Stoomwals over inheemse kwalen

Non-fictie Het Westen slijt zijn psychische ziekten wereldwijd zoals McDonald’s zijn hamburgers, stelt Ethan Watters. Door Ranne Hovius..

‘Ze was nog dunner dan een gele bloem’, schreef een krant in Hongkong over de 14-jarige Charlene Hsu Chi-Ying. Op 24 november 1994 ging ze in haar schooluniform naar huis, hield bij de tramhalte wankelend stil, zakte in elkaar en overleed. Uitgehongerd. Een paar maanden eerder was ze nog een vrolijke meid geweest, die bij de besten van de klas hoorde, veel vriendinnen had en graag sportte. Ze was niet dik en had het nooit over diëten gehad. Toch was ze opeens gaan hongeren. De aanleiding was onbeduidend: haar moeder had haar niet laten meegaan op een schooltripje. Waarom ze vervolgens eten bleef weigeren wist niemand. Haar dood was een raadsel waar alle kranten zich op stortten. Charlene werd, schrijft de Amerikaanse onderzoeksjournalist Ethan Watters, in Hongkong beroemd als het publieke gezicht van anorexia nervosa.

In Crazy Like Us is anorexia een van de vier voorbeelden aan de hand waarvan Watters beschrijft hoe westerse opvattingen over psychisch lijden zich als een onverbiddelijke zekerheid over de wereld verspreiden. Het anorexiavoorbeeld is in dit verhaal illustrerend omdat de omslag in het denken overtuigend te traceren is tot het moment waarop de graatmagere Charlene op straat overleed.

Wat een raadsel was voor haar dokters, voor haar omgeving en ongetwijfeld ook voor haarzelf, was gesneden koek voor de westerse geest. In het westerse denken is anorexia het bijna onvermijdelijke gevolg van de mode- en filmindustrie. De extreme slankheid van modellen en actrices, luidt de redenering, is de norm geworden waaraan opgroeiende meisjes menen te moeten voldoen. Slaan die meisjes aan het diëten, dan ligt anorexia op de loer met als kenmerkende symptomen een fobische angst voor dik worden en een verstoord beeld van het eigen lichaam. In 1994 kwamen in Hongong meisjes die zichzelf uithongerden nauwelijks voor. De paar die een eetprobleem hadden, voldeden niet aan het westerse beeld.

Zij vonden zichzelf niet te dik, zij schreven hun onvermogen te eten toe aan fysieke problemen zoals buikpijn of een dikke keel en ze waren allesbehalve opgetogen over hun verschrompelende lichamen. Waarom ervoeren deze meisjes hun anorexia zo anders dan hun westerse leeftijdgenoten?En waarom waren er zo weinig patiënten? Aan de omgeving kon het nauwelijks liggen.

‘Alle triggers voor anorexia die in de westerse literatuur onderkend werden’, schrijft Watters, ‘waren in Hongkong aanwezig’: de dunne modellen, de westerse kleedcultuur en de obsessie met eten. Wat nog niet eerder aanwezig was, was een concreet eigen geval dat het nieuws haalde. En daarin bracht Charlene verandering. Wat bezielde haar zichzelf dood te hongeren? Voor het antwoord keek men naar westerse experts, die de voor hen vanzelfsprekende factoren in stelling brachten van uit de hand gelopen schoonheidsidealen, angst voor vet, verstoord lichaamsbeeld en een grote prestatiedrang.

Dat hun verhaal totaal niet op Charlene van toepassing was, voorkwam niet dat het keer op keer herhaald werd. Dat er verder nauwelijks hongerende meisjes te vinden waren, verhinderde niet dat het verhaal al snel de vorm van een urgente waarschuwing kreeg: leraren, sociaal werkers, ouders en klasgenoten kregen het dringende advies goed op te letten of middelbare schoolmeisjes in hun omgeving niet al de eerste tekenen van dit westers ingekleurde onheil vertoonden. Voorlichtingscampagnes kwamen van de grond, counseling werd geboden. Wat volgde kon niet uitblijven. Steeds meer meisjes in Hongkong vertoonden de alarmerende tekenen. Niet alleen beschreven ze hun weigering te eten in westerse termen, ze voelden ook werkelijk een grote angst voor vet en hadden aantoonbaar een verstoord beeld van hun eigen lichaam.

Dat psychiatrische ziektebeelden veranderen met de tijd en de plaats waar ze opdoemen, is met talloze voorbeelden te illustreren. In de westerse wereld behoorden verlammingsverschijnselen aan het einde van de 19de eeuw tot het vaste repertoire symptomen van hysterie, en bereikten meervoudige persoonlijkheden een kortstondige piek in de tweede helft van de 20ste eeuw. Uit niet-westerse culturen zijn psychische ziektes bekend als koro, waaraan mannen in Zuidoost-Azië kunnen lijden en die duidt op de gekmakende zekerheid dat de genitaliën zich in het lichaam terugtrekken. Of amok, de onder Indonesische mannen waargenomen afwisseling van langdurige somberheid met woedeaanvallen die kan volgen op een onbeduidende belediging in het openbaar. De verscheidenheid en veranderlijkheid van psychiatrische ziektebeelden hangt samen met factoren als ongrijpbaarheid van psychisch leed, de gebrekkige kennis over de oorzaken ervan en de gevoeligheid van mensen voor suggestie. Iedere periode en iedere cultuur vindt zijn eigen taal en vorm waarin symptomen gebundeld, begrepen en ook beleefd worden. Daar is niks mee mis zolang het de eigen cultuur betreft.

Bedenkelijk wordt het wanneer deze cultureel bepaalde inzichten als onomstreden aan andere culturen worden opgedrongen met een volstrekt voorbijgaan aan wat daar aan inzichten is ontwikkeld. En dat is waar Amerikanen sterk in zijn, stelt Ethan Watters in Crazy Like Us. Dat overal ter wereld bij McDonald’s gegeten wordt en Nike-schoenen gedragen worden is treurig genoeg, stelt hij, maar ‘onze gouden bogen vertegenwoordigen niet onze meest zorgwekkende invloed op andere culturen; erger is dat we het landschap van de menselijke geest afvlakken. () Door de rest van de wereld te leren denken zoals wij homogeniseren we de manier waarop de wereld gek wordt’.

Het meest spectaculaire voorbeeld van Watters is de wijze waarop de westerse wereld te hulp schoot na de tsunami die Sri Lanka in 2004 trof. Honderden hulpverleners stroomden toe omdat zij dachten te weten wat de bevolking nog niet wist: dat ze te maken zouden krijgen met een posttraumatische stress-stoornis. Er moest snel met het ‘debriefen’ van de getroffenen worden begonnen, zij moesten praten over de ramp en kinderen moesten met kleurkrijtjes en spelletjes aangespoord worden zich over de ramp te uiten.

Dat de hulpverleners lukraak en zonder onderlinge afstemming te werk gingen, niet te beroerd waren getroffen kinderen bij elkaar weg te lokken, de taal niet spraken en van de plaatselijke gewoontes doorgaans niet meer wisten dan dat je met je rechterhand moest eten, weerhield ze er niet van een heilig geloof in hun eigen inbreng te hebben.

Maar wat ze in feite deden was schade aanrichten door als een stoomwals heen te gaan over de plaatselijke vormen van rampverwerking, gekenmerkt door een nadruk op sociale relaties in plaats van individueel leed, de behoefte in eufemistische, indirecte termen over de gevolgen van een ramp te spreken en een vertrouwen in religie.

Het enige goede dat over de hulpverleners in Sri Lanka te zeggen valt, is dat ze gedreven werden door de beste bedoelingen. Dat gold niet voor de farmaceutische industrie die in het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw geen antidepressiva aan de Japanse bevolking konden slijten. De reden was simpel: in Japan was de depressie zoals wij die kennen – een psychische ziekte die iedereen kan treffen – onbekend. Om medicijnen te kunnen verkopen moest eerst de ziekte zelf verkocht worden. Door de depressie in talkshows te omschrijven als ‘een verkoudheid van de ziel’ wist de farmaceutische industrie een mentaliteitsverandering in Japan op gang te krijgen die uiteindelijk ook daar tot een megaverkoop van antidepressiva leidde.

Het vierde voorbeeld dat Watters beschrijft is de behandeling van schizofrenie. Hoewel in de westerse wereld antipsychotica het effectiefst worden gevonden, verkeren wetenschappers al jaren in verwarring over het feit dat schizofreniepatiënten in ontwikkelingslanden een betere prognose hebben dan in westerse landen. Van de westerse patiënten raakt 40 procent uiteindelijk ernstig gehandicapt, in ontwikkelingslanden is dat maar 24 procent.

Het is een interessant probleem, maar van de voorbeelden die Watters geeft, is dit het minst bevredigend uitgewerkt. Hij concentreert zich op twee verschillende gevallen in Zanzibar. In het ene gezin worden zowel vader als dochter schizofreen en is de moeder degene die met laconieke berusting en vertrouwen in God de zorg op zich neemt.

In het andere gezin gaat het om een broer die voor zijn schizofrene zuster zorgt en haar naar westerse inzichten laat behandelen. Hoewel Watters beide gevallen indrukwekkend beschrijft, biedt deze wel heel kleine steekproef geen overtuigend beeld van de effecten van verschillende inzichten. Dat is temeer jammer omdat schizofrenie in de westerse wereld geldt als een van de weinige psychiatrische aandoeningen waarop plaats en tijd geen invloed hebben.

Dat neemt niet weg dat Watters met Crazy Like Us een boeiend en vooral behartigenswaardig werk heeft geschreven. De boodschap die hij benadrukt is: andere culturen gaan niet beter of slechter om met geestesziekten dan wij, ze gaan er vooral anders mee om. Laten we dat niet achteloos wegvagen, maar laten we ervan leren. In een wetenschap die zo weinig zekerheden kent als de psychiatrie siert bescheidenheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden