Steven Wilson

Vernuftige progrock met een ziel veroorzaakt kippenvel.

ROBERT VAN GIJSSEL

Verduiveld lastige live-genres, die prog- en jazzrock. Al die uitgesponnen solo's en eindeloze tempowisselingen, in nummers van minstens twintig minuten per stuk, zijn natuurlijk heel knap gespeeld. Maar voor je het weet dwalen de gedachten af en sta je in de popzaal te bedenken of je wel genoeg geld in de parkeermeter hebt gegooid.

Daar heb je bij Steven Wilson geen last van. Zeker: de voorman van Porcupine Tree, die tegenwoordig vooral solo wonderen verricht, neemt de tijd. In een uitverkochte Amsterdamse Rabozaal speelt de Brit met band bijna tweeënhalf uur ononderbroken voort. En dat is lang voor een popconcert (met staanplaatsen). Heel lang. Toch wil je van dit spektakel geen seconde missen en dat heeft twee oorzaken,

Allereerst: de band. Zanger, liedschrijver en multi-instrumentalist Wilson heeft zich omringd met kanonnen uit het vak. Marco Minnemann op drums, volgens velen een van de beste drummers ter wereld. Zoiets geldt ook voor leadgitarist Guthrie Govan, die al bijna een plekje heeft in het ererijtje Zappa, Vai, Malmsteen, Satriani. Dan basmonster Nick Beggs, ex-Kajagoogoo, die het bespelen van de Chapman Stick - een bas waarop je moet hameren, denk aan het basloopje uit Kajagoogoo's Too Shy- tot hoge kunst heeft verheven. Daarnaast zit doodleuk jazztoetsenist Adam Holzman (sideman bij Miles Davis, Michel Petrucciani), tussen Minimoog, hammondorgel en Fender Rhodes.

Wilson dirigeert deze herensociëteit, van achter zijn lessenaartje met mellotron, of wandelend op blote voeten, gitaar om de nek. Handgebaartje hier, strenge blik daar: kom maar door met die dwarsfluitsolo. Een genot om naar te kijken. Er zit geen kiertje licht tussen de meppende ritmesectie, de rollende en hikkende Rhodes en het techneutengitaarspel van Wilson en Govan. Toch heeft deze vernuftige jazzrock, al doet hij voor sommige oren misschien wat ouderwets aan, een ziel.

Dat is te danken aan het repertoire van Wilson, en vooral zijn net verschenen album The Raven That Refused To Sing. Daar staan prachtliedjes op, zoals Drive Home, die klinkt als een rechtstreeks eerbetoon aan de progrockdino's als King Crimson en The Alan Parsons Project. De lichtelijk ijle zangstem van Wilson, gesteund door die van bassist Beggs, laat hier het kippenvel door de Rabozaal trekken, zelfs nog voor de lyrische gitaarsolo.

Idem dito bij The Watchmaker, een klassiek verhalend, symfonisch rocklied met een dynamisch bereik van mijmerende akoestische tokkelgitaar tot denderende bijna-metal. De spanning in dit verhaal, over een oude klokkenmaker die iets naars met zijn vrouw heeft gedaan, wordt kunstig opgevoerd in een steeds naargeestiger doortikkend akkoorden- en klokkenspel, en hoog gestapelde oeh- en aah-zang. Ben je toch weer razend benieuwd naar het einde.

De progressieve rock radicaal hervormen, het hele genre een enorme zwieper en dus nieuwe toekomst geven - nee, dat doet Wilson niet. Hij opereert binnen de kaders van de discipline. Maar dat doet hij wel ontzettend goed.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden