kamerverkiezingen. Dit komt mede doordat sympathisanten van GroenLinks uit strategische overwegingen op de PvdA stemmen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Caroline van Dullemen, directrice van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks onlangs probeerde uit te leggen dat strategisch stemgedrag niet loont (Forum, 19 januari).

De volgende verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn in principe pas volgend jaar, maar de slag om de kiezer is alweer in volle gang. Commissies zijn bezig de kandidatenlijsten samen te stellen, de verkiezingsprogramma's worden geschreven, en oude en nieuwe lijsttrekkers worden naar voren geschoven. Bij dit alles hoort ook dat GroenLinks zich beklaagt over kiezers die weliswaar sterk sympathiseren met de partij, maar uiteindelijk in het stemhokje hun stem niet op haar uitbrengen.

In het Nederlandse politieke systeem zijn de verkiezingen voor de Tweede Kamer de enige gelegenheid waarbij kiezers invloed kunnen uitoefenen op de regeringsvorming, ook al is die invloed maar beperkt en indirect. Men kan kiezers dan moeilijk kwalijk nemen dat zij bij het uitbrengen van hun stem voor de Tweede Kamer met die regeringsvorming rekening houden. Als gevolg hiervan stemmen kiezers soms strategisch: ze stemmen doelgericht op een partij die op zichzelf niet hun voorkeur had.

Strategisch stemgedrag is inmiddels een factor van betekenis in de Nederlandse politiek. Gegevens van het Nationaal Kiezersonderzoek 1998 wijzen erop dat bij de vorige Tweede-Kamerverkiezingen 10 tot 15 procent van de kiezers hebben gestemd op een partij die zij niet de meest sympathieke vonden.

Hier komt nog bij dat ongeveer eenderde van de kiezers minstens twee partijen even sympathiek vond. Strategische overwegingen kunnen dan doorslaggevend zijn. GroenLinks en de kleine christelijke partijen zagen hierdoor potentiële stemmen verloren gaan aan PvdA en CDA.

Gevraagd waarom zij op een bepaalde partij hadden gestemd, verwezen kiezers in het genoemde onderzoek regelmatig expliciet naar zogenoemde instrumentele overwegingen. Deze hadden veelal van doen met de mogelijke voortzetting van de Paarse coalitie. Zulke overwegingen werden opvallend vaak genoemd door kiezers van D66: één op elke vier D66-kiezers verwees ernaar.

D66 heeft ook zelf de hand gehad in het profijt dat ze blijkbaar had van strategisch stemgedrag. Lijsttrekker Els Borst maakte voor de verkiezingen duidelijk dat de partij met minder dan veertien zetels moeilijk aan een tweede Paarse kabinet kon deelnemen. D66 scoorde vervolgens met veertien zetels beduidend beter dan enkele maanden tevoren bij de gemeenteraadsverkiezingen. Toen stond er geen tweede Paars kabinet op het spel.

Voor GroenLinks is het vervelend dat potentiële kiezers om strategische redenen op bijvoorbeeld de PvdA stemmen. Hierop richtte Van Dullemen zich dan ook. Zij stelde op basis van een historische vergelijking dat de PvdA bij een verkiezingsoverwinning juist niet in de regering komt (zie bijvoorbeeld 1977).

Zo geredeneerd moesten kiezers die de PvdA in de regering willen hebben, maar niet op de partij stemmen. In zekere zin riep Van Dullemen dus ook kiezers die GroenLinks in de regering willen hebben op, om bij de volgende verkiezingen maar niet op GroenLinks te stemmen.

Van belang is overigens dat in een situatie waar een partij flink wint niet zozeer het zetelaantal van die partij problemen oplevert, maar eerder de eisen die een partij op basis daarvan meent te moeten stellen. Bovendien is het een misverstand dat partijen die winnen ten opzichte van vorige verkiezingen meer recht hebben op regeringsdeelname.

Zetelwinst en -verlies hoeven niet van doorslaggevend belang te zijn. Ook na haar verkiezingsoverwinning van 1977 had de PvdA simpelweg veel minder stemmen dan CDA en VVD tezamen, en er kan dus niet worden gesproken van 'kiezersbedrog' omdat de PvdA buiten de regering werd gehouden.

Hoe belangrijk strategisch stemgedrag is, blijkt keer op keer. Als in de Verenigde Statem de kiezers van Ralph Nader uit strategische overwegingen op Al Gore hadden gestemd, zou George W. Bush nu niet de nieuwe president zijn. Als in Groot-Brittannië de aanhangers van de Liberal Democrats en Labour bij de laatste parlementsverkiezingen minder vaak strategisch hadden gestemd, zouden de Conservatieven niet zo verpletterend zijn verslagen. En als in Nederland D66 door strategisch stemgedrag niet aan veertien zetels was geholpen, was het huidige kabinet vermoedelijk niet tot stand gekomen. Strategisch stemmen loont dus wel degelijk.

Partijen kunnen klagen over strategisch stemgedrag, maar het is zeer de vraag of kiezers daarvoor gevoelig zijn. Het kan voor partijen wrang zijn dat het aantal leden in het parlement mede wordt bepaald door de wensen van de kiezer ten aanzien van de regeringssamenstelling, maar dat is een logisch gevolg van het gekozen systeem. Elke partij, dus ook GroenLinks, moet binnen de bestaande context kiezers gewoon voldoende reden geven op haar te stemmen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden