Stille tocht

Andere museumdirecteuren grijpen naar toeters, bellen en een media-offensief om tijdens een verbouwing publiek te blijven trekken. Zoniet Emilie Gordenker. Zij koos voor de luwte, haar collectie stuurde ze op wereldtournee. Met succes.

Het Mauritshuis ligt half in de Hofvijver, als een schiereiland. Het is meer liggen dan staan, want rijzig kun je het gebouw niet noemen. Eromheen beweegt van alles, de straat ligt nog open, maar deze eindfase van de bouw - na twee jaar renovatie - is toch nauwelijks hectisch te noemen. Een muziekje staat aan, men groet elkaar als in een dorp. Onder de Grenadierspoort door fietsen Kamerleden af en aan, recht langs de ingang van het museum. Het is een Koninklijk museum, maar er is hier geen ruimte voor pompeus gedoe, letterlijk. Binnen hangt het meisje met hoofddoek, parel in haar oor, van een wereldtournee langs musea teruggekeerd in haar oude huis, dat mede voor haar nog beter werd beveiligd. Ze werd nog beroemder dan ze al was. Het is bijna klaar, op deze wolkeloze woensdagochtend. De speerpunten van het buitenhek worden vandaag gekleurd in bladgoud; zelfs de begrenzing van het museum is een pronkstuk. Dit museum is geen burcht, dit is een vriendelijke oude heer.


Wie in de buurt van die heer komt, heeft de neiging de stem te dempen. Hier wordt niet geschreeuwd. Misschien dat daarom de directeur, de Amerikaans-Nederlandse Emilie Gordenker (1965, Princeton, New Jersey), pas 42 bij haar aanstelling in 2008, de eerste jaren zo bescheiden bleef, volgens sommigen bijna onzichtbaar. Gordenker deed tot vorig jaar geen grote interviews, kocht geen statusbepalende kunstwerken - een beproefde methode voor nieuwe directeuren om hun plasje te doen.


Gordenker nam schijnbaar zwijgend het stokje over van Frits Duparc, een statige directeur met een sterk karakter dat naadloos samenviel met museum en collectie. Duparcs netwerk is diep geworteld in de wereld van verzamelaars, academici en handel, de 'eerste ring' rond het museum. Ook in de 'tweede ring', het Haagse - de koninklijke, ministeriële, en adellijke kringen - die het museum van oudsher om zich heen heeft, was Duparc entre nous. Hij drukte in zestien jaar directeurschap zijn stempel, met aanwinsten zoals Rembrandts Portret van een oude man uit 1667 en werk van Rubens, Hobbema en Ruisdael, en met de grote tentoonstellingen Vermeer (1996), Rembrandt zelf (1999) en Holbein (2003).


Er leken voor zijn opvolger twee strategieën voorhanden: afzetten of voortzetten. Gordenker, ingevlogen uit de National Gallery of Scotland, koos een derde: geruisloos een eigen plan trekken. Later in het gesprek zal ze zeggen: 'Dit museum verdient veel meer dan mijn ego, het is groter dan ik ben.' Het is de overbodige bevestiging van een attitude die vanaf de eerste minuut voelbaar was.


Gevraagd naar een verklaring voor zes jaar relatieve stilte, geeft ze eerst een praktische: 'Eerlijk gezegd: ik spreek goed Nederlands, maar heb hier slechts één jaar lagere school gedaan. Ik kende de ministeries niet, ik kreeg allerlei stukken en brieven, en was me ervan bewust dat ik nog veel moest leren voordat ik antwoorden op vragen kon geven.' Het zit in haar karakter, zegt ze: 'Een vriendinnetje noemde mij vroeger 'doordenkertje'. Ik ben niet geneigd meteen met een grote mond allerlei dingen te roepen.'


Het is ook niet eenvoudig, directeur worden van een museum dat sluit voor renovatie. We hebben het vaker gezien in Nederland. Bij het Stedelijk Museum, het Rijksmuseum. Hoe houd je de naam van het museum op de kaart? Hoe maak je duidelijk wat je als directeur gaat toevoegen, zonder de mogelijkheid grote tentoonstellingen te maken? Waar in Amsterdam door het Rijksmuseum werd gekozen voor kleine tentoonstelligen met groot effect in de tijdelijke ruimte - denk aan de diamantschedel van Hirst en een hedendaags werk van Anselm Kiefer naast Rembrandt - hield het Mauritshuis zich in verbouwingstijd koest met een bescheiden presentatie van Vermeers Gezicht op Delft en andere kunstwerken in het nabijgelegen Gemeentemuseum. Gewoon uit logeren bij de buren.


Gordenker zette een andere kaart in: indruk maken bij anderen. Ze koos voor de omweg om de waardering voor haar collectie in Nederland op gang te krijgen: ze stuurde ze op reis. En dat werkte. 'Het is niet de eerste keer dat interesse in Nederland pas ontstaat nadat er in het buitenland erkenning is gekomen', zegt ze. 'Dat is ook iets voor jullie, als pers, om over na te denken. Als er iets in The New York Times staat, staat het daarna ineens ook in Nederlandse kranten. Er mag soms best iets meer interesse zijn.'


Ze zegt het zonder venijn. Het gaat haar om de collectie. Ze gelooft in de autonome waarde van die culturele ouden van dagen die ze onder haar hoede heeft. Geen trucs om haar mooiste werken onder de aandacht te brengen, geen concerten of kindertheater voor Rembrandts Zelfportret, geen bling, geen hedendaagse kunst erbij, geen toeters. Gewoon, de schilderijen. En die dreef ze op tot grote iconenstatus, met deze toernee.


De reizende werken leverden haar bovendien geld op dat nodig was voor de verbouwing. Hoeveel wil ze niet zeggen, maar elke instelling (behalve de Frick Collection in New York, die zijn werken komend jaar aan het Mauritshuis uitleent) betaalde voor Vermeers Meisje met de parel, Jan Steens Oestereetstertje, Rembrandts Portret van een oude man en andere topstukken. Ze werden getoond in Tokio, Kobe, New York, San Francisco, Atlanta en Bologna. Opmerkelijk is de gegroeide roem van Het puttertje van Fabritius, dat vooral dankzij de roman The Goldfinch van Donna Tartt een attractie werd. Het schilderijtje krijgt in de herinrichting nu een eigen muur. Het zijn de trofeeën van het museum, onvervangbare en vaak kwetsbare kunstwerken. Gordenker vond het de risico's van het reizen waard: 'Het trok meer dan 2,2 miljoen bezoekers, een gigantisch succes. Het heeft onze naam verstevigd in het buitenland, en het heeft Nederland wakker geschud over de waarde van wat we hier in huis hebben.'


Zo stilzwijgend was dat plan van Gordenker dus niet. Ze veranderde weliswaar weinig aan de indeling in de hernieuwde zalen - wat niet stuk is, hoeft niet te worden gerepareerd, vindt ze. Haar plan voor het Mauritshuis werd gerealiseerd met de reis en de verbouwing: meer status voor de schilderijen en een nieuw en groter publiek. Een slimme zet en misschien ook een stil protest. Want in haar overtuiging dat de collectie zichzelf verkoopt, leek ze even alleen te staan, toen twee jaar geleden de Raad voor Cultuur in haar advies (de voor velen beruchte bezuinigingsadviezen) stevige kritiek uitte. Het museum had 'geen vernieuwend plan voor herinrichting en gebruik', vond de Raad, het activiteitenplan was niet goed onderbouwd en 'conservatief van toon'. De raad adviseerde korting op de subsidie, een advies dat de overheid niet volledig overnam, vanwege het grote belang van het museum.


'Dat was niet fijn. Ik vond het niet terecht en dat heb ik ze laten weten.' Het stoorde Gordenker dat vernieuwing werd gezocht in slechts enkele zaken die politiek gevoelig lagen, zoals publieksbereik en educatie, ten koste van kerntaken zoals behoud, beheer en onderzoek van de objecten. Ze heeft er een streep onder gezet en lessen uit getrokken, zegt ze. De nieuwe educatie-afdeling en de marketingplannen zijn op orde gebracht zodra de ramingen voor het budget het toelieten. De verbouwing is af, budget en tijdsplanning werden gehaald. Het publiek kan komen. Tijd om naar de toekomst te kijken.


De toekomst begint met een nieuw oud gebouw. Het Mauritshuis moest uitbreiden, maar de ligging tussen Binnenhof, Plein en de Lange Vijverberg bood bepaald geen mogelijkheden tot een futuristische blob à la het Stedelijk Museum in Amsterdam of de Fundatie in Zwolle. Hier gaat het om vernieuwing met respect voor de traditie: continuïteit is belangrijker dan shockeffect. Je trekt een oude heer geen glitterpak aan.


Het eerste wat Gordenker wilde veranderen aan het Mauritshuis was de ingang, had ze al gezegd toen de commissie haar op gesprek vroeg voor deze baan. Net daarvoor bleek het deel van Sociëteit De Witte aan het Plein leeg te zijn gekomen. Een gebouw uit 1930-31, ingericht in art-decostijl. Gordenker wilde meer ruimte en een hoofdingang die 'een openheid naar de bezoeker' uitstraalt: 'Ik wil luisteren naar wat bezoekers nodig hebben en willen. Hier, net als bij veel musea, was er een generatieverschil aan het ontstaan. Was de houding voorheen 'wij weten het gewoon, zo is het', nu is het 'wij willen graag met jullie delen'. Dat moest ook fysiek zichtbaar worden. Er is nu een brede, lichte entreehal.'


De oorspronkelijke ingang van het Mauritshuis dwong de bezoeker bijna op de knieën: het stadspaleis werd betreden via de op souterrainniveau gelegen dienstingang aan de zijkant. Maar de bezoeker is belangrijker geworden. Het voormalige woonhuis van graaf Johan Maurits van Nassau uit 1644 moest weer via het voorplein worden betreden. De 17de-eeuwse hoofdingang is te klein voor de verwachte aantallen bezoekers die komen, dus werd het plein geopend voor een brede trap en een ronde glazen lift naar een lichte, ruime, ondergrondse entreehal. Van daaruit kan men kiezen voor de vaste collectie in het Mauritshuis of de tentoonstelling in de vernieuwbouwde sociëteit ernaast.


'Ik wilde speelser en vrijer zijn in het soort tentoonstellingen dat we maken. Dat kan nu', zegt de directeur. Voorheen moest het Mauritshuis soms half worden leeggehaald voor een tentoonstelling. Nu zijn er drie grote etages aan het Plein bij gekomen. Opmerkelijk: slechts één daarvan wordt voor tentoonstellingen gebruikt. Een ruimte van 175 vierkante meter - klein, zeker vergeleken met bijvoorbeeld de veertien zalen die het Rijksmuseum in de tentoonstellingsvleugel heeft. In die ruimte komt nu een tentoonstelling over de geschiedenis van het Mauritshuis, volgend jaar de kunstwerken van de 'Frick'. Ook is een tentoonstelling gepland over de restauratie van Rembrandts Saul en David, een schilderij met een turbulente geschiedenis: het werd in stukken gesneden en opnieuw aan elkaar gezet, en is stevig betwijfeld als authentieke Rembrandt.


Maar past hier een grote, mogelijk reizende tentoonstelling als Vermeer of Holbein? 'Ik sluit niet uit dat we nog een keer de oudbouw zullen vrij maken voor zo'n tentoonstelling. Het was niet zozeer ruimte die we misten, maar flexibiliteit. Het oude gebouw had een sterk en bepalend karakter. Je kunt er de muren niet verven, moeilijk nieuwe media-installaties plaatsen en we konden destijds het licht niet goed aanpassen.' Dat verandert nu. En die blockbusters, die mogen andere musea maken: 'Ik wil niet dat het formaat van de nieuwbouw mij dwingt ieder jaar een blockbuster te maken. Bovendien, als de ruimte beperkt is, ga je kwalitatief scherpere keuzen maken.'


Het heeft, natuurlijk, ook met de crisis te maken. Sponsoring voor tijdelijke tentoonstellingen is vrijwel weggevallen. Het trekt weer wat aan nu, maar het houdt niet over. Je kunt er geen rekening mee houden dat je zoiets groots elk jaar kunt doen, maakt Gordenker duidelijk.


Ze past het naadloos in 'haar verhaal': dat van het Mauritshuis als juwelendoos, waar je zonder overweldigd te worden een aantal van de grootste topstukken uit de Hollandse Gouden Eeuw kunt vinden. 'Het museum van de menselijke maat', wil ze zijn. Een museum dat de sfeer van de oude tijd uitstraalt zonder kunstmatig woonvertrekken te reconstrueren. De grootste verandering die ze aan de tentoonstellingsruimtes deed, is de wandbespanning. Die was rood en groen en is nu, per afdeling, blauw, groen en rood, in speciaal ontworpen zijden behang. Vermeer hangt weer met het licht uit de 17de-eeuwse ramen zoals het in de schilderijen ook valt: van links op het Meisje, van rechts op Delft.


We zitten op de bovenste verdieping van het nieuwe gebouw, in een helder licht directeurskantoor. Door de glazen wand kijken we bijna over het Mauritshuis en Binnenhof heen. Gordenker heeft overzicht. Collega-conservatoren en museumdirecteuren roemen haar om dat georganiseerde karakter, haar optimisme en helderheid. Victor Moussault, de zakelijk directeur van het Mauritshuis met wie Gordenker nauw samenwerkt, prijst de effectiviteit van haar uitstraling: 'Ze zal vast ontkennen dat het wat uitmaakt, maar natuurlijk maakt het uit dat ze vrouw is. Ze is charmant. Dat werkt goed bij onderhandelingen. En het is heel erg goed voor de organisatie.'


'Mijn cv is een ramp', zegt ze aan het begin van het gesprek. En inderdaad, die is zo divers dat weinig ervan in de richting van haar huidige positie wijst. Ze studeerde Ruslandkunde aan Yale, was inkoper voor Bloomingdale's in New York, ging op latere leeftijd kunstgeschiedenis studeren in New York, promoveerde op kostuums in de portretten van Anthony van Dyck, maakte audiotours voor musea in Londen en was conservator in de National Gallery in Schotland, waar ze indruk maakte met een tentoonstelling over de vrij onbekende 16de-eeuwse Duitse fijnschilder Adam Elsheimer. 'Dat is mijn troef: ik ben overal het buitenbeentje. In Amerika was ik 'heel Europees', wat dat ook moge betekenen. In Schotland was ik hartstikke exotisch met mijn lengte, en accent. Het maakt je flexibel.'


Maar hoe werkt het in Nederland? Een vergelijking dringt zich op met die andere directeur die de media niet zelf opzocht. Op 28 augustus vorig jaar kondigde Ann Goldstein haar terugtreden aan als directeur van het Stedelijk Museum. Op de vraag van een journalist of ze hier een eerlijke kans had gekregen, antwoordde zij toen: 'Ik was de eerste buitenlander, de eerste vrouw, de eerste Amerikaan: dat zijn een heleboel 'eersten' voor zo'n instelling en gemeenschap.' Goldstein ondervond hier veel weerstand.


In het Mauritshuis is ook Emilie Gordenker als directeur de eerste buitenlander, de eerste vrouw, de eerste Amerikaan. 'Ik begrijp die opmerking wel van Ann', zegt ze. 'En er zijn nog minder vrouwen in de oude kunst dan in de rest van de kunstwereld. Kijk naar de conservatoren van oude kunst: wij hebben hier twee vaste en er zit er een in het Frans Hals Museum, dat is het dan in Nederland.'


Het werd haar aan het begin constant onder de neus gewreven, zegt Gordenker: 'De opmerking die ik na aanstelling het vaakst kreeg, was, met verbaasde blik: 'O! Je bent een vrouw!' Ja, dat weet ik zelf ook wel. Ik heb het niet als vervelend ervaren, het was wel verrassend dat het zó vaak gebeurde. Echt op alle niveaus.'


En die 'charme', helpt dat bij onderhandelen? Dit is het eerste moment in het gesprek dat ze terugvalt op haar geboortetaal. 'First of all: you have to know your shit. Je moet echt weten waarover je het hebt, anders kun je zo charmant zijn als de wereld, maar schiet het niks op. In die zin is het dus nóg belangrijker dat je weet waarover je het hebt. Het kan heel goed werken, maar het gaat om de inhoud, kennis van zaken. Die wint het.'


Het is hier in het gesprek dat ze het zegt: 'Ik hoef mijn stempel niet te drukken, of meteen het spectaculairste schilderij te kopen. Dit museum verdient veel meer dan mijn ego. Het is groter dan ik ben. Ik ben van de lange termijn.'

Extra: Nieuwe aanwinsten

Vijf kunstwerken wist Emilie Gordenker te verwerven voor het Mauritshuis, naast drie schenkingen die aan de collectie werden toegevoegd. Elke aankoop vergt een scherpe keuze in zo'n intiem museum, zegt de directeur, want 'voor elk kunstwerk moet er immers een andere van de muur gehaald worden'. Ze kocht een onconventionele Jan Steen, Mozes en de kroon van de farao (ca. 1670), een stilleven met krakelingen (ca. 1615) van de Vlaamse Clara Peeters, een fijn, op koper geschilderd berglandschap met de heilige Hiëronymus (1592) van Paul Bril, een portretje van een meisje op haar doodsbed van Johannes Thopas uit 1682 en een al even ongewoon bloemenboeket in wording van Dirck de Bray uit 1674, met vrijelijk rondslingerende bloemstelen, een harige rups en een minuscuul spinnetje aan een draadje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden