Stilte rond de Endlösung

De herinnering aan de oorlog verandert sterk. Aanvankelijk overheerste het nationale perspectief en was er weinig plaats voor daders, weifelaars, of voor overlevenden uit de kampen....

IN 1946 PUBLICEERT Simon van het Reve in het literaire tijdschrift Criterium een kort verhaal waarin een ontluisterend beeld van de bezettingsjaren wordt geschetst. De ondergang van de familie Boslowits vertelt het relaas van de langzame en ogenschijnlijk onafwendbare verdwijning van de joden uit de samenleving, bezien vanuit het perspectief van een gymnasiast - een verhaal dat is ontdaan van alle heroïek en vervuld van dagelijkse zorgen en puberale onbevangenheid. (. . .)

De hoofdpersonen in De ondergang van de familie Boslowits lijken part noch deel te hebben aan de samenleving die wordt geschetst in de meeste andere romans en verhalen, films, documentaires, beelden en gedenkboeken uit deze jaren. Dat wil niet zeggen dat Van het Reve de enige schrijver is met een duidelijke voorkeur voor de minder vertrouwenwekkende kanten van het leven tijdens de bezetting. Simon Vestdijk, bijvoorbeeld, schildert in zijn ironische roman Pastorale 1943 (1948) een al even ontluisterend beeld van het gedrag van de 'grote kinderen' die de oorlog van veel Nederlanders had gemaakt - gedrag dat misschien wel oprecht, maar toch vooral lachwekkend was. Een jaar later tekent Hermans in De tranen der acacia's de oorlogstijd als een moeizame en weinig verheffende worsteling om greep te krijgen op de werkelijkheid, op een manier die iedere moraal lijkt te willen verbannen.

Van het Reve, Hermans, Vestdijk en ook schrijvers als Adriaan van der Veen en, wat later, Mulisch hielden zich bezig met thema's waarop in de jaren zestig en zeventig pas het volle licht zou vallen. Te midden van andere uitingen van het 'collectieve geheugen' nam de literatuur dus een bijzondere plaats in, al is dit door tijdgenoten veelal niet zo ervaren. Zij neigden ertoe de opvoedende waarde van deze literatuur te benadrukken, door de aandacht van de jonge schrijvers voor de verdrongen aspecten van de realiteit te interpreteren als de weerslag van de demoraliserende oorlogservaringen van de jongeren en als een uitdrukking van de teleurstelling en neerslachtigheid die zich van het naoorlogse Nederland hadden meester gemaakt. Met deze moralistische interpretatie werd de donkere zijde van de oorlogservaringen feitelijk opnieuw uitgesloten van de dominante collectieve herinneringen.

Het pijnlijke, maar zorgvuldig toegedekte contrast tussen de bedrieglijke alledaagsheid en de gruwelijkheid van de gebeurtenissen maakt De ondergang van de familie Boslowits tot een sleuteltekst voor het heersende onvermogen om de nazistische vervolging te herkennen en te begrijpen, zowel in als na de oorlog. Want na de bevrijding bleken de overlevenden van de kampen ook op weinig consideratie te mogen rekenen.

De terugkeer zelf verliep in veel gevallen al moeizaam. Om 'principiële' redenen maakte de Nederlandse overheid noch het Militair Gezag een onderscheid tussen de verschillende groepen repatrianten, of het nu ging om politieke gevangenen, overlevenden uit de vernietigingskampen of dwangarbeiders. Terwijl de voormalige politieke gevangenen bij terugkeer mochten rekenen op enig enthousiasme, kregen de meeste joodse overlevenden een koel onthaal. 'Bij onze thuiskomst bleken wij woordarme reizigers', zou G.L. Durlacher later schrijven, 'de taal voor onze belevenissen ontbrak. De afgesleten woorden die er waren, bleven achter onze tanden, want vrijwel niemand was er om ze in ontvangst te nemen en vrijwel niemand wilde luisteren, laat staan begrijpen. Zij zouden de bevrijdingsroes vergallen en veler bedrog ontmaskeren.' Met nog geen vijfduizend keerden zij terug en voor vrijwel ieder van hen was het sociale leven veranderd in een woestenij. Ze werden bij thuiskomst lastig gevallen met formaliteiten en moesten lang en moeizaam onderhandelen om hun elders ondergebrachte bezittingen terug te krijgen.

Rond de bevrijding openbaarde zich bovendien een onmiskenbare herleving van antisemitische gevoelens. De nazistische propaganda had de joden zichtbaarder gemaakt dan ooit: 'Zeker is dat het weten omtrent Jood of niet-Jood dat ons in de oorlog werd opgelegd, ons in de huid is gedrongen', zo zou het echtpaar Romein later schrijven. Volgens Presser speelden ook andere sentimenten een rol: nu 'verzet' de maatstaf was geworden lag het voor de hand, dat 'zovelen, die deze plicht verzaakt hadden, zich wreekten op degenen, die hen aan dit tekortschieten op zo pijnlijke wijze herinnerden: de overlevende Joden.' Het leek erop dat in één klap 'alle stereotypen uit hun halfsluimer waren opgestaan'.

Deze stemming bereikte een dieptepunt in de felle polemieken over de positie van de joodse weeskinderen: moesten deze in hun - veelal katholieke en protestantse - pleeggezinnen blijven of worden overgeplaatst naar een joodse omgeving? De joden, zo bleek uit een niet-gepubliceerd onderzoeksrapport over het herlevend antisemitisme, zouden in veler ogen onvoldoende 'dankbaarheid' tonen, terwijl 'zij waarlijk niet de enigen (zijn), die het slecht hebben gehad en geleden hebben' en bovendien: hoeveel niet-joodse Nederlanders hadden hun leven niet voor hun landgenoten in de waagschaal gesteld?

De golf van antisemitische sentimenten was maar van korte duur. Daarvoor in de plaats kwamen mildere vormen van publieke miskenning: het lot van de vervolgden werd ofwel verzwegen of in nationale zin geannexeerd. Binnen de strikt nationale en politiek gesanctioneerde visie op het recente verleden was eenvoudigweg geen bijzondere ruimte voor de ontheemde en gedecimeerde joodse gemeenschap, zomin als voor andere systematisch vervolgde groepen, zoals de zigeuners en woonwagenbewoners. Hun herinneringen werden onzichtbaar gemaakt, opgelost in een nationaal discours.

Het verdwijnen van de herinneringen van de vervolgden kwam ook tot uitdrukking in de dodenherdenking. Hier was evenmin plaats voor specifieke categorieën van slachtoffers, met uitzondering van de doden die gevallen waren in de strijd ter verdediging of bevrijding van het vaderland. Voor het overige waren de gedenktekens, aangebracht op kerkhoven en in kantoren, bedrijven en sociëteiten, bestemd voor de eigen organisatie of gemeenschap, voor het spoorwegpersoneel, de parochie, het studentencorps. Van de bevolkingsgroepen die het doelwit waren geweest van de nazistische vernietigingspolitiek verwachtte men hetzelfde, zo kan worden afgeleid uit de debatten over de oprichting van oorlogsmonumenten: zij werden op één lijn gesteld met andere maatschappelijke groeperingen, zoals de sportorganisaties, die hun omgekomen leden herdachten met plaquettes in het sportcentrum van de KNVB (1946) en bij het Olympisch Stadion (1948).

Lange tijd was er maar één publiek monument dat naar de vervolging en vernietiging verwees: een muur van vijf reliëfs (gemaakt door J. Wertheim), gelegen aan de Weesperstraat in Amsterdam en opgericht op initiatief van joodse overlevenden, sedert 1946 verenigd in het 'Comité tot Stichting van een gedenkteken voor de hulp in Nederland aan Joden verleend gedurende de oorlog'. Het monument werd in 1950 onthuld en droeg officieel de naam Herdenking Burgerzin Amsterdamse bevolking tegenover de joodse bevolking; een plan om bij dit teken een urn met as uit Auschwitz te plaatsen stuitte echter op bezwaren. Als uitdrukking van dankbaarheid voor de opoffering en solidariteit van joden en niet-joden belichtten de gedenkstenen dezelfde kant van de geschiedenis als de Dokwerker, het monument dat ondanks de felle politieke strijd over het 'eigendomsrecht' van het stakingsparool na jaren van voorbereiding in 1952 werd onthuld.

IN DEZE CONTEXT geplaatst werd de geschiedenis van de razzia's en deportaties ondergeschikt aan de heersende politieke opvattingen en rituelen. De vervolging en vernietiging fungeerden primair als een illustratie van de Duitse perversiteit en als exemplificatie van het leed dat Nederland had getroffen. Het perspectief was nationaal en daarmee volgde de publieke herinnering in Nederland patronen die ook in andere landen konden worden waargenomen. Ook Abel Herzberg's Kroniek der Jodenvervolging, oorspronkelijk verschenen als deel drie van het nationale geschiedwerk Onderdrukking en Verzet (1950) en lange tijd de enige grote studie over het onderwerp, onttrok zich niet aan dit patroon. De jodenvervolging was 'eigenlijk geen Nederlandse geschiedenis', aldus Herzberg: 'Zij is niet uit de Nederlandse verhoudingen opgekomen. Men kan zelfs met zekerheid zeggen, dat zij daaruit niet opkomen kòn. Het verzet tegen de Jodenvervolging is een Nederlandse zaak geweest.' En zo beschreef hij de gebeurtenissen ook: als een uitvoerige kroniek, kritisch maar zonder veel aandacht voor de Nederlandse context.

Initiatieven om te komen tot oprichting van een monument ter herinnering aan de vervolging zelf ketsten telkens af op tegenstand van de verantwoordelijke autoriteiten. De gemeente Amsterdam, bijvoorbeeld, traineerde jarenlang de oprichting van een joods gedenkteken op het Jonas Daniël Meijerplein, een initiatief van het kerkbestuur van de Nederlands Israëlitische Hoofdsynagoge in 1946. Daarbij speelden dezelfde motieven als bij de repatriëring van de overlevenden uit de kampen: men wilde niet, zoals de bezetter, een onderscheid maken tussen joden en niet-joden. De herdenking van de doden diende zoveel mogelijk in een nationaal kader plaats te vinden en niet uiteen te vallen in allerlei groepsherdenkingen.

De kwestie was in de eerste jaren na de oorlog ook onderwerp van bespreking bij de vaststelling van de lijst van nationale monumenten, waartoe Carasso's Boeg en het monument op de Dam eveneens zouden behoorden. In een voorlopige notitie had de Nationale Monumenten Commissie voorgesteld om een groep gelijksoortige monumenten te plaatsen bij de concentratiekampen Amersfoort, Vught en Westerbork.

De commissie beriep zich in haar voorstel op het onbetwistbare feit dat 'deze kampen eenerzijds een typeerend instrument zijn geweest van de Duitsche onderdrukking in zijn wreedsten vorm, anderzijds zoveel leed hebben gebracht, en zozeer verbonden zijn geraakt met den verzetsgeest van ons volk'. Het ging hier dus om 'de herdenking van een instituut, dat wel is waar voor het duitsche volk een schandmerk is, maar voor ons volk één der brandpunten vormde van geesteskracht èn leed, van verzetsgeest èn offer', zo stelde de Monumenten Commissie nadrukkelijk in een reactie op een brief van de Commissaris van de Koningin in Drenthe, R.H. de Vos van Steenwijk, die had betoogd dat dergelijke plaatsen van verschrikking juist niet 'naar voren gehaald' moesten worden.

De 'nationalisering' van Westerbork strookte met de afwijzing van een monument voor de jodenvervolging. Zulke bijzondere gedenktekens zouden immers onmogelijk de kwalificatie 'nationaal' kunnen dragen, aldus de Monumenten Commissie, die daarmee definitief afstand nam van het standpunt van de Centrale Commissie Oorlogsgedenktekens. Dat comité had in zijn voorbereidend plan, opgesteld in het eerste jaar na de bevrijding, nog wel gepleit voor een nationaal monument voor de jodenvervolging in Amsterdam. Het schrappen van dit onderdeel weerspiegelde niet alleen de politieke verschillen tussen de sterk tegen het voormalige linkse verzet aanhangende Centrale Commissie en de maatschappelijk zeer breed samengestelde Nationale Monumenten Commissie, maar ook het proces van uniformering en ideologisering van de herinneringen aan de oorlog.

Een van de weinige vroege monumenten waarin wel verwezen wordt naar de vervolging, was de beeldengroep van Mari Andriessen (in het Volkspark in Enschede): het fragmentarische karakter van de voorstelling schiep letterlijk en figuurlijk ruimte, zowel voor de vervolgde als voor de overlevende van de kampen. De vervolgde werd gepersonifieerd in De joodse vrouw, die in de definitieve opstelling, afgewend van de groep, tegelijk daarbuiten kwam te staan. Overigens legde ook Andriessen zijn figuur een onmiskenbaar christelijke symboliek op: precies als in de film Niet Tevergeefs staat de joodse vrouw met kind hier voor de Madonna met het Kind.

DE STILTE rond de Endlösung en de afwezigheid van de vervolgde groepen in de openbare herinnering waren een gevolg van een complex van elkaar versterkende omstandigheden. Vonden de publikaties over de concentratie- en vernietigingskampen onmiddellijk na de oorlog nog gretig aftrek, het duurde niet lang of de aandacht verslapte. De politieke en economische realiteit stelde haar eisen, men had andere zorgen en had genoeg gehoord over de oorlog, terwijl de bevrijding in de ogen van velen was uitgelopen op een feest van gefnuikte verwachtingen.

Daarnaast was er sprake van gevoelens van onmacht en schuld. 'Het is niet aangenaam voortdurend aan het leed van anderen herinnerd te worden en zich daardoor zelfs vaak verantwoordelijk gesteld te voelen voor werkelijke of vermeende tekortkomingen tegenover hen die omgekomen zijn of veel geleden hebben', zo schreef Eddy de Wind, psychiater en overlevende van Auschwitz, in 1949.

Sam Goudsmit, een andere overlevende, drukte zich in zijn dagboek minder diplomatiek uit: in zijn ogen las 'de menigte' de verslagen over de 'doodenkampen' vooral uit sensatiezucht, terwijl zij verder volkomen onverschillig bleef jegens het lot van de omgebrachten. 'Wij zullen het moeten memoreren met zo'n geweld, dat de modder van het vies gewetentje boven komt borrelen', zo schreef hij. 'De goeie bende (. . .) weet ook donders goed dat zij zich geen rekenschap heeft willen geven van haar passieve medewerking aan die totaale en waanzinnige uitroeiing. En dat zij lange tijd blij was, geen Joden te heten.'

Toch was er ook in de joodse gemeenschap al vroeg een tendens te bespeuren om niet te vaak en te lang stil te staan bij de wonden van de oorlog. Dat gold zelfs voor hen van wie op grond van hun professionele bezigheden een tegengestelde houding verwacht had mogen worden, zoals artsen en psychiaters: 'veel van de vroegere gevangenen hadden hun plaats in het leven teruggevonden en ze wilden zich niet langer met het verleden bezighouden, noch als onderzoeker, noch als onderzochte', zo verklaarde De Wind het zwijgen in een later artikel.

Volgens Selma Leydesdorff, die de geschiedenis van de herinneringen door middel van oral history heeft proberen te achterhalen, trachtten veel joden het dominante geschiedbeeld van de bezetting ten koste van hun eigen ervaringen te internaliseren - een opvatting die haar bevestiging vindt in de overbelichting van uitgesproken positieve thema's en gevoelens als dankbaarheid en solidariteit, zowel in het monument aan de Weesperstraat als in de tv-serie De Bezetting. Anderzijds lijkt het erop dat ook schaamte, wantrouwen en zelfcensuur een rol speelden in dit publieke zwijgen: men hoedde zich er angstvallig voor als individu of als gemeenschap aanstoot te geven.

Frank van Vree: In de schaduw van Auschwitz - Herinneringen, beelden, geschiedenis.

Historische Uitgeverij Groningen; ¿ 42,50.

ISBN 90 6554 401 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden