Straks wordt alles anders

Oeganda lijkt een beetje tot rust te zijn gekomen, maar in het oosten van het land bepalen bandieten nog steeds het dagelijks leven....

Voor wie niet beter weet, heeft het er alle schijn van dat het groepje Karamojong in deze uithoek van Oeganda flink plezier maakt. Oudere jongens en meisjes dansen in een kring, steeds dichter tegen elkaar. Ze springen hoog, hoger, hoogst – uitdagend naar elkaar, met soms de lichamen tegen elkaar botsend.

Een oudere man, dronken, met bloeddoorlopen ogen, een rood hoedje met een wit veertje op de verweerde kop, werpt zich vol overgave in de groep. Met zijn magere lichaam hopt hij enthousiast tegen de lijven van de jonge meiden. Het deert ze niet, ze lachen om die dansende ouwe gek.

Het is een jolige bende. Ze zingen een vrolijk lied, althans, het klinkt vrolijk. Want als je omstanders vraagt de tekst te vertalen, hoor je een triest verhaal. Een paar maanden geleden kwamen drie jongens die in het nabijgelegen stad Moroto op school zitten thuis hun schoolgeld ophalen, zodat ze weer een jaar naar school konden.

De dorpelingen hadden echter niet genoeg geld. Ze stopten de jongens, 17 jaar oud, wat Oegandese shillings in de hand, plus een geit om op de markt van Moroto te verkopen. Met de opbrengst zouden ze weer een jaar naar school kunnen.

Op de terugweg, beneden in het dal, werden de drie jongens overvallen door bandieten. Geit en geld werden afgenomen, de jongens meegesleept naar de bush, waar ze geschopt en geslagen werden, en vervolgens de keel afgesneden. Daarover gaat dat lied, van die dansende bende jongens en meiden.

Over die drie jongens, die voorbestemd waren om dokter of onderwijzer te worden. Over de hoop van deze arme streek, waar vrijwel niemand naar school gaat. En waar elk kind dat de middelbare school afmaakt de hoop op een betere toekomst in zich draagt. De drie jonge mensen werd die toekomst niet gegund.

Een paar jaar is het Oegandese leger nu actief in Karamoja, de afgelegen streek in het noordoosten van het land. Doel: het innemen van de vele wapens die onder de vee-nomaden circuleren en een eind te maken aan de bloederige veediefstallen die de provincie van oudsher teistert.

Grensoverschrijdend geweld is het, de grens tussen Kenia en Oeganda is alleen op landkaarten zichtbaar. De diverse volkeren – Karamojong, Pokot, Turkana zien er voor de buitenstaander allemaal eender uit, en belagen elkaar met hun oude kalasjnikovs.

Ze stelen koeien hier, ze stelen koeien daar – en daarbij blijft het niet. Vroeger staken ze elkaar met hun speren, en bleven de gevolgen beperkt, tegenwoordig vliegen de 7.62 mm kogels in het rond. Het zijn berichten die de buitenlandpagina’s van de grote kranten nimmer halen, maar soms vinden er vele tientallen mensen de dood bij deze ‘traditionele’ cattleraids.

Het Oegandese leger, dat een paar jaar terug wat meer armslag kreeg, nadat het het Verzetsleger van de Heer van de idiote ‘Messias’ Joseph Kony over de grens van Soedan en Congo had gejaagd, begon in Karamoja op bevel van president Museveni de nomaden te ontwapenen.

Diegenen die dicht bij de steden Kotido en Moroto woonden, waren hun wapens snel kwijt, verder gelegen stammen hebben hun AK 47’s nog steeds. Met als gevolg dat de ontwapende Karamojong nu doelwit zijn van diegenen die nog wel wapens hebben.

Het Oegandese leger beloofde bescherming te bieden, zegt Gordon Lakidi, die voor de Verenigde Naties in Moroto huist, ‘maar dat lukt vaak niet. Het is een groot gebied. Er zijn nog steeds heel veel wapens in omloop.’ Er zijn lichtpuntjes, zegt hij. De grote bendes van weleer, met tot wel driehonderd rovende en moordende krijgers, zijn er niet meer. ‘Tegenwoordig zijn het groepjes van vijf tot twintig man die stelend door het land trekken.’

Niet dat deze bendes geen leed veroorzaken. Neem dat treurige verhaal van die drie jongens die nabij Musas werden vermoord. Musas ligt niet eens zo ver van provinciehoofdstad Moroto, maar geen dorpeling durft na die zinloze slachtpartij nog langer over de weg in het dal de reis naar de stad af te leggen. Iedereen die naar markt of het ziekenhuisje wil, moet nu over de hoge bergpassen.

Dat gesodemieter met die rondstruinende bendes met hun gebutste AK-47’s is niet het enige leed waarmee de lokale bevolking te maken krijgt. Net als in Zuid-Ethiopië en het noorden van Kenia heeft de droogte keihard toegeslagen.

Regende het vroeger meerdere keren per jaar, in maart en september, nu blijft grote regenval achterwege. Of, als het dan toch regent, vallen de druppels op momenten dat de bevolking het niet meer verwacht. Met als gevolg: al drie jaar lang mislukte oogsten en dus honger. Een ander drama: een veestapel die goeddeels ziek is.

De VN-organisatie World Food Programme voedt deze maand al bijna een miljoen mensen in de regio, 80 procent van de bevolking. Totale kosten van de operatie: 64 miljoen dollar, betaald door onder meer de VS (26 miljoen dollar), de EU (16 miljoen) en Nederland (een kleine 4 miljoen dollar). Het lenigt de nood slechts ten dele.

In de straten van de Oegandese hoofdstad Kampala kom je de laatste tijd meer en meer bedelende Karamojong-kinderen tegen, door hun familie weggestuurd om in de straten hun hand op te houden. Het levert treurige taferelen op in het zakendistrict van Kampala, van die nauwelijks geklede jochies, die voorheen thuis vrolijk fluitend met hun zwiepende takken achter het vee aanliepen.

Thuis, in Karamoja, wordt volop over vrede gepraat, door de Oegandese legerleiding, door de kerken, door de schooljeugd, door de lokale politici. Alleen die jonge bandieten, met hun wapens, die hoor en zie je niet. ‘Dat is het probleem’, verzucht een dominee in Kotido, ‘de jongens zijn moeilijk te bereiken. Ze zijn ver weg, verstopt in het land.’

Vandaag wordt vanuit de kerk van Kotido, waar de autoriteiten lange toespraken over ‘peace’ houden, een grote vredesmars gehouden. Het hele stadje loopt uit. Oegandese soldaten, kleine mannen en vrouwen, strak in het gelid, voorafgegaan door een valsspelend militaire fanfare. Daarachter volgen schoolkinderen, vrouwen, verpleegsters, boeren en buitenlui.

‘We willen maar één ding’, zegt verpleger Calvin, ‘en dat is rust.’ Vervolgens schuift hij weer de optocht binnen: ‘Vrede! Weg met de wapens!’

Vrede. ’s Middags neemt een lokale bisschop ons mee het achterland in. Kerkvader James Nasak wil een nieuw project laten zien, waardoor de lokale, vijandige stammen dichter bij elkaar worden gebracht. Na tien kilometer hotsebotsen over een karrespoor, voegt een militair escorte zich bij ons.

Het geeft een wat unheimisch gevoel, die kleine soldaten met hun grote AK-47’s op de achterbank van de terreinwagen. Na 40 kilometer, dicht bij de Keniaanse grens, stappen we uit. In het hoge gras met her en der acacia’s verspreiden de soldaten zich snel, de blik naar buiten gericht, de wapens schietklaar.

Het is hier niet veilig, zegt de bisschop, maar straks wordt alles anders. Daar, hij wijst naar Kenia, wonen de Pokot en de Turkana, dat zijn ook veedieven, hier zijn de Karamojong. Nu bestrijden ze elkaar nog, met groot leed voor de lokale bevolking al gevolg.

Met geld van ontwikkelingsorganisatie ICCO wordt nu een ‘vredesweg’ aangelegd. Een vredesweg? Ja, zegt de bisschop, een peaceroad zal de volkeren dichter bij elkaar brengen en dat maakt de kans op wederzijds begrip, op handelsverkeer, en dus vrede, groter. En weet u, zegt hij, de mensen hebben zelf om die weg gevraagd.

James Nasak struint samen met de soldaten door het hoge gras en wijst naar de plekken waar de weg moet komen. ‘De volgende keer dat u komt, rijden we over een veilige weg naar Kenia.’ De vrolijke bisschop knipoogt: ‘En dan drinken we een Tusker-biertje in Lodwar, in Kenia.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden