Steurkop in champagne, met esprit

Je had in het Parijs van het Tweede Keizerrijk, toen de prostitutie onder Napoleon III werd gereglementeerd, filles de carte die een kaart bij zich hadden met gede- tailleerde gegevens over hun welbevinden. Er waren femmes galantes die thuis ontvingen; grisettes, ‘werkmeisjes zonder moraal’ die overal scharrelden; lorettes, ‘meisjes van plezier’ uit de betere buurt van de Notre Dame de Lorette; filles soumises, ongereglementeerde prostituees; en grandes horizontales of femmes à parties, die in hun salons het geld van hun vrijers over de balk gooiden. Maar er waren ook geletterde en kunstzinnige courtisanes, onafhankelijke vrouwen die zich aan tafel, en soms ook in bed, door schrijvers, dichters, componisten en kunstenaars lieten omringen.

De salonnière Apollonie Sabatier, die in die tijd elke zondag een diner organiseerde, kreeg scabreuze brieven van Théophile Gautier en Gustave Flaubert, met veel erotische toespelingen, en Charles Baudelaire bezong haar in zijn gedichten. Tweemaal zorgde Sabatier voor een groot schandaal, schrijft Peter van Dijk in Madame Sabatier – Haar vrienden, haar minnaars: de eerste keer door te poseren voor een beeld van een naakte vrouw ‘die duidelijk genoot van haar lichaam’ en een tweede keer door het publicatieverbod van Bauldelaires Les Fleurs du mal, dé dichtbundel van de 19de eeuw.

‘Zoals zij draait’, zei Frédéric Chopin toen hij het voor die tijd nogal ophefmakende beeld ‘Femme piquée par un serpent’ zag, ‘dat is beangstigend.’ Het tafereel van de slangenbeet, van Jean- Baptiste Auguste Clésinger, toont een witmarmeren naakte vrouw, in een wonderlijke extatische draai, met omhoogstekende heup, op een rococobed van gebeeldhouwde bloemen. De jonge en beeldschone ‘courtisane’ Apollonie Sabatier, die voor het beeld had geposeerd, was op slag het beroemdste model van het Tweede Keizerrijk. Door het succes van ‘Femme piquée’ werd zo’n achteroverliggend naakt, gedraaid in pijn of opwinding, de grote mode in de beeldhouwkunst.

Sabatier was een bijzondere vrouw, een veel bezongen muze. Je kunt haar lichaam, rapporteert Van Dijk, ‘iedere dag, behalve op maandag of feestdagen’, gedetailleerd bewonderen in het Parijse Musée d’Orsay. We kennen haar uit verzen en brieven van Baudelaire, Gautier en Flaubert. Weliswaar is weinig over haar geschreven, maar des te meer voor haar. Onder kunstenaars was ze een gevierde vrouw.

Veertien jaar lang werd ze door een rijke industrieel, de Belgische bankier Alfred Mosselman, onderhouden. ‘Ze bleef hem trouw’, schrijft Van Dijk, ‘op één nacht na’, die ze volgens sommigen doorbracht met haar lang in anonimiteit verborgen minnaar Baudelaire. Hij schreef voor haar enkele van zijn mooiste gedichten.

De gebroeders Edmond en Jules de Goncourt, notoire roddelaars, noemden haar een klassieke schoonheid. Haar laatste minnaar, de spoorwegingenieur Edmond Richard, die later door Apollonie opgehaalde herinneringen neerschreef, vertelde hoe haar knap gezicht en stralende teint, maar vooral ook haar goed geproportioneerde vormen, ‘onverbiddelijk de aandacht trokken van dichter en schilder’.

Sabatier, die als Aglaé Joséphine in 1822 is geboren, was het buitenechtelijk kind van een burggraaf en een beeldschone wasvrouw. Op aandringen van de graaf nam sergeant André Savatier, die een aantal campagnes van Napoleon had meegemaakt, het vaderschap op zich en huwde met de aantrekkelijke moeder van het kind. Tot zelfs op haar zerk – ze stierf in 1890 – werd haar naam keer op keer verkeerd gespeld. Op haar grafsteen, op het kerkhof van Neuilly, staat: Apollonia, een foutje van de steenhouwer. In de notarisakte, waarbij het oneigenlijke vaderschap was geregeld, is ‘Savatier’ als ‘Sabatier’ opgetekend; vervolgens werd dat in de geboorteakte weer gecorrigeerd, maar uiteindelijk koos Aglaé de naam Apollonie Sabatier. In het Frans is een ‘savatier’ een schoen- of sloffenmaker. Haar dierbaarste vriend, de onstuimige en luidruchtige Gautier, keurde haar naamsverandering goed, want ‘een lelijke naam voor een leuke vrouw heeft hetzelfde effect als een slak op een roos’.

Van Dijk leerde Sabatier kennen in 1986, bij de opening van het Musée d’Orsay, toen het glanzende beeld van de door een slang of de liefde gebeten vrouw van Clésinger voor de vaste collectie van het nieuwe museum uit het depot van het Louvre is gehaald. Maar vermoedelijk heeft ook het boek Grandes Horizontales – The Lives and Legends of Four Nineteenth-Century Courtesans (2003) van Virginia Rounding zijn belangstelling voor La Présidente gewekt. In haar boek beschrijft Rounding met verve de twee schandalen waardoor Sabatier in kunstenaarskringen zo beroemd en berucht werd.

Vermoedelijk werd tijdens het Tweede Keizerrijk nergens beter gegeten en met meer esprit geconverseerd dan in de salon van Sabatier. Alleen al bij wijze van eerste gang, lees je bij Flaubert in L’Education Sentimentale – Histoire d’un jeune homme waarin Sabatier een van de hoofdfiguren is, kregen de disgenoten steurkop in champagne geserveerd, ham met tokayer, gegratineerde lijsters, gebraden kwartels, pastei in blanke roomsaus, ragout van rode patrijs, met aan weerszijden aardappelsprietjes, gegarneerd met truffels.

Nochtans was haar ‘eetclub’ bescheiden, schrijft Van Dijk. De salon ‘kende geen pronkzucht, geen slemppartijen, geen show van belangrijke mannen en vrouwen’. Haar keuken had een uitstekende reputatie. Aan de uitgetrokken massief eiken eettafel konden twaalf gasten zitten. Het waren allemaal mannen, een hele stoet beroemde schrijvers en kunstenaars. Al vanaf het eerste eetfestijn – ‘het wekelijkse bacchanaal’, zei Gautier – werd de gastvrouw door de leden van haar salon tot La Présidente benoemd, een naam die naar alle waarschijnlijkheid door Edmond de Goncourt is bedacht.

Een uitnodiging voor het diner kreeg je niet zomaar, er werd over nieuwe gasten gestemd ‘door middel van witte en roodbruine bonen’. Een kandidaat die in meerderheid witte bonen kreeg, werd door La Présidente uitgenodigd. Er waren twee soorten gasten: de permanenten en de passanten. Een plaats aan de rijke tafel van madame Sabatier werd in die tijd als een grote eer beschouwd.

Ze is vereeuwigd op het beroemde schilderij L’atelier du peintre van Gustave Courbet. De uitgever koos een fragment, de kunstenaar voor zijn ezel met een naaktmodel, als omslag van het boek. Die keuze is een beetje vreemd, want nu is de enige vrouw op de omslag het naakte schildersmodel Henriette Bonnion, terwijl het een boek is over Apollonie Sabatier. Op het schilderij staat zij rechts afgebeeld, keurig ingeduffeld, naast haar weldoener Mosselman, en helemaal tegen de rand van het immense doek zit de lezende dichter Baudelaire.

Was Sabatier een heetgebakerde cocotte of een zelfstandige vrouw? Was ze eigenlijk wel een courtisane? Ze heeft in elk geval meer affaires beleefd dan die onenightstand met Baudelaire die door kenners van de dichter op allerlei manieren is geïnterpreteerd. Op haar zeventiende had ze al drie minnaars ‘versleten’, een stinkend jaloerse brandweerman, een schatrijke Zwitserse graaf en een operazanger; ze werd veertien jaar lang door Mosselman onderhouden, ze werd aanbeden door Richard, ze ging om met de gefortuneerde dandy Richard Wallace, die de stad Parijs vijftig gietijzeren drinkfonteinen schonk – de wallaces, die nog steeds het stadsbeeld sieren.

Van Dijk kon voor zijn journalistieke relaas – zijn boek is geen kritische biografie – vooral putten uit het boek Une femme trop gaie (2003) dat de Franse kunsthistoricus Thierry Savatier, een achterachterneef en kenner van de 19de- eeuwse kunst, over haar heeft geschreven. Hij is de auteur van L’origine du monde (2006) over het aanstootgevende schilderijtje van Courbet. In de kleine stadsbibliotheek van Fontainebleau kon Van Dijk ook nog eens honderden vellen papier inkijken die Edmond Richard, haar laatste minnaar, over de verrukkelijke Sabatier heeft neergepend. Het zijn hagiografische notities die eigenlijk min of meer als de memoires van Apollonie kunnen worden beschouwd. Je krijgt zeker in het boek een vlot geschreven verhaal, met veel uit lectuur gesprokkelde ditjes en datjes. Uit de dozen, waarin de door Richard opgetekende memoires worden bewaard, is evenwel weinig te voorschijn gekomen. Die paperassen zijn onder al bekende anekdotes jammer genoeg bedolven. Misschien had je, om het karakter van madame Sabatier te begrijpen, vooral die notities, haar briefjes en kattebelletjes, moeten ontcijferen.

Peter van Dijk: Madame Sabatier – Haar vrienden, haar minnaars. Atlas; 225 pagina’s; € 22,50. ISBN 978 90 450 1697 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.