STEUN IS UIT

Wijers' weigering om opnieuw miljarden in Fokker te steken valt in vruchtbare aarde, binnen en buiten de politiek. Zelden was de stemming over staatssteun aan de industrie, altijd omstreden, zo terughoudend als nu....

ELKE KEER dat een bedrijf over de kop gaat, zoals nu het geval lijkt te zijn met Fokker, klinkt weer de roep om een industriebeleid. Zodra het niet goed gaat met grote industriële ondernemingen wordt gemakkelijk naar de overheid gewezen. Het ministerie van Economische Zaken weet niet de goede voorwaarden te scheppen voor een gezond industrieel klimaat in Nederland, heet het dan.

Des te opvallender was het daarom dat in de afgelopen week de kritiek op het departement beperkt bleef tot enig gemor over de onderhandelingstactiek van minister Hans Wijers en zijn afgezant, oud-Unilever-voorzitter Floris Maljers. Wellicht, zo werd geopperd, had het ministerie er toch enige honderden miljoenen extra tegenaan moeten gooien.

Industriebeleid is na het begin van de jaren tachtig tien jaar lang taboe geweest in Nederland. Er was toen net een decennium afgelopen van grootscheepse saneringen met overheidssteun, waarin vele miljarden guldens verloren gingen. 'Goed geld naar slecht geld brengen', heette dat later.

Het scheepsbouwconglomeraat RSV is daarvan het meest beruchte voorbeeld. Toen tien jaar later, in het begin van de jaren negentig, achtereenvolgens Volvo Car (nu NedCar), Philips en DAF in de problemen kwamen, werd het taboe doorbroken. Aan de Haagse Bezuidenhoutseweg, waar het economisch beleid wordt gemaakt, zouden de ambtenaren zich meer moeten bekommeren om het ontwikkelen van een echt industriebeleid.

'Industriebeleid', zegt Economische Zaken nu, 'is technologiebeleid.' Dat is een vrij nieuwe opvatting, voor Nederland althans. Minister Wijers bracht afgelopen juni de nota Kennis in beweging uit. Deze komt erop neer dat technologische samenwerking tussen onderzoeksinstituten, opleidingscentra en bedrijven 'de Nederlandse economie een betere concurrentiepositie moet geven', legt een woordvoerder uit. De overheid stimuleert deze samenwerking met financiële prikkels: subsidies en ontwikkelingskredieten. Maar er zijn ook fiscale voordelen te behalen.

De nota legt een sterke nadruk op clustering. Economische sectoren, zoals de voedingsindustrie, chemie en elektronica, worden geacht samen te werken. Logische vraag na het Fokker-debâcle: hoort de vliegtuigindustrie ook tot die clusters? De zegsman: 'Wij bepalen niet welke sectoren van belang zijn, dat doen ze zelf. Het ligt voor de hand natuurlijk dat Fokker wel een centrale positie innam in zijn cluster via het verband met het NIVR, het onderzoeksinstituut voor de luchtvaart. Het NIVR zit als een spin in het web en neemt sowieso een belangrijke positie in.'

Het idee van clustering is afkomstig van oud-minister Koos Andriessen. Hij speelde leentjebuur bij de Amerikaanse econoom Michael Porter. Dany Jacobs van TNO paste Porters ideeën op Nederland toe. Helaas heeft Jacobs deze week een spreekverbod van zijn baas. Hij mag pas volgende week zijn licht laten schijnen op de wijze waarop clustering in Nederland wordt omgezet in concreet beleid.

IN IEDER geval mag nu alvast worden geconcludeerd dat technologische stimulering in het Fokker-cluster kennelijk niet voldoende was om het bedrijf overeind te houden. H. de Jong, emeritus-hoogleraar bedrijfseconomie aan de Universiteit van Amsterdam en kenner van de Nederlandse industriepolitiek, kijkt niet op van dit falen.

'De grote vraag is natuurlijk wat Andriessen precies beoogde met die clustering. Dat is pas onder Wijers enigszins duidelijk geworden. Hield het bijvoorbeeld in dat de overheid centrale bedrijven financieel mag ondersteunen? En met hoeveel dan? Welke criteria worden daarbij aangelegd? Praktisch gesproken is het er altijd op neergekomen, in de jaren zeventig met affaires als Ogem en RSV, en nu ook weer met Fokker, dat EZ pas loskwam met zijn steun als het kwaad in feite al was geschied.'

Andriessen zelf reageert enigszins geprikkeld op de suggestie dat zijn clusterbeleid heeft gefaald. 'Clusterbeleid moet niet worden verward met steunbeleid. Ik heb ooit een nota geschreven van drie A-viertjes over dit onderwerp, dat op het ministerie van Financiën gekscherend het manifest genoemd werd.

'Daarin staat dat de overheid op drie voorwaarden steun kan verlenen. De continuïteit moet gewaarborgd zijn. De overheid mag voor niet meer dan 50 procent deelnemen, dus er moet een particuliere geldschieter bij; het maakt niet uit of dat een ander bedrijf is of een bank of zo. En daarnaast moet de onderneming deel uitmaken van een cluster van totaalactiviteiten.'

Andriessen weigert commentaar op de handelwijze van Wijers, maar stelt wel dat zijn steunbeleid heeft gewerkt voor NedCar, voor DAF, en ook voor Fokker, toen het werd overgenomen door Dasa. 'Er was toen in voldoende mate uitzicht op continuïteit', vindt hij.

De Jong signaleert echter een grote overeenkomst tussen de gang van zaken bij RSV en Fokker. 'Net zoals RSV destijds, is Fokker telkens opnieuw ''voor de laatste keer'' met overheidsgeld overeind gehouden. Dat gebeurde in 1987, in 1993 nog eens, en nu had het weer moeten gebeuren.'

Feyo Sickinghe, die in de jaren zeventig nauw betrokken was bij de grote steunoperaties voor machinebouwer VMF Stork, zegt dat hij pas 'heel recentelijk' van standpunt is veranderd. 'Tot voor heel kort stelde ik me op het standpunt dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van Fokker. Kijk naar de VS, met welke sommen daar de vliegtuigindustrie wordt gesteund. Die kan niet zonder overheidssteun.'

Sickinghe is nu echter een andere mening toegedaan. 'Er moeten vooruitzichten zijn op een gezond bedrijf binnen een niet al te lange termijn. En dat zit er voor Fokker waarschijnlijk niet in.' Hij wijst elke vergelijking met de steun voor zijn eigen bedrijf, Stork, van de hand. 'Dat was in de jaren zeventig, toen de overheid het bedrijfsleven veel meer aan de hand hield. Toen kon je zonder toestemming van de overheid bijna niets doen in termen van sanering. Als we geen grootscheepse reducties in het aantal personeelsleden mochten doorvoeren, dan was het toch redelijk dat de overheid daar iets tegenover stelde?'

De tijden zijn veranderd, stelt Sickinghe. 'Alles is veel liberaler. De overheid heeft een kleinere rol. Bedrijven hebben meer vrijheid, maar moeten nu ook hun eigen broek ophouden.'

Sickinghe wijst bovendien op de 'halsstarrige houding' van de Duitsers. 'Dasa heeft een te groot beroep gedaan op de middelen van de overheid, en bovendien op een ontoelaatbaar ultimatieve wijze. En bovendien, kijk naar de overheidssteun die Dasa zelf ontvangt. Ik begrijp dat de deelstaatregering van Beieren twintig miljoen mark in Dasa heeft gestoken. Dat is toch iets andere koek.'

Industriebeleid, wil Sickinghe zeggen, mag in ieder geval niet neerkomen op het overeind houden van slecht renderende bedrijven. 'In ieder geval niet als ze op middellange termijn geen perspectief hebben. Bovendien moet er een groot werkgelegenheidsbelang mee gemoeid zijn.'

Steun voor Wijers dus, van Sickinghe. Anders ligt het bij een andere oude rot, die al net zo lang meepraat over het industriebeleid. Arie van der Hek zat voor de PvdA lange tijd in de Tweede Kamer, en was als voorzitter van de vaste Kamercommissie van Economische Zaken nauw betrokken bij de grote steunoperaties uit de jaren zeventig. Van der Hek heeft meer twijfels over de ministeriële strategie.

Hij deelt de kritiek van Dasa-baas Manfred Bischoff dat Wijers te weinig oog had voor de balans van de onderneming, en te veel gericht was op de liquiditeiten-positie. 'De regering zat op een cashflow-benadering. Dat werkt niet, want je blijft met een onderontwikkeld eigen vermogen zitten. Dat is bijna altijd een doodlopende weg, want externe financiers zullen er alleen willen instappen als er genoeg eigen vermogen is.'

VAN DER HEK noemt Wijers' handelwijze 'vreemd'. 'Hij was bereid ontwikkelingskredieten kwijt te schelden. Daar schoot Fokker helemaal niets mee op. Want die kredieten waren eigenlijk al achtergesteld. Ze zouden worden terugbetaald naar rato van het aantal verkochte vliegtuigen. Als ze niet zouden worden verkocht, zou Wijers ook niets terugkrijgen.'

Van der Hek ziet echter ook weinig andere mogelijkheden. 'Als het eigen vermogen zo zwaar negatief is, dan is Wijers natuurlijk beperkt. Want hij kan er niet zo maar honderden miljoenen guldens in gaan steken.'

Wijers heeft zich naar Van der Heks idee terecht laten leiden door de perspectieven voor Fokker op langere termijn. 'Als je ziet dat die onderneming alleen quitte kon draaien met een dollarkoers van 1,65 gulden . . . Dat is doodeng. Dan moet je veel verder in de kosten snijden dan al is gebeurd. En het is maar helemaal de vraag of dat nog wel mogelijk was.'

De clusterbenadering heeft Fokker niet gered, stelt ook Van der Hek vast. 'Bij de spil van zo'n cluster, in dit geval Fokker, moet wel winst gemaakt worden. Als dat niet gebeurt, heeft de cluster geen recht van bestaan.' De werkgelegenheid, hoe omvangrijk ook, mag geen criterium zijn. 'In ieder geval niet in de eindafweging. Als de onderneming geen perspectief heeft, is er voor het personeel ook geen perspectief.'

Ook bij De Jong slaat het argument van de werkgelegenheid niet aan. Bij Fokker dreigen een dikke vijfduizend banen verloren te gaan. 'Als de overheid een miljard te besteden heeft voor het stimuleren van de werkgelegenheid, dan zijn er slimmere manieren te bedenken. Investeren in Fokker is dan net zo'n goede manier als de aanleg van een nieuw Amsterdams bos. Dat is ook wel aardig, maar het zet in economisch perspectief even weinig zoden aan de dijk.'

De Jong ziet slechts een rol voor de overheid weggelegd in het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling - eigenlijk wat Wijers in zijn laatste nota ook bepleit. 'Ik kan me daarin wel vinden', stelt De Jong. 'Waarbij je je dan voornamelijk moet richten op nieuwe produkten, die nog aan het begin staan van hun groeicyclus. Je moet niet je geld gaan steken in produkten die eigenlijk qua afzet aan het stagneren zijn of niet meer in een groeimarkt kunnen worden verkocht - zoals de vliegtuigen van Fokker.'

De Jong trekt het breder. Hij voorziet een groot gevaar dat Nederland afglijdt in de richting van Amerikaanse en Britse praktijken als de beschermingsconstructies worden opgeheven. 'Je krijgt hier dan een rauw soort overnamekapitalisme. Als een bedrijf wil voorkomen dat het in vijandige handen valt, is het gedwongen een hoog dividend uit te betalen en veel reserves aan te houden. Dat kapitaal kan beter worden aangewend om te investeren in de eigen onderneming, en dan vooral in de scholing van het eigen personeel.'

HIJ ZEGT echter ook niets te zien in het continueren van de beschermingsconstructies. 'Dat is een heilloze weg en drukt de koersen. Je moet op andere manieren proberen je aandeelhouders aan je te binden, bijvoorbeeld door langlopende afspraken te maken. De overheid zou dat kunnen stimuleren door het voor institutionele beleggers en banken financieel aantrekkelijk te maken langdurige relaties aan te gaan met ondernemingen.'

'Als industrieland bestaan wij eigenlijk niet echt meer', stelt Van der Hek mismoedig vast. 'We hebben een paar multinationals en wat industrie in deelmarkten, maar geen coherente industriële infrastructuur. We zijn een land van dienstverleners geworden.'

Hij heeft ook zijn twijfels over Wijers' industriebeleid. 'Meer aandacht voor technologie is prima, maar ik betwijfel of Economische Zaken echt over voldoende middelen beschikt om onderzoek en ontwikkeling in de industrie op voldoende schaal te steunen. En ook de fiscale wetgeving is niet erg industrie-minded', vindt Van der Hek.

In zijn vorige functie als voorzitter van de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij verschafte het voormalige Kamerlid ooit nog aan de Fokker-dochter in Hoogeveen een lening van zeven miljoen gulden. 'Die is keurig terugbetaald, hoor.' Maar het gaat niet alleen om geld, benadrukt Van der Hek. 'De overheid moet een klimaat scheppen waarin industriële investeerders zich welkom weten. Dat kan met fiscale stimulansen, en met subsidies en kredieten. Dat hoeven geen vreselijk hoge bedragen te zijn, maar het is wel iets dat ondernemers aantrekt: de zekerheid dat de overheid achter je staat en zijn best doet om het jou naar de zin te maken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden