Sterren op het bastion

Op de oude verdedigingswerken van Utrecht maken Wil Thijssen en fotograaf Marcel van den Bergh kennis met Betelgeuze en zonnevlekken....

Het licht gaat uit, op een diascherm schitteren duizenden sterren. Orion met zijn helder oplichtende Betelgeuze en Rigel. Sluier- en waterstofnevels in verschillende kleuren. Zwarte gaten. Zonnevlekken. Witte dwergen. Een supernova. ‘Waar je nu naar zit te kijken, is de dood van een ster.’

Sterrenkundige Peter Swaanenvelt geeft zijn zaterdagavondlezing in de sterrenwacht van Utrecht, in de oude collegezaal met houten klapbankjes. Hij vertelt over de temperatuur van de zon, de geboorte van een ster, hoe zonnevlekken ontstaan en dat die net zo groot zijn als heel de aarde. ‘Sterrenbeelden, zoals Orion, zijn gebaseerd op fantasieën. Ze hadden vroeger geen Playstation, dus vertelden ze verhalen om zich te vermaken.’

De lezing is spannend voor kinderen en interessant voor hun ouders, en datzelfde geldt voor het hele gebouw. Sterrenwacht Sonnenborgh werd in 1853 gebouwd op een van de vier bastions van de oude, Utrechtse verdedigingsmuur. Het is een markant bouwwerk met torens, historische zalen en binnenplaatsjes op een fundament van drie meter dikke muren met schietgaten erin. Het bastion, in 1553 gebouwd in opdracht van keizer Karel V, is een van de best bewaarde van noord-Europa. Erboven, in de Meridiaanzaal, ligt de eerste steen van de sterrenwacht, die nog is gelegd door koning Willem III. De meridiaankijker waaraan de zaal zijn naam dankt, werd twee eeuwen geleden gebruikt om de tijd in de stad Utrecht te bepalen aan de hand van het tijdstip waarop een ster de meridiaanlijn van Utrecht passeerde. Ook werden hier de klokken en meetapparaten van de Nederlandse marine geijkt. Totdat bij het Nederlands spoorwegbedrijf de behoefte ontstond aan één gelijkluidende tijd in het hele land, en de Amsterdamse tijd in 1909 tot standaard werd verheven.

De kleine, oude bibliotheek met zijn houten vloeren, groen geverfde balustrades, trappetjes en balkons staat vol met boeken over amateur- en professionele sterrenkunde, weerkunde en de ruimtevaart. Zelfs Jules Verne is er vertegenwoordigd. Maar de vijftien bezoekers die het slechte weer hebben doorstaan, komen vooral voor de telescopen. In de Sonnenborgh staan vijf grote sterrenkijkers. Ze werden gebruikt tot 1986, toen de afdeling sterrenkunde van de Universiteit Utrecht verhuisde naar de wijk De Uithof. De Sonnenborgh werd drie jaar daarna als museum ingericht.

Onder de koepel van de Zuidertoren staat de Merztelescoop opgesteld. De bezoekers beklimmen een voor een de aluminium keukentrap om door het hoge oculair te kunnen kijken naar het logo van de Utrechtse hogeschool – sneeuw en mist maken het vanavond onmogelijk om sterren te kunnen zien. De Merzkijker uit 1863 heeft nog een mahoniehouten buis, die later met een metaalkleurige verf werd overgeschilderd. ‘Toen was dat modern; nu vinden we dat vreselijk jammer’, zegt Swaanenvelt.

Hij troont zijn gehoor mee naar de Oostertoren, waar twee computergestuurde Galakijkers staan. Op het scherm van een computer worden foto’s geprojecteerd die de kijker maakte van Mars, Mercurius, Saturnus met zijn ringen, Jupiter met zijn maantjes, vlekken op de zon. ‘Zonnevlekken zijn koude plekken, veroorzaakt door het magneetveld van de zon’, zegt Swaanenvelt. ‘Dat veld veroorzaakt soms ook uitbarstingen die elektrisch geladen deeltjes de ruimte in sturen. Dan hebben wij twee dagen later poollicht.’ De stem van de sterrenkundige weerkaatst onder het koepeldak met zijn holle, echoënde akoestiek.

In de Weer- en Zonzaal van het museum steekt door het plafond een deel van de zonnespectrograaf waarmee de Utrechtse sterrenwacht wereldberoemd is geworden: een zeven meter lange telescoop met daarachter een twaalf meter lange spectroscoop, die zonlicht in de kleuren van de regenboog uiteenrafelt. Dit is de derde kijker in zijn soort die speciaal voor de Sonnenborgh is gebouwd, en nog steeds zijn Utrechtse sterrenkundigen gespecialiseerd in onderzoek naar de zon.

In de aangrenzende Meridiaanzaal staat een planetarium, dat tussen 1984 en 2005 door een hobbyist op schaal is nagebouwd. Hangend rond de glazen kast, met daarin een grote, gouden zon in het midden en planeten in verschillende kleuren, wordt door de bezoekers de hamvraag gesteld: is er leven buiten de aarde?

‘Het is maar net wat je gelooft’, antwoordt Swaanenvelt. ‘Waarschijnlijk wel, maar vermoedelijk in een heel andere vorm dan hier. Ik geloof in ieder geval niet in ufo’s. En als ze bestaan, zijn dat in ieder geval heel domme ruimtewezens, want ze ontvoeren altijd diezelfde, stomme Amerikanen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden