Stop de criminalisering van kattenkwaad

Het uitdelen van taakstraffen aan jonge delinquenten wegens kleine vergrijpen is een heilloze weg. Ido Weijers vindt dat dit soort delicten veel zuiniger moet worden bestraft en zeker niet routineus, omdat anders verlies aan gezag en onverschilligheid dreigen te ontstaan....

ER HEEFT zich de afgelopen jaren in het jeugdstrafrecht een cultuuromslag voorgedaan. Strafrechtelijk optreden tegen jongeren en kinderen wordt niet langer als laatste redmiddel gezien. Men wil er zo vroeg mogelijk bij zijn. Het traditionele coulante reageren op jonge first-offenders naar aanleiding van een licht delict is losgelaten. Ook als er een fikkie is gestookt of vuurwerk te vroeg afgestoken dient de politie de jongere door te zenden naar bureau Halt voor het verrichten van een taakstraf. Dit is een heilloze weg.

Het is een verademing dat de nieuwe voorzitter van het college van procureurs-generaal de uitzonderlijke hoge prioriteit die de afgelopen jaren werd gegeven aan de aanpak van de top van de zware criminaliteit relativeert. Er wordt expliciet afstand genomen van het zelfgeschapen beeld van 'Amerikaanse toestanden'. In dat klimaat past ook een heroriëntatie op de aanpak van de jeugdcriminaliteit. Niet alleen de disproportionele aandacht voor Nederlands 'Al Capones', ook de morele paniek over onze kleine bandieten verdient relativering. De afgelopen jaren zijn de verhoudingen in ons strafrecht van twee kanten scheefgetrokken: enerzijds door een overconcentratie op 'heel grote boeven', anderzijds door een gelijk opgaande overmatige aandacht voor de allerkleinste boefjes.

Voor herstel van een evenwichtig jeugdstrafrecht zijn behalve criminologische en juridische argumenten ook sterke pedagogische argumenten te geven. Het uitgangspunt is de opvoedkundige regel dat men in opvoedingssituaties altijd zuinig moet zijn met sancties en nooit routineus. Te grote gulheid met straf en te veel routine leiden onherroepelijk tot verlies aan opvoedingsgezag en tot onverschilligheid bij de jeugdige daders. Dat geldt niet alleen voor het gezin, maar ook voor de school, de sportvereniging en op straat, en bij al die gelegenheden waarbij politie en justitie ingrijpen van hun kant overwegen. Vanuit dit gezichtspunt verdient de justitiële benadering van jongeren die over de schreef zijn gegaan op ten minste twee punten bijstelling. Dat betreft de Halt-aanpak en het recentelijk ingezette Stop-beleid.

Sinds midden jaren negentig heeft de Halt-afdoening beleids prioriteit. Bij lichte delicten van first-offenders geldt inmiddels 'Halt, tenzij...' Tegenwoordig wordt een op de vijftig jongeren tussen 12 en 18 in Nederland doorgezonden naar Halt voor het verrichten van een kleine taakstraf. De gedachte achter Halt is dat een waarschuwing of berisping te licht, maar vervolging te zwaar is. Halt beoogt een snelle, opvoedende straf met sterk preventief effect te zijn.

Bij die pedagogische pretenties kunnen gezien de huidige praktijk echter nogal wat vraagtekens worden gezet. Ten eerste moet de preventieve werking van enkele uren taakstraf sterk worden betwijfeld. Maar het merkwaardige feit doet zich voor dat er op dit moment zelfs niets valt te zeggen over het mogelijk preventieve effect. Zoals een WODC-rapport al in 1996 aantoonde, heeft de doortastende aanpak ertoe geleid dat er geen opgepakte 'niet Halt'-kinderen die de wet overtreden meer te vinden zijn.

Relevante vergelijking met betrekking tot recidive is daardoor onmogelijk geworden.

Wat we echter wel weten, is dat de leeftijd waarop kinderen naar Halt worden gestuurd voortdurend daalt en dat de ernst van het delict steeds minder wordt. De taakstrafcoördinatoren constateren de laatste jaren een toename van zeer korte taakstraffen voor heel lichte feiten die naar hun mening helemaal geen straf verdienen. Het grootste gedeelte van deze kinderen is nu tussen de 13 en de 15 jaar. Ze hebben een klein delict gepleegd en van hen zijn geen problemen thuis, op school of in de buurt bekend. Anders geformuleerd, hoe jonger en onschuldiger deze deugnieten worden gestraft, hoe waarschijnlijker het is dat er 'lage recidive' gevonden zal worden, omdat men het volume kinderen waar helemaal geen aanleiding is om recidive te verwachten langs deze weg eenvoudigweg doet toenemen. Kortom: hoe meer kinderen, hoe lager de recidive-cijfers. Aldus produceert deze strategie haar steeds inhoudslozer gelijk.

De Halt-filosofie veronderstelt bovendien ten onrechte dat de betreffende kinderen een rationele afweging tussen kosten en baten van hun handelingen maken en dus een bewuste beslissing nemen om tot vuurtje stoken of een vechtpartijtje over te gaan. Pedagogisch onderzoek heeft echter precies het tegendeel aangetoond. Dit soort delicten ontstaat over het algemeen toevallig en in groepsverband. Typerend is juist het gebrek aan rationele afweging en het impulsieve karakter ervan.

Een derde kanttekening betreft de illusie van de alom aanwezige overheid. De Halt-aanpak veronderstelt dat kinderen geloven dat de overheid alle kinderen die kattenkwaad uithalen op dezelfde wijze oppakt en straft. Maar opgepakte kinderen weten maar al te goed dat hun vriendjes voor eenzelfde of zelfs ernstiger delict niet zijn opgepakt of gestraft. Deze aanpak gaat uit van een bizarre opvatting van het ondeugende kind. Op het punt van aansprakelijkheid veronderstelt deze aanpak een rationeel calculerend individu. Op het punt van kennis van de eigen wereld houdt deze aanpak datzelfde kind voor onnozel.

Een recent dieptepunt in deze ontwikkeling is Stop. Ondanks onze ondergrens in het jeugdstraf recht van 12 jaar kwam het in de praktijk al regelmatig voor dat kinderen van 12 en jonger naar Halt werden verwezen. Begin 1999 heeft het college van procureurs-generaal een aanwijzing vervaardigd waarmee strafrechtelijke vervolging van '12-minners' mogelijk is gemaakt.

Stop is een juridisch wangedrocht dat zo snel mogelijk ongedaan dient te worden gemaakt. Allereerst omdat een behoorlijke wetttelijke basis ontbreekt. Onze wetgeving sluit de strafrechtelijke vervolging van kinderen van 12 jaar en jonger uit vanwege ontoerekeningsvatbaarheid. Bovendien betekent Stop een schending van het Verdrag inzake de rechten van het Kind, dat naleving van een ondergrens vereist. Maar Stop betekent ook dat justitie pedagogisch gezien een verkeerde koers inslaat. Het is van tweeën een: óf de ouders hebben ondersteuning nodig in de opvoeding en dan is een serieuze civiel-rechtelijke interventie aangewezen, óf de gezinssituatie biedt geen reden tot bemoeienis van buitenaf en dan dient elke interventie achterwege te blijven.

Om een eind te maken aan de scheefgroei van het Nederlandse jeugdstrafrecht dienen we een helder onderscheid te maken tussen overheidsbemoeienis met serieuze delicten die een onaanvaardbare inbreuk op de openbare orde of schade voor anderen betekenen, en kattenkwaad.

Kattenkwaad valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid. Hier heeft de overheid slechts een (civiel-rechtelijke) taak indien zij over concrete aanwijzingen beschikt dat de ouders in het nakomen van hun verantwoordelijkheid als opvoeders tekortschieten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden