Straattaal: Algemeen Cool Nederlands

Straattaal is er om je te onderscheiden. ‘Het is een creatieve, poëtische omgang met de taal.’

Soms betrap je jezelf er ineens op. Je vraagt losjesweg aan een puber: ‘Ga je vanavond nog chillen?’ Of, in geval van een slecht humeur: ‘Ben je op school gedist of zo?’ Je kijkt er niet van op als ze, voor het uitgaan, om ‘doekoe’ vragen, maar als je zélf zegt ‘ik heb doekoe voor deze maand overgemaakt’, reageren ze met geërgerd rollende ogen. En terecht: mensen boven de 30 dienen zich niet te bedienen van jongerentaal. De herinnering aan de schaamte voor een moeder die ‘verdomd mieters’ zei, is nog scherp.

Totaal uit

Grote kans ook dat zo’n woord dat je overal op straat denkt te horen, inmiddels totaal uit is. Tegen de tijd dat ouders begrijpen wat ‘dikke scot’ betekent (net goed voor je), of ‘faja’ (erg), fattoe (grapje), ‘pattas’ (schoenen); dat het geweldig is om ‘da bomb’ te zijn en dat je met ‘wolla’ iets zweert, zijn die woorden in bepaalde kringen alweer de lakmoesproef voor achterlopers en wannabees.

Zo’n tien jaar geleden wees taalwetenschapper René Appel op het verschijnsel straattaal, in grote steden met veel immigranten. De straattaal in Amsterdam, zoals die werd gesproken door jongeren in de multi-etnische Bijlmer was toen vooral beïnvloed door het Surinaams.

Murks

Een paar jaar later publiceerde Jacomine Nortier over een jongerentaaltje dat zij ‘Murks’ noemde: een mengeling van Marokkaans, Berbers, Turks en Nederlands. Bij Murks hoorde een overdreven Marokkaans accent: een zwaar aangezette ‘g’, een ‘s’ die wordt uitgesproken als ‘z’ of ‘sj’, het weglaten van lidwoorden (‘wij gaan naar winkel’) of vervangen van ‘het’ door ‘die’ (‘die meisje’). Het Murks wordt vaak gebezigd door autochtone kinderen. Het is eigenlijk een soort die Algemeen Cool Nederlands.

Maandenlang begroeten jongens van een hagelwit gymnasium elkaar met de getto-term ‘hey kil’ en dan ineens is dat voorbij en klinkt het aloude ‘dude’ weer. Misschien ontkomen zij zo aan de hoon van de echte heersers van de straat, die zich doodergeren aan imitators. De gymnasiasten op hun beurt, piekeren er niet over om zich in het rauwe straatleven te mengen. Over een paar jaar staan ze misschien met medestudenten te ‘bieren’, eten ze ‘gore meuk’ en roepen ze dat anderen moeten ‘optiefen’. En allang voordat ze gaan studeren, gebruiken ze het corpsballenwoord ‘brak’, tegenwoordig gangbaarder dan ‘katerig’.

Sms-taal

Straattaal, jongerentaal, sms-taal, ze worden vaak op één hoop gegooid, maar het is niet allemaal hetzelfde. Er is wel overlapping. Kenmerkend voor sms-taal is het gebruik van afkortingen, cijfers en leestekencombinaties. Ouderen sms’en ook, maar die doen dat meestal in gewone zinnen. Jongeren sms’en en chatten meer dan ouderen, en daarbij gebruiken ze ook hun groepstaal, vaak in verkorte vorm.

Antropoloog en taalwetenschapper Vincent de Rooij, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar het creëren van identiteiten, spreekt liever niet van afzonderlijke ‘talen’. ‘Het zijn geen talen met een vastgelegde woordenschat en grammatica. We leven in een taalruimte, en daarbinnen is variatie. Dat gaat vanzelf: kinderen zitten bij elkaar op school, klitten samen en er ontstaan nieuwe woorden, of varianten op bestaande woorden uit verschillende talen. Die taalvarianten hebben gemeen dat ze afwijken van de standaardtaal, het officiële Nederlands.’

Fucking-dit

Straattaal is bij uitstek geschikt voor taboewoorden en die uit je makkelijker in een andere taal, ontdekte De Rooij. ‘Engelssprekenden zijn soms verbijsterd over het gemak waarmee wij ‘shit’ roepen, en als ze kinderen uit de middenklasse, fucking-dit en fucking-dat horen zeggen.

‘Het gaat bij straattaal altijd om markeringen, waarmee je jezelf onderscheidt als lid van een groep. De intonatie is net een beetje anders, of de betekenis van bestaande woorden verschuift: zoals ‘kapot’, ‘ziek’ of ‘lauw’ in de betekenis van ‘heel erg’, maar je ziet ook wijzigingen in de grammatica: ‘Ik heb haat aan jou’ of ‘Weet je waar zijn huis woont?’ Met zulke varianten meet je je een identiteit aan. Die varianten wisselen voortdurend.’

Poëzie

Dat moet ook wel, zegt De Rooij, want zodra een term in raakt bij brede groepen jongeren, moeten straattaalgebruikers iets anders bedenken. Als jochies van 8 heel cool ‘Aaaaaaight’ (OK) roepen, dan is zo’n woord passé. ‘Straattaal leer je alleen op straat. Jongeren maken er, in het contact met buitenstaanders, soms bewust een stereotype van zichzelf mee, om de grenzen tussen de eigen groep en de anderen stevig aan te zetten. Het is een creatieve, poëtische omgang met de taal.’

Niet iedereen denkt daar zo over. Straattaal worden door veel mensen, ook opvoeders en leraren, geassocieerd met taalachterstand en taalverarming. In de jaren negentig sprak men denigrerend over ‘smurfentaal’, nu wordt straattaal vooral geassocieerd met agressie. Zo schrijft het onderwijsadviesbureau APS, dat in opdracht van het ministerie van Onderwijs een Centrum School en Veiligheid oprichtte, op zijn website: ‘Straattaal is een dwingende, stellende taalvorm met een luide, monotone, dwingende intonatie, zonder verzachtende, ruimte biedende woorden. Het komt vaak aanvallend en agressief over.’

Geen taalverloedering

Volgens taalwetenschappers zijn straattaalsprekers doorgaans geen gemankeerde taalgebruikers. René Appel, die jarenlang onderzoek deed naar straattaal, toonde aan dat juist jongeren die het Nederlands goed beheersen inventief de straattaal gebruiken. Hun woordkeuze en zinsbouw duiden niet op onvermogen, maar op behoefte aan nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden.

Taalkundige Vivien Waszink is evenmin bang dat het Nederlands wordt bezoedeld door de taal van de straat. Zij studeerde af op het gebruik van het woordje ‘leuk’ en doet nu een promotieonderzoek naar de vorming van nieuwe woorden ‘met een verkort element’. Ze is ook redacteur van het Algemeen Nederlands Woordenboek, een elektronisch woordenboek van het Nederlands na 1970. ‘Het zijn niet de grappigste en meest inventieve nieuwe woorden die blijven’, zegt zij, ‘maar juist de saaie. De meeste jongerenwoorden hebben een te kortstondig bestaan om het woordenboek te halen.’

FUDGE-test

Om te voorspellen of woorden blijvertjes zijn, ontwikkelde de Amerikaan Allan Metcalf de ‘FUDGE-test’. Die benaming heeft niets te maken met ‘lekker’ (fudge is zachte karameltoffee); de hoofdletters staan voor vijf factoren: Frequency, Unobtrusiveness, Diversity of users and situations, Generation of forms and meanings, en Endurance. Waszink: ‘Nieuwe woorden lijken op oude. We gebruiken wat we al kennen, maar we benoemen er een nieuw verschijnsel mee. Een mannelijke ‘bimbo’ is een himbo. Ook ‘smirten’ maakt een grote kans: een combinatie van ‘smoke’ en ‘flirt’, ontstaan sinds mensen buiten moeten roken, en daar fijn flirten met andere rokers.’

Typische jongerenwoorden hebben geen lang leven, zegt Waszink, ‘omdat ze niet door iedereen gebruikt kunnen worden. Deze woorden scoren laag op de factor ‘D’: diversiteit van gebruikers en situaties. Toch kunnen sommige jeugdwoorden in het woordenboek komen, omdat ze door een grote groep zijn overgenomen.’

Standaardtaal ingehaald

Zulke woorden krijgen dan altijd een gebruikslabel, zoals ‘vulgair’ bij scheldwoorden. Kanshebbers zijn ‘cool’, ‘vet’, ‘chillen’, en ‘mattie’ voor vriend. Ook ‘je ding doen’, afkomstig uit het Engels uit de hiphopscène, is best algemeen geworden, zoals in ‘Dat is niet mijn ding’. In studentenkringen wordt iemand die iets heel goed kan een ‘koning’ genoemd. Dat wordt veel overgenomen, ook in samenstellingen als discokoning.

Waszink denkt niet dat sms- en chattaal ooit de standaardtaal zal halen: ‘Het is een manier van spellen die handig is in bepaalde situaties. Ik zie mijn dochter van dertien wel eens ‘sgool’ of ‘tog’ gebruiken, maar ze zegt zelf dat ze heus wel weet hoe je het echt schrijft. Ik denk dat dit wel een fout is die jongeren zomaar in een proefwerk kunnen maken. Daar moet op school natuurlijk aandacht voor zijn.’

Jongeren zijn motor

Jongeren zijn volgens Waszink een belangrijke motor achter taalverandering. De populariteit van afkortingen houdt verband met hun manier van communiceren. ‘Van alle nieuwe woorden heeft 60 procent een element van verkorting. Vooral afkortingen die op een klinker eindigen, zijn geliefd: ego, emo, aso, bio, eco, refo, reli, of nieuwvormingen met Engelse woorden, zoals infotainment, infomercial, docusoap, romcom.’

Met taalverloedering of ‘geen fatsoenlijk Nederlands spreken’ hebben deze nieuwvormingen en taalvarianten niets te maken; de meeste jongeren kunnen feilloos switchen tussen verschillende ‘talen’. ‘Taal is altijd in verandering, dankzij de creativiteit van de taalgebruiker,’ zegt Waszink. De Rooij: ‘Jongeren gebruiken hun groepstaal niet bij hun leerkrachten, en al helemaal niet bij hun ouders, dat vinden ze vaak respectloos.’

Grammatica toch belangrijk

Dat veel jongeren de standaardtaal matig beheersen is wél een probleem. ‘Het is de taal van de gevestigde belangen’, zegt de Rooij. ‘Een neutraal accent, goed kunnen formuleren en spellen, dat alles is ‘sociaal kapitaal’. Zulke dingen moet je leren op school. Ontleden moet weer serieus worden genomen; wie de grammatica doorziet, spelt de werkwoordvormen goed. Door iedereen de standaardtaal goed te leren, vergroot je ieders kansen.’

Ter geruststelling: daar zijn bijna alle jongeren het mee eens. Uit een onderzoek onder middelbare scholieren dat de Nationale Jeugdraad onlangs hield, samen met de Nederlandse Taalunie en jongerenblad Maks!, bleek dat 96 procent ‘goed Nederlands’ heel belangrijk vindt bij het schrijven van een sollicitatiebrief of tijdens een sollicitatiegesprek.

Die meisje

‘Maar het belang van de standaardtaal betekent niet’, vindt de Rooij, ‘dat je pas kunt ‘meedoen’ als je altijd en overal Nederlands spreekt, zoals het kabinet beweert. Het is goed om je veilig te voelen in een thuistaal; het is fijn om met je groepstaal een eigen sociale ruimte te creëren. Je mag jongeren best loslaten in hun eigen talen zolang ze zich bewust zijn van taalvarianten en stijlen die geschikt zijn voor verschillende situaties.’

Het aankweken van dat bewustzijn is volgens de Rooij ook een taak voor het taalonderwijs. Dat is nogal wat, erkent hij, want het vergt al veel energie om iedereen de standaardtaal goed te leren. Misschien, vindt hij, moet de standaardtaal meer openstaan voor verandering. ‘Zoals ooit de naamvallen verdwenen, en nu het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke ‘de’-woorden niet meer wordt gevoeld, zo zal het verschil tussen ‘de’- en ‘het’-woorden wegvallen, als veel taalgebruikers dat verschil niet meer voelen. Waarom zou dat erg zijn?’

Die meisje spreekt coole taaltje op werk – misschien kijken we er over een paar decennia niet meer van op.

Sms-en (Gabriel Eisenmeier)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden