Straffen van India en Pakistan helpt niet

President Clinton stond vooraan om de kernproeven van India en Pakistan emotioneel te veroordelen en sancties af te kondigen. Henry Kissinger pleit voor een rationeel beleid dat oog heeft voor de verschillende motieven van landen om een kernwapen te willen bezitten....

HENRY KISSINGER

DE eerste reactie van Clinton op de Indiase kernproeven was uiterst emotioneel: 'Landen die menen dat ze op de drempel van de 21ste eeuw, als iedereen een einde wil maken aan het kernwapentijdperk, hun grootheid moeten bewijzen door gedrag dat herinnert aan de donkerste periode van de 20ste eeuw, maken een grote vergissing. Helemaal als ze geen atoomwapens nodig hebben om hun veiligheid te waarborgen.'

Zijn boodschap is in ieder geval overgekomen. Maar in praktische zin hebben we niets aan dit soort zwaar aangezette retoriek. Alleen helderzienden weten immers welke factoren in de 21ste eeuw de grootheid van een natie bepalen.

Bovendien slaat het, gezien de nucleaire inspanningen van Iran, Irak en Noord-Korea en de enorme arsenalen waarover de bestaande kernmogendheden nu nog beschikken, nergens op te beweren dat de wereld het kernwapentijdperk achter zich wil laten.

En ten slotte is het een loze bewering dat landen onder de nucleaire dreiging van vijandelijke buurstaten geen kernwapens nodig hebben voor hun veiligheid.

Een dergelijke emotionele en ondoordachte reactie maakt het lastig om ons beleid op een effectieve manier aan te passen aan de veranderde situatie, terwijl de door het Congres afgekondigde sancties ons de mogelijkheid ontnemen om via politieke druk het gevaar te keren. Daarbij komt dat het om landen gaat waarmee de VS vriendschappelijke betrekkingen onderhouden en die in de wereldorde van de 21ste eeuw zonder enige twijfel een voorname plaats zullen innemen, India mondiaal en Pakistan regionaal.

Voor een rationeel, afgewogen beleid is het van belang te beseffen dat er geen directe aanleiding was voor een kernwapenwedloop op het subcontinent. India nam in 1974 zijn eerste proef met een kernlading. China testte zijn eerste kernwapen in 1964. In 1976 slaagde ik er als minister van Buitenlandse Zaken niet in om Pakistan af te houden van zijn plannen om een kernwapenprogramma te beginnen. Als deze proeven iets duidelijk maken, is het wel dat er, alle globalisering ten spijt, nog steeds geopolitieke realiteiten bestaan die sterker zijn dan het modieuze gejubel over één geordende wereldgemeenschap.

India en Pakistan houden proeven omdat het in hun regio nu eenmaal niet echt pluis is en ze geen zin hebben om hun voortbestaan in de waagschaal te stellen door zich braaf te schikken naar de wensen van landen die zelf veilig achter hun atoomschild zitten. Dat Clinton het aantal kernwapens in de wereld wil terugdringen is heel begrijpelijk, maar het is net zo begrijpelijk dat de premiers van India en Pakistan hun atoomplannen willen realiseren. Daarom zou de Amerikaanse regering er verstandig aan doen om India en Pakistan niet langer als het probleem te beschouwen, maar hen als gelijkwaardige partners te betrekken bij haar nonproliferatiebeleid en bij haar streven om de spanningen in Zuid-Azië te verminderen.

Daarbij is het ook verstandig om in het oog te houden dat deze kernproeven niet onafwendbaar tot een kernoorlog hoeven te leiden. Een atoomoorlog tussen India en China is niet per se waarschijnlijker dan een atoomoorlog tussen twee bestaande kernmachten. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat India en China, ondanks al hun conflicten, het risico van een kernoorlog willen lopen. In zekere zin geldt dat ook voor India en Pakistan, hoewel de historische spanningen tussen deze erfvijanden - onder andere over Kasjmir - de kans op een oorlog groter maken, geheel afgezien van het soort wapens dat wordt ingezet.

Niettemin neemt de kans dat kernwapens ooit daadwerkelijk gebruikt worden toe naarmate meer landen kernwapens bezitten, al was het alleen maar omdat dan ook het gevaar groter wordt dat ze terechtkomen in handen van terroristen. Het grootste gevaar dat ons bedreigt is misschien wel dat een armlastige kernmacht uit geldgebrek illegaal nucleaire technologie te koop aanbiedt aan derden. Daarbij moet vooral gedacht worden aan Rusland en Pakistan, landen die in een permanente financiële crisis verkeren.

Dat Amerika er alles aan wil doen om de verspreiding van kernwapens tegen te gaan is dan ook vanzelfsprekend. Maar onze politiek zal weinig vruchten afwerpen zolang onze beleidsmakers niet inzien dat landen allerlei verschillende motieven kunnen hebben om over kernwapens te willen beschikken.

Vast staat dat het een illusie is te denken dat iedereen het erover eens is dat we afscheid moeten nemen van het nucleaire tijdperk. De landen die hebben afgezien van kernwapens liggen merendeels in Latijns-Amerika en Afrika, buiten de directe invloedssfeer van de grote kernwapenmogendheden. Ze hebben geen noemenswaardige conflicten - in ieder geval geen conflict dat de enorme uitgaven voor een nucleair programma rechtvaardigt. Voor explosieve regio's als Zuid- en Noordoost-Azië, het Midden-Oosten en de Perzische Golf daarentegen geldt een ander verhaal.

In een dergelijke situatie verdient het de voorkeur ons beleid te baseren op een nuchtere analyse van de geopolitieke realiteiten in plaats van op bevlogen idealen van Wilsoniaanse snit. Uiteraard moeten de VS zich tot het uiterste inspannen om de verspreiding van nucleaire technologie tegen te gaan. Maar als er dan toch sprake is van proliferatie, moeten we onze anti-proliferatiepolitiek verbinden met andere doelstellingen van ons buitenlands beleid en een onderscheid maken tussen aan de ene kant landen die geen directe bedreiging vormen voor onze nationale belangen of de wereldvrede en aan de andere kant de landen die kernwapens ontwikkelen in het kader van een agressieve politiek. Ook moet onderscheid worden gemaakt tussen naties die bereid zijn om zich alsnog te voegen naar een nonproliferatie-overeenkomst en landen die dat weigeren of zelfs daadwerkelijk kernwapens of nucleaire technologie verspreiden. Volgens mij horen India en Pakistan in beide gevallen tot de eerste categorie.

Helaas maken de strafmaatregelen van het Congres tegen landen die kernwapens ontwikkelen een dergelijke gedifferentieerde aanpak onmogelijk. Aangezien de sancties voor onbepaalde tijd zijn en bovendien onwrikbaar, is er een nieuwe wet voor nodig om wijzigingen aan te brengen. Door alle sanctiemaatregelen van het Congres dreigt Amerika langzamerhand in een keurslijf terecht te komen. Nu al zijn 73 landen (de helft van de wereldbevolking) onderhevig aan Amerikaanse sancties, in de meeste gevallen niet gesteund door onze bondgenoten.

Sancties zijn zelden effectief. In elk geval werken ze uitsluitend als er een realiseerbare doelstelling aan verbonden is. Zo niet, dan is het gevaar groot dat ze een permanent karakter krijgen en daarmee - als een soort symbool van onze machteloosheid - een zware hypotheek leggen op ons buitenlands beleid, ofwel de staat waartegen ze gericht zijn onbedoeld ernstig verzwakken. India en Pakistan kunnen niet op hun schreden terugkeren; het is onmogelijk om de ondergrondse kernproeven weer ongedaan te maken. Bovendien is het systematisch verzwakken van zowel India als Pakistan niet in het belang van de VS.

Het is dus zaak dat de regering en het Congres realiseerbare doelstellingen formuleren. Daarbij dient het voorkomen van verdere verspreiding van kernwapens voorop te staan. Van India en Pakistan moet geëist worden dat ze noch hun nucleaire, noch hun (ballistische) technologie overdragen aan andere landen. Ook moeten ze zich aantoonbaar inspannen om de onderlinge spanning te verminderen. Het argument dat de sancties nodig zijn om andere staten met kernwapenplannen af te schrikken, gaat voorbij aan het feit dat de meeste paria-staten als Iran en Irak al jarenlang met VS-sancties te maken hebben en dat andere potentiële kernwapenlanden nog zo ver af zijn van een atoombom dat ze zich niet door de huidige sancties zullen laten afschrikken.

Verder moet een krachtig diplomatiek offensief worden ontketend, gericht op politiek evenwicht en wapenbeheersing op het subcontinent. Maar dit is slechts mogelijk als het Congres besluit tot geleidelijke opheffing van de sancties, want anders maken we onszelf alleen maar gehaat bij zowel Pakistan, sinds jaar en dag een trouwe bondgenoot, als bij India, de grootste en oudste democratie van de niet-westerse wereld.

Henry Kissinger was minister van Buitenlandse Zaken van de VS.

Los Angeles Times Syndicate.

Vertaling: Harrie van der Meulen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden