Sterrenhotel

Het Chelsea Hotel was bijna de hele 20ste eeuw de hangout voor de New Yorkse kunstscene. Sherill Tippins deed onderzoek naar de legendarische gasten en schreef er een vermakelijk boek over.

Sinds het kolossale Chelsea Hotel een jaar of drie geleden voor 81 miljoen dollar werd verkocht aan een onroerendgoedondernemer, zijn de hotelkamers ontmanteld. Het aan het eind van de 19de eeuw uit rode baksteen opgetrokken hotel, gelegen aan 7th Avenue en nummer 222 van de 23ste Straat op Manhattan, was trouwens ooit ontworpen als een appartementencomplex.


Het was bedoeld als een soort utopistische leefgemeenschap, een zeer ruimtelijk gedachte plek, vooral bedoeld om de creatieve geest te doen waaien. De grote dakterrassen werden geacht daarin een rol te vervullen. Maar al gauw bleek dat van al dat creatieve utopisme de schoorsteen onvoldoende kon roken, waarna er zo'n 250 hotelkamers van wisselende grootte werden geïnstalleerd.


Daarnaast bleef het gebouw tot op de dag van vandaag onderdak bieden aan een aantal appartementen, waarvan de bewoners recht hebben op een bepaalde mate van rent control, zeg maar huurbescherming. Nu de hotelfunctie is afgedankt, in afwachting van een al jaren in gang zijnde structurele verbouwing waarvan niemand lijkt te weten waar die uiteindelijk in zou moeten resulteren, is men dus wat de bestemming van het gebouw betreft in zekere zin terug bij af.


Tussen de nieuwe eigenaar en de nog overgebleven min of meer permanente bewoners woedt nu een weinig subtiel gevoerde guerrilla, bedoeld om de krimp onder de blijvers te bevorderen. De New Yorkse media raken er niet over uitgeschreven en er is ook sprake van een hoogst informatief blog (Living with Legends) waarin verslag wordt gedaan van de krijgsverrichtingen over en weer met als inzet de toekomst van 'The Last Outpost of Bohemia'.


Maar, zo blijkt ook uit dat blog: er wordt (wegens het ouder worden van de Chelsea-bevolking en misschien ook wel op grond van een niet al te verantwoorde leefstijl in het verleden) heel wat afgestorven. Zo overleed begin deze maand schilder en criticus René Ricard (1946), die niet alleen de ontdekking van de schilder Basquiat kon claimen, maar ook de status van minor celebrity verwierf met zijn gespeelde bijdrage aan de door Andy Warhol in het Chelsea gedraaide film Chelsea Girls.


Het kan haast niet anders of de nieuwe eigenaar van het Chelsea moet met een zeker genoegen kennis nemen van zo'n overlijdensbericht, dat immers 'eindelijk leegstand' impliceert. De onroerendgoedtycoon in kwestie weet immers ook dat de familie Bard, die het hotel tot 2007 een jaar of vijftig beheerde namens een aantal mede-eigenaren, nogal eens coulantie placht te betrachten tegenover bepaalde, minder draagkrachtige, bewoners.


Er was niet zozeer sprake van liefdadigheid, maar menig bewoner werd in staat gesteld met zelf vervaardigde kunst te betalen. De met schilderijen getooide gangen en de met een ratjetoe aan kunststijlen volgehangen lobby maakten inzichtelijk dat niet alleen toptalent hier de kwast had gehanteerd in ruil voor cultureel en financieel verantwoord verblijf.


Zo had men had ooit onderdak geboden aan de schilder Alphaeus Cole, overigens wel degelijk een gewaardeerd kunstenaar in zijn tijd, die de toezegging had gekregen om tot zijn dood te blijven wonen in een appartement met rent control. Toen Cole in 1988 in het Chelsea overleed, had hij er een leven van 112 jaar en 136 dagen opzitten, waarmee hij het wereldrecord van oudste creatief op aarde had verworven. Zijn naam dook weer even op in de (Chelsea-)publiciteit, toen brokstukken van een balkonnetje op straat waren beland. Wat de bouwvalligheid van bepaalde delen van het Chelsea illustreerde. Dat balkonnetje had dus lange jaren toebehoord aan de schier onsterfelijke Cole.


De Iers-Nederlands-Amerikaanse schrijver Joseph O'Neill, die in het Chelsea in een appartement woonde met zijn vrouw (de journaliste Sally Singer) en (vrij ongebruikelijk op die locatie) drie kinderen, is op zijn 50ste van een wat andere leeftijdscategorie dan de taaie Cole. Het echtpaar O'Neill-Singer is overigens uit elkaar (althans naar verluidt) en de schrijver woont er niet meer. Maar toen hij er nog wel resideerde, heeft hij het decor van zijn woonomgeving adequaat aangewend voor zijn in 2008 verschenen roman Netherland (hier in vertaling uitgebracht als Laagland).


Hij heeft een getraind oog voor het rariteitenkabinet dat de lobby bevolkte toen het Chelsea nog fungeerde als de biotoop bij uitstek voor beroemde en minder beroemde bohémiens (en voor de vele hele of halve halvegaren die aansluiting zochten bij de daar heersende, naar het libertaire neigende, levensstijl). Zo is er de man die ervoor heeft gekozen als engel door het leven te gaan. Diens verlepte en vervuilde vleugeltjes vormen een mooie metafoor voor de gevarieerde gekte-sekte die de hoofdpersoon op deze locatie aan zich voorbij ziet trekken.


Over de geschiedenis van die populatie gaat het in Inside the Dream Palace (The Life and Times of New York's Legendary Chelsea Hotel), de door Sherill Tippins geschreven, hoogst onderhoudende studie naar de New Yorkse bohème in heden en verleden. Het boek leest als een alternatieve kunstgeschiedenisles. Tippins, die haar loopbaan begon als tv-producer, schreef eerder February House, genoemd naar een locatie in de (New Yorkse) wijk Brooklyn Heights waar zich ten tijde van de Tweede Wereldoorlog een curieuze culturele samenscholing voordeed met uiteenlopende deelnemers als de schrijvers en dichters W.H.Auden, Carson McCullers en Jane en Paul Bowles, componist Benjamin Britten en burlesque entertainer en striptiseuse Gypsy Rose Lee.


Er zijn naast het Chelsea uiteraard wel meer New Yorkse hotels die kunnen bogen op een een zekere culturele reputatie. Zo bood het iets chiquere Algonquin gastvrij onderdak aan de New Yorker-kliek rond Dorothy Parker. En ook het Gramercy Park had de uitstraling van een cultureel angehauchte cliëntèle. Niet eens zozeer omdat Humphrey Bogart er zijn eerste huwelijk vierde, maar omdat het een geliefde pleisterplaats was voor popgroepen. De verloedering waaraan het Chelsea onder invloed van drugs & rock 'n' roll onderhevig raakte, is de Gramercy min of meer bespaard gebleven.


Tegelijkertijd had die verloedering van het Chelsea een vrijwel magische uitwerking op de reputatie van het hotel. Toen het nog prille punkidool Sid Vicious van de Sex Pistols er anno 1978 zijn niet minder prille meisje Nancy Spungen aan het mes had geregen, groeide die plaats delict uit tot een bedevaartsoord dat nog beroemder zou worden dan de plaquettes aan de voorgevel van het hotel die vermeldden wie hier allemaal hadden gewoond en gewerkt (Dylan Thomas, Arthur Miller, Thomas Wolfe, Brendan Behan).


Als er iets inflatoir en aan verval onderhevig is, dan is het celebrity. In 1953 dienden de schrijvers Jack Kerouac en Gore Vidal zich onder eigen naam aan bij de balie met het oog op een gedeelde nacht. Het was vooral Vidal die in al zijn bescheidenheid vond dat de twee literaire fenomenen (Vidal homoseksueel, Kerouac niet) 'het aan de geschiedenis verplicht waren' met elkaar naar bed te gaan. Het papier met hun beider namen uit de hotelregistratie zou later vast veel geld waard worden. De verwachte roem is beperkt gebleven tot een paar smakelijke zinnen in de Chelsea-biografie van Tippins.


Naast die onenightstand van Vidal en Kerouac, waarover Kerouac er in een later leven maar liever het zwijgen toe deed, is er - al even goed gedocumenteerd - zo'n treffen tussen Leonard Cohen en Janis Joplin. En het Chelsea vormt ook het decor van de naweëen van de liaison tussen toneelschrijver Arthur Miller en actrice Marilyn Monroe - maar de plek is ook verbonden met Patti Smith en Robert Mapplethorpe, met Mary McCarthy en Edmund Wilson, Bob Dylan met Sara Lowndes, Andy Warhol en Edie Sedgwick. Het gaat pagina na pagina om een soms duizelingwekkende hoeveelheid namen.


De naam van Jackson Pollock wordt gekoppeld aan die van Peggy Guggenheim. De verzamelaar-kunsthandelaar had een lunch aangericht om eventuele kopers warm te maken voor het werk van de actionpainter Pollock, dat toen, eerste helft jaren veertig van de vorige eeuw, nauwelijks te slijten viel. De confrontatie met zijn beoogde cliëntèle zette de beschonken kunstenaar slechts aan tot braken. Maar net zo min als dat hotelregister met daarin het bewijs van de gelijkgeslachtelijke verstrengeling tussen Kerouac en Vidal heeft dat door Pollock ondergekotste tapijt ooit iets opgebracht.


Schrijver en chroniqueur Henk Hofland (1927) heeft het Chelsea vanaf halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw veel en vaak voor langere perioden aangedaan in het kader van zijn commentatorschap voor NRC Handelsblad. Uit zijn Montag-columns kreeg de lezer de indruk dat die bohemienne Chelsea-biotoop hem als gegoten zat. Wie hem ooit op de kwaliteiten van het Chelsea heeft gewezen, weet hij niet meer, hij vermoedt Jan Cremer of Jan Vrijman. De eerste keer dat Hofland zich aan de balie vervoegde met de vraag of er nog een vacancy was, ging de belangstelling achter de hotelbalie meer uit naar een muis die zojuist was gesignaleerd, dan naar de bezoeker.


Die ongedwongen sfeer is Hofland altijd blijven bevallen, eerst in kamer 425, later in 813. Collega-columnist wijlen Martin Bril is hem er eens wezen opzoeken voor een Hofland-profiel in (de Nederlandse) Esquire. Maar Brils biotoop zou het niet worden, want hij ervoer het hotel met al die vormen van materieel en menselijk verval als een morsige gribus.


Bovenstaande details zijn ontleend aan Chelsea Hotel, een Nederlandse biografische schets van de Chelsea-cult door Jeroen Wielaert (2002). Daarin gaat het ook over Jan Cremer, die halverwege de jaren zestig in het Chelsea was aangespoeld, mede dankzij zijn uit 1963 daterende vriendschap met de dichter en assistent-curator van het New Yorkse Museum of Modern Art, Frank 'O Hara. O'Hara, die er zelf ook woonde, was bereid geweest borg te staan voor Cremers immigratie.


Toen Cremer kwam, verbleef Willem de Kooning er nog. En ook Karel Appel had er wel verbleven, al deed Cremer het later voorkomen of die Cobra-kunstbroeder slechts in zijn voetsporen het Chelsea had weten te betreden. Cremer gebruikte het hotel een jaar of tien als uitvalsbasis en had er zowel een atelier op de begane grond (overgenomen van schilder Larry Rivers) als een appartement op de vierde verdieping. Halverwege de jaren zeventig checkte hij definitief uit toen het klimaat er te veel werd bepaald door 'freaks, junkies en flippo's' (in Cremers woorden).


In Dream Palace komt de Nederlandse celebrity, die de deze weken het 50-jarig jubileum viert van Ik Jan Cremer, op pagina 164 één keer voor: als de schrijver van 'a nihilistic, On the Road-style bestselling cult novel in the Netherlands'.Hij wordt ook nog aangeduid als 'Hungarian born', wat de auteur van horen zeggen zal hebben, want Cremer (Enschede, 1940) is dan wel niet in Hongarije geboren maar wel van Hongaarse komaf. Net als de familie Bard trouwens, die het Chelsea Hotel decennialang heeft beheerd.


In een boek met Cremer-brieven (De Bezige Bij, 2005) komt ook correspondentie voor met de beheerders van het Chelsea. Die gaat over geld, dat hij net als zo veel andere bewoners het Chelsea nog schuldig is (en misschien ook wel blijft). Van Cremers kant wordt het schrijven afgesloten met 'Jonapot'. Dat is een Hongaarse groet, nemen we aan op gezag van de bezorgers van de brieven. Ach, deze bescheiden vermelding in die nieuwe biografie van het Chelsea, we moeten aannemen dat het Cremer koud laat.


Hoewel: toen een eerdere Chelsea Hotel-biografe, Florence Turner, hem in Life at the Chelsea (1987) had menen te moeten omschrijven als 'a young Dutchman who could not decide whether he was a painter, a poet of just an all-round genius (he was none of these things)' reageerde Cremer daarop tegen de Nederlandse Chelsea-biograaf Jeroen Wielaert, met 'Ken ik niet; ik zal haar wel afgewezen hebben.'


Prijs-sfeerverhouding in het Chelsea


Nee, goedkoop was het Chelsea Hotel niet echt, gegeven de wat gribus-achtige allure. De eerste keer dat ik naar New York ging (in 1969), koos ik op advies van de NBBS dan ook voor het Times Square Motor Hotel. Het was er rijk aan kakkerlakken. Maar daar stond tegenover dat, zo was uit onderzoek naar de moord op JFK gebleken, diens moordenaar Lee Harvey Oswald er, net terug uit de Sovjet Unie, had gelogeerd.


De auteur van Dream Palace, de biografie van het Chelsea, laat ook zien hoe de dollars van toen zich verhouden met die van nu. Omgerekend blijkt dat een appartement er vlak na de oplevering in 1884 aan huur tussen de 726 en 4.360 euro per maand kostte. Schrijver Joseph O'Neill betaalde 5 mille per maand. Een hotelkamer zoals die waarin ik begin jaren negentig een keer onderdak vond, kostte destijds tussen een kleine 100 en 250 dollar (wat nu zou neerkomen op tussen de 95 en 282 euro). Naar het Chelsea, (in het boek omschreven als het 'Ellis Island van de avant-garde') ging je dus niet voor het geld, maar om de sfeer.





Sherill Tippins, Inside the Dream Palace (The Life and Times of New York's Legendary Chelsea Hotel), Houghton Mifflin Harcourt. 26,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.