Straf & Werk

Mensen die graag ergens bij willen horen, bij een land, een klasse, een cultuur of een subcultuurtje, doen daar verschrikkelijk hun best voor, met de nadruk op verschrikkelijk....

STEPHAN SANDERS

Ik zeg dit niet puur uit leedvermaak, want ook ik ben wel eens buiten mezelf getreden, omdat ik dacht dat dat voor anderen een prettig gezicht zou zijn. Achteraf realiseer je je dat dat een hoopvolle, maar ijdele gedachte is, want omstanders krijgen te maken met een vreemd type dat een hardnekkige voorkeur aan de dag legt voor de bête glimlach en ander onderwerpingsgedrag. Je maakt zo wel vrienden, maar die zijn vaak wat sadistisch van aard.

Aanpassen, tot op het punt waarop de eigen persoonlijkheid in het niets oplost, dat lijkt de manier om het beoogde doel te bereiken. Het aspirantlid dat zo graag toegelaten wil worden, heeft een ijzersterke strategie verzonnen: hij zal ervoor zorgen dat hij niemand tot last zal zijn en geen mens iets op hem aan kan merken. Dat lukt altijd beter dan de bedoeling was. Hij krijgt de uitdrukkelijke aanwezigheid van een sliertje rook. Wie?, vragen de ballotage-leden die hem moeten keuren. Nooit gezien, nooit van gehoord.

Ik las deze week twee stukken die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hadden, maar uiteindelijk dit wanhoopsoffensief gemeen bleken te hebben. In het eerste geval, een essay van Fleur Bourgonje uit De Groene Amsterdammer, weet de schrijfster wat er aan de hand is. Ze kijkt terug op een jarenlang verblijf in Latijns Amerika, en haar tot mislukken gedoemde pogingen de mensen het volgende te laten geloven: dat zij een geboren Latijns-Amerikaanse revolutionaire is. Onnodig te zeggen dat zij Hollandse was en is, en dat ze haar opstandige gezindheid niet te danken had aan een kapotte jeugd in de krottenwijken van Sao Paulo, maar aan een opleiding aan een Nederlandse universiteit, waar dertig jaar geleden naast doctorandi ook radikalinski officieel konden afstuderen. Dat geeft allemaal niets, maar zoiets merkt een Chileen of Argentijn toch snel.

Aanleiding van het stuk vormt Che Guevara, of beter gezegd zijn botten, die pas geleden gevonden werden. Fleur Bourgonje probeerde indertijd te zijn als el Che, net als zovelen, met als extra handicap dat zij baard noch bourgeois-achtergrond had, zoals haar grote voorbeeld, maar de dochter was van een Nederlandse hoefsmid. Dit betekende dat zij veel werk moest verrichten om het onmogelijke lekker toch nooit te bereiken.

Ze schrijft daar treffend over: 'Als je niet in een land of in een cultuur bent geboren maar erin terechtkomt, moet je integreren, anders leid je een vervreemdend leven. Ik dacht dat ik in het gepolariseerde Chili van begin jaren zeventig duidelijk moest laten zien waar ik mij voelde staan, aan welke kant van de streep. Maar de eerste verwijten kwamen al snel. Mijn revolutionaire vrienden, die mij wegwijs maakten in hun taal en hun politieke labyrinten en me klusjes gaven, lieten zich op het hoogtepunt van discussies ontvallen dat ik een elitaire Europeaan was. (...)

'Ik moest de moed hebben voor de revolutie alles op te geven: Che Guevara sprak vanuit zijn onbekende graf en ik knikte. Ik moest, als Europeaan, moediger zijn en onthechter dan wie dan ook. Ik voerde zinloze taken uit. Ik hield de wacht bij iets dat niet te bewaken viel. Ik hielp een irrigatiekanaal graven in een gebied waar geen water was en ook geen water zou komen - het ging niet om water, het was een politieke daad, een training in uithoudingsvermogen en nederigheid.'

Vooral die 'training in nederigheid' is goed getypeerd, al vind ik het nog wat zwak uitgedrukt want er werden ook vroeger wel kanalen gegraven en spoorwegen aangelegd op de meest onmogelijke plekken, maar meestal moesten er dan toch bewakers en wat honden aan te pas komen om de mensen aan de gang te krijgen. De aan het masochisme grenzende willigheid en het enthousiasme waarmee Bourgonje zich aan het zinloze strafwerk zette (bestaat er eigenlijk zinvol), doet je even naar je hoofd grijpen.

Ik bedoel, zo'n ontgroening verschilt niet wezenlijk van wat er in het leger gebeurt of in het studentencorps, maar daar kent het ritueel een beperkte tijdsduur: wie die eerste, ergste weken doorkomt en zich in de tussentijd niet verslikt in een vat bier, wordt van nuldejaars vanzelf eerstejaars, en is binnen. De ontberingen houden niet eindeloos aan, en heb je ze eenmaal doorstaan, dan is het bewijs geleverd. Maar Bourgonje kon wachtlopen en kanalen graven wat ze wilde, ze bleef een 'suspect element' (ik hou maar even de taal van de gestaalde kaders aan) dat haar schuld nooit definitief kon aflossen. Hoe harder ze liep, des te meer ze bewees dat ze schuldig was.

Het doel was natuurlijk een betere, rechtvaardiger wereld, en daarom lag het voor de hand te beginnen met vernedering en geestelijke SM. Ook in Nederland accepteerden studentenrevolutionairen gedwee het strafwerk dat de communistische partij of de maoïstische splintergroepering voor hen in petto had. In die wil tot zelfopoffering en boetedoening, die het marxisme deelt met andere religies, gaat het om meer dan het verlangen door anderen geaccepteerd te worden. De wens om zichzelf kwijt te raken, is minstens zo belangrijk. De zelfkleinering is het toegangsbewijs tot de nieuwe kring. Het laat zich raden hoe gezellig het daar vervolgens wordt.

Nu even een sprong in onderwerp en tijd: van de radicale jaren zestig en zeventig naar de raciale jaren negentig. Fleur Bourgonje dacht nog dat haar probleem eruit bestond 'niet in het land of de cultuur geboren te zijn', maar Iwan Brave bewijst dat er, ook als aan die voorwaarden is voldaan, nog genoeg narigheid overblijft. In Suriname geboren, in Nederland getogen, en nu geremigreerd naar Paramaribo met een hoofd vol mooie, Surinaamse bedoelingen op een onderpand van hard, Nederlands geld.

De afgelopen week beschreef hij in de Volkskrant hoe hij er getuige van was dat een arrestant door een politieman in zijn been werd geschoten, op de vlucht terwijl hij stilstond, zo laat zich de situatie nog het best samenvatten. De volgende dag werd in de krant alleen het kloeke optreden van de agent geprezen. 'Naar mijn mening', schrijft Brave trouwhartig 'was het nieuws de zoveelste, schietgrage agent, hoe moeilijk diens werk ook was.' Toch protesteerde hij niet, schreef geen boos artikel in een Surinaamse krant, maar haalde zijn schouders op en 'koos voor de lieve vrede'. Waarom doet een journalist zoiets? Omdat, zoals Brave zelf zegt 'mijn verschijning slechts in mijn nadeel werkt'.

Hij is een Surinamer, die 'vernederlandst' is: eentje die in de hitte van de strijd altijd nog een 'bounty' genoemd kan worden: zwart van buiten, wit van binnen. Ik heb het zelf ook wel eens te horen gekregen, het is een lachwekkend verwijt (wit van binnen? is u ziek?) waar je nou echt je schouders over op moet halen. Maar dat doet Brave niet omdat hij wil bewijzen dat hij niet zo'n arrogante Hollander is, maar een echte Surinamer, een kondreman die er helemaal bijhoort.

'Hoe omzichtig moet ik me opstellen?', peinst hij. Ik kan hem zeggen: nog veel omzichtiger. De persoonlijkheid moet bijna vloeibaar zijn. Hij moet nog meters irrigatiekanaal graven en evenzovele artikelen schrijven waarin schietgrage boeven worden gegrepen door dappere agenten. Pas dan zullen zijn nieuwe landgenoten zeggen: 'Wat een slijmerd. Het is en blijft toch een Hollander.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden