Sterven in een Engelse roeiboot

HET BEGIN van Het glazen paleis van Amitav Ghosh heeft alle ingrediënten van een klassiek sprookje. We zijn aan het eind van de negentiende eeuw....

Het verschil met een sprookje is dat Ghosh' verhaal hier niet ophoudt, maar begint. Bovendien is het decor van de liefde tussen Dolly en Rajkumar niet bepaald idyllisch: hun geluk is gebouwd op de ruïnes van het rijke koninkrijk Birma. Rajkumar dankt zijn entree in het glazen paleis aan een plundering na de overwinning van de Engelsen op Birma in 1885, en ook zijn kapitaal verdient hij met hulp van de Britten en hun teakhouthandel. Rajkumar zelf, 'een wild dier', heeft daar weinig moeite mee: 'dat er een stelsel van loyaliteit bestond dat losstond van hemzelf en zijn directe behoeften - dat was bijna niet te begrijpen'.

Rajkumar snapt al evenmin waarom de onderdanen van Birma zo tweeslachtig reageren op de verbanning van hun koningshuis. Enerzijds is het volk nog loyaal aan de vorst en huilt men wanneer ze hem zien vertrekken, anderzijds plundert datzelfde volk het paleis, uit wraak voor eeuwen onderdrukking door de tirannieke koningen.

Die twee uitersten omschrijven de vraag waar het om gaat in deze roman: waaraan is het individu trouw en waarom? Wat betekent het om bij een cultuur of een natie te horen? Zo zijn Rajkumars avonturen ingebed in een groter historisch geheel, en hetzelfde geldt in de rest van de roman voor zijn vrouw Dolly, hun zoons Dinu en Neel en twee bevriende families in India en Maleisië.

Gelukkig betekent dat niet dat de personages slechts een kapstok zijn voor de politieke ideeën van de auteur. Het gaat Ghosh om het verband tussen het persoonlijke en het politieke, om het effect van grote historische gebeurtenissen op kleine levens. Door middel van zestien personages onderzoekt hij wat de invloed is van de geschiedenis op het individu. 'Onderzoeken' klinkt wellicht wat wetenschappelijk voor een romanschrijver, maar toch kun je de vijf boeken die Ghosh (1956) schreef zo typeren. De Indiase auteur, die op zijn 26ste in Oxford promoveerde in de antropologie, maakt geen streng onderscheid tussen literatuur en wetenschap. Zijn romans zijn een literair onderzoek naar wat er gebeurt met mensen wanneer ze gevangen raken tussen twee landen, of twee culturen.

Rajkumar blijkt ongevoelig te zijn voor de culturele overheersing van de Britten in Birma. Hoewel hij zijn kapitaal aan de Engelsen te danken heeft, weet hij na jaren nog niet hoe hij met vork en mes moet eten. Zijn vrouw Dolly kiest voor een andere oplossing, zij sluit zich het liefst ver van de wereld op in een paleis of klooster. Zo houden zij zich staande. Wie echter ten onder gaan, zijn zij die zich te veel aanpassen aan de vreemde cultuur: zij vernietigen zichzelf. Zo is er de collecteur, de man van Dolly's vriendin Uma, die in Engeland heeft gestudeerd en zijn Britsheid zo ver heeft doorgevoerd dat hij zelf niet meer weet wie hij is. Hij leeft in permanente angst om tekort te schieten ten opzichte van zijn collega's.

Uiteindelijk komt hij op symbolische wijze om in een Engelse roeiboot. 'Zou heel India dan ooit een afspiegeling worden van wat hij was geweest? Miljoenen mensen die probeerden naar onbegrijpelijke regels te leven?' vraagt zijn vrouw Uma zich af, en wijdt zich de rest van haar leven aan de Indiase onafhankelijkheidsstrijd.

Nog tragischer is Arjun, Uma's neef, die het heeft geschopt tot officier in het Britse leger. Daarvoor heeft hij veel botte grappen moeten verdragen en tot zijn grote weerzin varkensvlees moeten eten, terwijl hij heimelijk verlangde naar chapatis. Zowel bij hem als bij de andere Indiase officieren ontstaat twijfel wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Hun gevoel voor loyaliteit aan de Britten blijkt niet opgewassen tegen de vraag wiens land ze nu eigenlijk verdedigen. 'Begon een muiterij zo?', vraagt Arjun zich af. 'In een ogenblik van bandeloosheid, waardoor je een vreemdeling werd voor degene die je een moment eerder nog was geweest? Of was het andersom? Dat je nu opeens de vreemde herkende die je altijd voor jezelf was geweest? Dat al je loyaliteit en al je overtuigingen verkeerd gericht waren geweest?' Hoewel Arjun uiteindelijk kiest tegen Engeland, is hij toch te Brits om te overleven in het Indiase leger en wordt hij omgebracht door zijn eigen soldaten.

Niet veel beter vergaat het de andere personages van Ghosh. Of liever gezegd: zijn familieleden, aangezien Ghosh zich op de laatste pagina van zijn boek bekendmaakt als de achterkleinzoon van Dolly en Rajkumar. Toch, zegt de auteur in zijn nawoord, moeten we Het glazen paleis lezen als een roman. Zijn herinneringen zijn vervaagd en plaatsen en tijden kende hij alleen uit verhalen, zodat de roman een 'geheel fictieve wereld' is. 'Misschien juist door die ongrijpbaarheid van wat ik me probeerde te herinneren ', vervolgt Ghosh, 'had ik een bijna dwangmatige behoefte om de achtergronden van het leven van mijn hoofdpersonen zo nauwkeurig mogelijk weer te geven.'

Het is onvermijdelijk dat die behoefte aan exactheid zich zo nu en dan wreekt. Dan is het evenwicht tussen literatuur en geschiedschrijving even zoek en wordt de lezer opgezadeld met een al te nauwkeurige beschrijving, of het nu gaat over de eerste fototoestellen, de aardoliewinning in Birma, de Indiase gemeenschap in New York of wat er geserveerd wordt bij een gegoede familie in Maleisië. Daar houdt Ghosh halt voor een uitvoerige uiteenzetting, waarna hij weer doorstoomt met zijn verhaal. Hij zet er flinke vaart achter; dat is ook wel nodig als je de lotgevallen van drie generaties in drie families in drie landen, en drie oorlogen wilt beschrijven in vijfhonderd bladzijden.

Dat dit meeslepende verhaal toch een eenheid vormt, komt door de thematische lijnen die Ghosh uitzet, vanaf het begin van zijn geschiedenis in 1885 naar het einde in 1996. Rajkumar begint zijn carrière met teak- en rubberbomen, zijn zoon wordt daar later onder bedolven, zijn schoondochter sterft ook tussen de bomen, en zelf eindigt Rajkumar weer met een bundeltje teakhout op zijn rug, wanneer hij met Dolly op de vlucht slaat voor de Japanners.

Ghosh schrikt niet terug voor onwaarschijnlijkheden als hij die nodig heeft voor een strak gecomponeerd verhaal. Als dat de verteller zo uitkomt, lopen de personages elkaar op de meest afgelegen plaatsen tegen het lijf.

Toch krijgt de lezer de kans genegenheid te voelen voor de personages vanwege het vakmanschap van de verteller. In zekere zin gaat Ghosh te werk als een fotograaf: van iedereen maakt hij een paar momentopnames die het hele verhaal vertellen. Daarmee heeft hij veel weg van Dinu, de zoon van Dolly en Rajkumar, die zijn affectie alleen achter de lens kan tonen.

Door fotograaf te worden kiest Dinu ook voor een afzijdige, beschouwende positie in het strijdperk van de twintigste eeuw. Als hij zich aan het einde van zijn leven toch gedwongen ziet een standpunt te kiezen, meent hij 'dat wanbeleid en tirannie moeten worden bestreden, maar de politiek zelf ook. . . dat je niet mag toestaan dat die het hele leven, het hele bestaan kannibaliseert. . . dat zie ik als de ergste belediging in ons leven.'

Het ziet ernaar uit dat Ghosh deze opvatting van zijn oudoom deelt; zijn verhaal gaat wel over politiek, maar hij kiest geen partij. Die nuance maakt Het glazen paleis tot allesbehalve een sprookje. Hier is geen goed en kwaad, hier heerst alleen de macht van de geschiedenis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden