Stilleven in Libanon

Libanon is nog lang de oude niet. Al jaren doet het land manhaftige pogingen te herrijzen uit de puinhopen van de burgeroorlog....

PEPE de Piraat dommelt tegen de met vergeelde foto's behangen wand van de ooit fameuze Fishing Club in Byblos. Op de foto's: Pepe Abed met Joseph Luns, met Brigitte Bardot, met Marlon Brando. Voor de burgeroorlog dommelde Pepe zelden, het was in Libanons oudste toeristische trekpleister een gaan en komen van vermaanden. Maar omdat hij intussen ver over de tachtig is en Libanon nog altijd geassocieerd wordt met geweld en angst, wordt Pepe meestal alleen nog wakker voor de zonsondergang.

De weggezakte marinierspet gaat omhoog, de ogen flakkeren op. 'Alle zeeën', zegt hij dan, 'heb ik bevaren, alle havens onveilig gemaakt, alle zonsondergangen gezien. Maar dit is de mooiste. Hier zal ik sterven, in de stad van de Phoeniciërs, in de stad waar het alfabet is ontstaan.'

Hij werd in Mexico geboren, uit Libanese ouders, en trok met een frivole neef als varensgezel, playboy avant la lettre, de wereld in. Tot hij in Byblos zijn bestemming vond. In 1963 opende hij daar de Fishing Club die spoedig een van de meest gewilde mediterrane restaurants zou worden.

De Piraat ging, toen hij tegen de zestig liep, archeologie studeren, juwelen ontwerpen, en duiken. Hij vond op en in de zeebodem restanten van alle culturen die Libanon aandeden, veroverden en verwoestten. 'Want het is altijd een land van verwoesting en wederopbouw geweest, een kruispunt van religies.' Griekse amfora laat hij zien, Phoenicische ampullen en sieraden, maar het pronkstuk is een geweldige, halve meter hoge, waarschijnlijk Romeinse fallus. Nooit door oudheidkundigen onderzocht, nooit op waarde getaxeerd. Want hij verkoopt toch niets, ook niet van de zelfgemaakte juwelen.

Hij woont naast de drie grotachtige ruimtes, die in een hoek van de Fishing Club als privé-museum zijn uitgehouwen. Het gelijkvloerse openluchtrestaurant ernaast ligt eveneens zo'n twintig meter boven zee. Libanon is een lang land, in verhouding althans tot de breedte, maar hier is de afstand tot het begin van de bergen wel heel gering, een paar kilometer. Boven wordt al geskied, door een Arabische elite, beneden wordt nog gezwommen. Dat moet een westerling zijn. De Libanezen zelf kleumen bij de gedachte aan water dat 22 graden of koeler is.

Byblos is ook een kruisvaardersburcht, met de tempels van Resheph en Baalat Gebal, de koninklijke necropolis, de opgravingen uit het Neolithicum en de nabije druipsteengrotten. Charmant is het kleine fossielenmuseum in de toeristenstraat Rue Jbail. Een rondleiding daar, met een altijd beschikbare gids, kost niets. Heel het Midden-Oosten en de Mahgreb, van Marokko tot Egypte, en van Jordanië tot zelfs buurland Israël, lijkt er veelal op uit te zijn de toerist te vernachelen, maar Libanon kent, waar je ook bent, geen enkele verkoopdwang. Toerisme is een gunst, het lijkt geen noodzaak, hoezeer ook gesmacht wordt naar valuta. Zelfs het in de Arabische wereld gebruikelijke afdingen wordt niet op prijs gesteld.

De winkels in Rue Jbail liggen alle vol met fossielen. En ook de eigenaar van de meest smaakvolle ervan, een schitterend gewelfd, en wederom uit rots gehakt onderkomen, met indrukwekkende vitrines, hóeft niets te verkopen.

Als hij heeft uitgelegd hoe hij elke morgen de bergen ingaat om kalksteen te hakken, zegt hij, zonder iets van zijn miljoenen jaren oude relicten verkocht te hebben, ten afscheid: 'Dank u en wees altijd welkom in Libanon.' Zijn vindplaatsen hoeft hij niet te duiden. Ze zijn overal.

AL iets dichter bij Beiroet, opnieuw zo'n twintig kilometer zuidelijker, ligt Jounieh. Daar loopt een duizelingwekkend steile kabelbaan de bergen in, naar het monsterlijk grote Maria-beeld, dat eind vorige eeuw door de Fransen werd overgebracht om het Libanese land te overtuigen van hun geloof. Dat lukte ten dele, Libanon is nog steeds half-christelijk, half-islamitisch. Maar uit die verdeeldheid (en uit de Palestijnse aanwezigheid in Libanon) kwam ook een vijftien jaar durende burgeroorlog voort. 'Terwijl er geen vredelievender land is', zoals Pepe de Piraat in Byblos had gezegd, 'de oorlog was daarom tragischer dan welke oorlog ook.'

Boven, in Harissa, zoals het dorp heet waar de kabelbaan eindigt, ligt tussen de concurrerende kerken het kalksteen van de voortdurende Libanese afgraving splijtbaar open. Eén stoot tegen een broksteen en het skelet van een miljoenen jaar oude vis wordt in afdruk zichtbaar.

Even verder is, in een van de drie kerken van Harissa, een christelijk huwelijksfeest gaande. Het is onmogelijk niet genood te worden in de kring van dansenden. Maar snel valt de avond.

Restaurant La Crêperie serveert nog. Alleen mezze, verontschuldigt zich de gerant. Deze Libanese specialiteit wordt vervolgens in een overweldigende overvloed en variëteit opgediend. Alleen het hoge uitzicht op de baai van Jounieh voldoet trouwens al. Andere eters zijn er niet.

Een Libanese zakenman wijst, nadat de rekening is voldaan, de weg terug naar de kabelbaan en de afgrond richting Jounieh. Hij heeft, ondanks zijn voorspoed in Amerika, gekozen voor repatriëring. 'Wij Libanezen zitten nog steeds tussen twee, drie, vier vuren in, maar dit land is me te lief.'

Beneden blijkt het nachtleven begonnen. Een stilleven. De neonreclames flitsen, de talloze strandpaviljoens prijzen zich schreeuwend aan, maar in feite dommelt deze voormalige glitterpromenade. Twee gasten per uitspanning, ze roken de waterpijp en spelen backgammon. Alleen in de zomer leeft het dorp enigszins op. Dan komen de welgestelden van Beiroet, de hitte en drukte van de stad beu. Maar het buitenlands toerisme, waarvan Libanon hoopte dat het na de oorlog zou opbloeien, blijft sluimeren.

Langs de kustweg van Jounieh naar Beiroet, met zijn oud-Libanese huisjes, zijn charme en grote rotzooi ook, smeken de taxichaffeurs en snorders om een rit, ze herkennen feilloos de schaarse vreemdeling, die pas in Beiroet zelf gewaarwordt met welk een energie dit land uit zijn puinhopen poogt te herrijzen.

Legendarisch zijn de verhalen over Beiroeti, die tien keer, na evenzovele bombardementen, hun huis herbouwden. Die vijf keer wegvluchtten en toch terugkeerden. Die met een steeds nabije dood leerden leven. 'Libanezen zijn overlevers', zei de nieuwe president Lahoud. Hij had gelijk. Libanezen hebben een eindeloze geschiedenis van bezetting en vernietiging, maar ze overleefden ten koste van de zwaarste nederlagen en offers, en ze bleven 'bescheiden, vergevingsgezind, hartelijk en volhardend'.

En ook Beiroet zal daarom overleven. Nóg is het een bouwput, een mengeling van kogelgaten en krotten aan de ene kant, een geweldige vitaliteit daarnaast, en zelfs een teruggekeerde decadentie ten slotte. Het krioelt en kriskrast in deze stad als nooit te voren en het vreemdst is inderdaad nog wel de verdraagzaamheid die de al jaren durende wederopbouw mogelijk maakt. In elke westerse metropool zou collectieve ergernis zijn ontstaan over zo'n continuüm van herrie en herbouw, maar Libanon is niet voor niets het land waar St. Joris de draak overwon.

Nog steeds bestaat de Groene Lijn, de scheidslijn in de burgeroorlog, en de grens tussen de christelijke en moslim-wijken. Wat er daartussen aan gebouwen stond, werd neergehaald. Maar het Place des Martyrs is herrezen. Fayrouz, de Libanese zangeres die met haar melancholische stem in heel het Midden-Oosten wordt aanbeden, ontroerde op het Martelarenplein veertigduizend Libanezen, toen eindelijk de vrede was gekomen.

In Rue Hamra hebben zich inmiddels alle wereldmerken gevestigd. Ook al is het soms opsmuk à la Moskou na de Koude Oorlog: een chique- geurtjes-zaak naast een nog geblindeerde woning. Van architectonische coördinatie lijkt geen sprake. Maar de glamour van weleer, van het oude financiële centrum, van het 'Parijs van het Oosten', moet terugkomen. Onlangs is de B 018-club geopend, met schuifdak. Jazz van Count Basie en Charles Mingus, weelde en dovemansoren. Want ook hier is er alleen een toehoorder uit Damascus. Maar ooit zullen de liefhebbers weerkeren, is de overtuiging. Zoals ook de hotels Rivièra, St. George en Venezia in oude glorie zullen worden hersteld.

AAN de Corniche, de weg langs de rotskust, een kruising tussen boulevard en bergpad, viel niet veel te bombarderen. Er wordt sinds jaren weer gesaneerd en gevist. Vlakbij ligt ook de Amerikaanse Universiteit, een eertijds alom gerespecteerd instituut dat nog steeds een schitterend museum herbergt en waarvan de campus hét recreatieterrein van de hoofdstad is.

Het stadscentrum werd na de burgeroorlog als eerste onder handen genomen. In 1992 werd door het parlement de maatschappij Solidere opgericht - het Franse mandaat is in naamgeving nog steeds niet voorbij - maar de uitvoering van het meesterplan werd door politieke troebelen vertraagd, hoe groot de bedrijvigbeid ook bleef.

Een groot voordeel had die vertraging: archeologenteams kregen de gelegenheid sporen te vinden die Libanon in de loop der eeuwen bezetten of in beslag namen: de Kaänieten en Perzen, de Phoeraciërs, de kruisvaarders en de Grieken, de Romeinen, Byzantijnen en Mamelukken, de Ottomanen en Fransen.

En de Egyptenaren. Zeer onlangs werden zeventien schatkamers van farao Ramses II gevonden. En elk moment kan weer een spectaculaire ontdekking worden gedaan. In het stenen tijdperk werd Beiroet al bewoond. Vijftien eeuwen voor Christus werd de stad al genoemd op een Egyptische stenen tafel, gevonden in Tell al-Amara. De stad bleek gesticht door inwoners van Byblos. Voorouders van Pepe.

De Piraat dommelt en denkt. Hij ziet al jarenlang niets anders dan die kleine baai voor zich, met de licht deinende scheepjes. De zonsondergang is in al die eeuwen even mooi gebleven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden