Stichting Beeldrecht onderzoekt verwijdering conceptuele kunst uit Haags Gemeentemuseum 'Museum moet afspraak met LeWitt nakomen'

'Er is alle aanleiding voor actie', zegt Kees Berendsen, directeur van de Stichting Beeldrecht, die optreedt als belangenbehartiger van kunstenaars....

Van onze medewerkster

Wilma Sütö

AMSTERDAM

Bij de restauratie van het onlangs heropende gebouw zijn uit de trappenhuizen wandschilderingen verdwenen van Lawrence Weiner, Niele Toroni, Günther Tuzina en Sol LeWitt. De kunstenaars wisten nergens van. Sol LeWitt rept van een 'verbroken belofte'. Dat zijn Wall Drawing in 1985 was aangekocht als een permanente installatie, werd vorige week bevestigd door Theo van Velzen, oud-museumdirecteur in Den Haag.

Volgens directeur Hans Locher is de kunst niet vernietigd. Zijn museum bewaart de instructieschema's. Het zijn 'concepten', die opnieuw kunnen worden uitgevoerd. Maar plannen daarvoor ontbreken. Locher wil de architectuur van Berlage eer bewijzen. Zijn trappenhuizen zijn nu weer wit. Er is volgens Locher geen geld voor herstel van de schilderingen, bovendien heeft dit 'geen prioriteit'.

Het museum koos voor een nieuwe opdracht. Het organiseerde een besloten prijsvraag en benoemde Peter Struycken tot winnaar - dezelfde die onlangs in een kort geding klaagde over de respectloze behandeling van zijn lichtsculptuur aan de gevel van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). De rechter gaf hem gelijk. De zaak lijkt overeenkomstig, maar Struycken wijst op een verschil.

'Volgens de auteurswet mag je toegepaste kunst wel verwijderen, maar je mag er niet mee rotzooien. Het NAi misvormde mijn beeld door er schilderingen in te plaatsen. Verder is de levensduur van gebouwen en toegepaste kunst onherroepelijk relatief. Alleen wat zeer de moeite waard is, wordt beschermd.'

Struycken vergist zich, zegt Berendsen van Beeldrecht. 'Het auteursrecht is niet in het geding. Wanneer er afspraken zijn gemaakt, schriftelijk of mondeling, hoort de opdrachtgever zich eraan te houden. Tenzij hij sterke argumenten naar voren brengt.'

Struycken vindt respect voor Berlage's architectuur zo'n argument: 'Hij had zijn trappenhuizen niet op kunstwerken ingericht. Berlage en LeWitt zijn beiden groot, maar de combinatie van gebouw en beeld was tegendraads. Dat is de praktijk bij negentig procent van zulke opdrachten. Ze slagen alleen als de architect er zelf ruimte voor schept.'

Zoals in de erezaal van het museum, meent Struycken. Daar had Berlage een glas-in-loodraam gedacht. Dit raam zou 'nog nooit definitief' zijn ingevuld. Die opdracht won Struycken, met een computergestuurde lichtprojectie. Een passend alternatief, vindt hij, te meer omdat Berlage 'een voorvechter van machinale kunst' was. Struycken citeert wat de architect in 1923 schreef.

Berlage: 'Wij kunnen ons dus voorstellen dat een zuiver industriële kunst, waaronder moet worden verstaan een uitsluitend door de machine vervaardigde kunst, ons niet alleen kan bevredigen, maar ons een schoonheid kan geven die ontroert, gelijkwaardig aan die van het handwerk.'

Opmerkelijk is dat deze woorden misschien vooruit wijzen naar Struyckens digitale kunst, maar ook overeenstemmen met de vroege notities van Sol LeWitt. Die schreef in 1967: 'Conceptuele kunst heeft weinig te maken met wiskunde, filosofie of welke andere mentale discipline dan ook. Conceptkunst betekent dat alle plannen van te voren zijn gemaakt en de uitvoering een kwestie van afwikkelen is. Het idee wordt een machine die kunst maakt.'

Zoals Struycken per computer kleurenschema's ontwikkelt, zo brengt LeWitt in zijn tekeningen variaties van geometrische vormen in kaart. Zijn Wall Drawing bestond uit rechte lijnen in vier richtingen: horizontaal, verticaal en diagonaal. Op aanwijzingen van de kunstenaar brachten assistenten de geledingen aan op de muur. Een vergelijkbaar ontwerp fungeerde jarenlang als logo van het Haags Gemeentemuseum, op de plastic tasjes uit de boekwinkel.

'Het idee op zich is niet het kunstwerk, het gaat erom dat dit idee herhaaldelijk is toe te passen, afhankelijk van de specifieke situatie', legt de kunstenaar uit. 'Dat gebeurt niet lichtzinnig, maar weloverwogen.' Zijn systematische procedure is een vervolg op Mondriaans lijnenspel, maar grijpt ook terug op rituele tradities.

LeWitt: 'De shintoïstische tempels in Kyoto werden om de twintig jaar afgebroken en herbouwd. De steentuinen worden er dagelijks aangeharkt, waardoor de patronen in het grind veranderen, terwijl de tuinen toch dezelfde blijven. Op die manier is conceptkunst variabel, toegespitst op de omgeving. Het is contextkunst. Ik zou wensen dat al mijn werk permanent was, maar het is inherent aan muurschilderingen dat ze met de tentoonstelling verdwijnen. De Wall Drawing in Den Haag was een basic statement.'

Het veranderlijke is zelden problematisch voor LeWitt. Zijn spiraalschildering in de koepel van het Bonnefantenmuseum Maastricht is langer gehandhaafd dan gepland, op verzoek van een beeldhouwer die er met zijn werk op wilde inspelen. Bij de renovatie van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag wordt een ontwerp van LeWitt aangepast in overleg.

Van het Haags Gemeentemuseum, 'dat kan bogen op een lange historische relatie met de kunstenaar', zoals het bij een overzicht in 1992 verkondigde, heeft LeWitt op zijn verontruste fax vooralsnog geen reactie vernomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden