Stem zoekt hese klanken tussen elektronische plofjes en knispers

Dans

GRONINGEN Een enge heks in een borrelende oersoep, daar doet ze aan denken. Stokstijf staat ze op het toneel, in haar zwarte rok met priemende stulpsels, stekels van een verloren plantensoort, kammen van een ver gebergte. Haar stem zoekt hese klanken tussen de plofjes en knispers van de elektronica. Haar rug kromt zich, haar mond verstart in een grijns, haar blik gaat richting vloer waaronder haar geheimen verborgen liggen, zo vertelt ze ons.


Nynke Laverman, de zangeres die de 'Friese fado' bedacht, doet mee aan een dansvoorstelling. Ze is zeer aanwezig, door haar verschijning en door haar versterkte, vaak iets nagalmende zang. Zodra zij op het podium staat - eerst nog gewoon, later op heerszuchtig hoge stelten en weer later met krukken erbij waardoor de stelten opeens prothesen lijken - worden de dansers van Noord Nederlandse Dans een beetje weggeduwd. Jammer, want zo ontstaat niet de interactie of integratie die zo bijzonder had kunnen zijn aan dit avontuurlijke project. Bovendien stellen de toonkunsten van Laverman nogal teleur.


Tidal, 'getijde', is opgebouwd uit drie korte delen die jammer genoeg niet in elkaar doorlopen maar gescheiden zijn door changementen met gesloten doek. Van de onderhuidse begeerte (undertow) gaat het naar de agressieve frustratie (stormbell) en tot slot de bedeesde verzoening (coral). Hoewel de compositie voor Laverman, die deels ook met haar eigen stem op band duelleert, vooral uit abstracte klanken bestaat, zijn er enkele liedteksten die vaag een verhaal van verlangen, angst, dood, misschien zelfs moord schetsen. Over de achterwand kruipen zwarte strepen als druipend bloed, de kostuums gaan van onbetekenend grijswit naar onheilspellend zwart.


Laverman kan zingen, daarover geen twijfel. Maar in Tidal is haar palet te eentonig, wat natuurlijk ook iets zegt over de totale compositie van Anne Parlevliet. Het telkens voorzichtig aanzetten en vervolgens lang uithalen, de mengeling van een soort fluisterzingen en blaaszingen, wordt vervelend. Het spelen met letterklanken en dissonanten doet geforceerd aan. Laverman jongleert overduidelijk nog niet met abstracties zoals de dansers dat kunnen.


In het tweede en het derde deel krijgen die dansers de meeste ruimte en zijn ze ook het meest uitgesproken. Hier blijkt de choreografie van artistiek leider Stephen Shropshire wel degelijk potentie te hebben. Met veertien man sterk, in vloeiende variaties van duetten of unisono, vormen ze een gevaarlijk beest, dat rauw beweegt, met schokkende schouders en bijtende monden. En na de strijd is er juist rust in de lichamen, met veel meer openheid in houdingen en poses die draaien om balans. De duistere kant van het verlangen, een obsessieve kracht, is hier tot bedaren gebracht.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.