Straatverkopers in de oude stad van Casablanca

Steeds vaker blijven Afrikaanse migranten in Marokko: ‘Als een Marokkaan een broodje eet, zal hij dat met je delen’

Straatverkopers in de oude stad van Casablanca Foto Samuel Aranda

De grens naar Europa zit potdicht. Marokko is dus niet langer alleen een doorgangsland, maar ook een aankomstland voor migranten uit zuidelijker landen. 'Het leven in Europa is niet anders dan hier. Het enige verschil is de cultuur. Hier is meer liefdadigheid.'

‘Interdit d’uriné ici’ staat er op de metalen afscheiding rond het migrantenkamp. De spelling klopt niet helemaal, maar de boodschap zou duidelijk moeten zijn. Toch loopt de ene na de andere man naar de afscheiding om te plassen. Wat moeten ze anders? Sanitaire voorzieningen zijn hier niet.

De stank slaat je in het gezicht zodra je in de buurt komt van het kamp dat Afrikaanse migranten in Casablanca vlakbij het busstation Ouled Ziane bewonen. Het bestaat uit rijen dicht opeengepakte koepeltentjes. Honderden mannen wonen hier. Elk van de kleine tentjes biedt onderdak aan drie of vier van hen, óók toen het deze winter sneeuwde in Marokko. Nu hangen kledingstukken te drogen op de hekken rondom, of op de goals die herinneren aan de tijd dat hier werd gevoetbald.

Zoals in elke menselijke gemeenschap is er ook hier een leider, iemand die ruzies sust en optreedt als woordvoerder. Hij heet Hervé ‘Le Camerounais’ Ndouka (34). Een stille man, misschien doordat hij maagpijn heeft. Hij houdt zich op de achtergrond terwijl zijn lotgenoten door elkaar schreeuwen.

Het komt door zijn karakter, zegt hij later, dat hij hier de leider is. ‘Ik probeer neutraal te zijn, mensen weer bij zinnen te brengen. Vooral broeders die rechtstreeks ‘uit het bos’ komen, zitten vol razernij. Ze zijn soms geslagen door de politie. Ik probeer de gemoederen tot bedaren te brengen.’

Liefdadigheid

Het ‘bos’ ligt op de grens met de twee Spaanse enclaves in het noorden van Marokko. Zelf heeft Hervé Ndouka het opgegeven om naar Europa te komen. De grens zit potdicht. Hij probeerde het een keer bij Melilla en een keer bij Ceuta. ‘Maar zodra je het hek daar aanraakt, raak je gewond’, zegt hij. Ze brachten hem in een bus terug naar Casablanca.

Melilla - 15 oktober 2014. De Spaanse Guardia Civil haalt migranten van het hek dat de Spaanse enclave Melilla scheidt van Marokko Foto Samuel Aranda

Ndouka heeft besloten in Marokko te blijven. ‘Het leven in Europa is niet anders dan hier. Het enige verschil is de cultuur. Hier is meer liefdadigheid. Dat heb je in Europa niet. Hier geven mensen je eten, kleding, schoenen. Bij de stoplichten krijg je vaak 20 of 30 dirham (rond de 2 euro, red.).’

Het idee dat Marokko ook een aankomstland kan zijn, in plaats van alleen een doorgangsland, is betrekkelijk nieuw. In 2014 kondigde de Marokkaanse koning Mohammed VI een eerste regularisatiegolf aan. Ruim 23 duizend economische migranten kregen toen een verblijfsvergunning. Ze moesten daarvoor aantonen dat ze minstens vijf jaar in Marokko verbleven, of een arbeidscontract laten zien. Het was een ongekende operatie voor een Afrikaans land.

Soepele criteria

In 2016 volgde er een tweede golf. Die leverde nog eens 14 duizend mensen een verblijfsvergunning op. De 15 duizend overgebleven aanvragen worden op dit moment beoordeeld aan de hand van versoepelde criteria: alle vrouwen en minderjarigen zouden mogen blijven, en ook degenen die kunnen aantonen dat ze ‘een professionele activiteit’ beoefenen.

Hervé Ndouka laat papieren zien waaruit zou blijken dat hij een ‘avis favorable’ heeft. Hij heeft een status tussen legaal en illegaal in, daar komt het op neer. Om werkelijk een verblijfsvergunning te krijgen, heeft de straatverkoper eerst een vast adres nodig. ‘Als ik een beetje geld heb, ga ik de stap wagen.’ Tot die tijd slijt Ndouka zijn dagen in het migrantenkamp van Ouled Ziane.

Het coulante migratiebeleid zou volgens deskundigen een hoger doel dienen: het Marokkaanse landsbestuur zou op deze manier in de gunst willen komen bij andere Afrikaanse landen.

Migranten verkopen spullen op een straat in Casablanca Foto Samuel Aranda

Kleedjesverkopers

Het straatbeeld in Rabat en Casablanca doet inmiddels enigszins denken aan Zuid-Europese steden als Barcelona en Madrid. Ook hier zijn er volop kleedjesverkopers. Afrikaanse mannen verkopen zonnebrillen, sieraden en mobiele telefoons – vaak met gebarsten scherm. De vrouwen zijn in de weer met hairextensions en nagellak.

Op zondagen zitten de kerkbanken van de Cathédrale Saint-Pierre, pontificaal in het centrum van Rabat, vol zwarte Afrikanen (en een enkele blanke Europeaan). Het kerkkoor zingt behalve in het Frans ook liederen in talen uit Ivoorkust en Congo.

Zoals overal in Marokko tref je hier onder migranten blijvers en doorreizers. Georges Ndoung (37), die tijdens de mis een magere hand geeft om de vrede van Jezus over te brengen, is blij verrast aangesproken te worden door een noorderling en zegt: ‘Kun jij me niet naar Europa brengen?’

Maar voor sommige christenen dieper uit Afrika is het islamitische Marokko het toevluchtsoord van hun keuze. Een van de koorleden is Jacques Ochou (42), afkomstig uit Ivoorkust. Hij heeft zich uitgedost in kleurige Afrikaanse kleding, draagt een ketting gemaakt van macaroni om zijn nek, en op zijn donkere gezicht zijn witte vegen aangebracht. Drie jaar geleden vloog hij naar Marokko, vertelt Jacques. ‘Ik kwam hiernaartoe met het idee hier te blijven en op die manier mijn ouders te helpen.’ Als inwoner van Ivoorkust heeft hij in Marokko geen visum nodig.

Hij heeft zijn hoop gevestigd op een Marokkaanse verblijfsvergunning. ‘Als ik hier kan werken, blijf ik heel mijn leven in Marokko’, zegt hij. Voorlopig leeft hij van het geld dat zijn ouders hem sturen, want zonder verblijfsvergunning is het moeilijk werk te vinden. Af en toe lukt het hem een baantje te vinden als metselaar, in de bouw. ‘Zonder contract. Het betaalt slecht.’

Net als veel van zijn landgenoten droomt hij ervan in een callcenter te gaan werken. Jacques studeerde communicatie, maar door de burgeroorlog en politieke onrust kwam hij in Ivoorkust niet aan de slag. ‘Iedereen gaat daar weg’, verzucht hij. ‘Het land is verdeeld. Er is geen stabiliteit.’

Een man uit Guinee bereidt zijn avondmaal in een Marokkaans migrantenkamp Foto AP

Succes als schrijver

Het is mogelijk om als zwarte Afrikaan een succesvol bestaan in Marokko op te bouwen. Dat bewijst het verhaal van Papa Demba Mbaye (41), afkomstig uit Senegal. In zijn boek La vie des Sénégalais au Maroc vertelt hij over zijn eigen lotgevallen en die van zijn landgenoten.

Mbaye zegt in 2012 zijn baan als leraar op om ‘het avontuur’ in Marokko te proberen, vertelt hij. ‘Ik zei tegen mijn moeder: ik heb geen zin meer om les te geven, ik wil iets anders proberen.’ Ook hij wilde in een callcenter gaan werken, en ook hij koos voor Marokko omdat hij voor dat land geen visum nodig had.

Al snel kreeg Mbaye spijt van zijn sprong in het diepe. Hij kwam erachter dat ‘alles wat ze in Senegal vertellen over callcenters niet waar is’. Het bleek zonder verblijfsvergunning en met accent moeilijk aan de slag te komen. En toen het hem eindelijk lukte een baan te krijgen in een callcenter, kreeg hij niet uitbetaald aan het einde van de maand.

Zo begon een jarenlange zwerftocht door Marokko. In Marrakech trof Mbaye blanke mannen op zoek naar seks, in Agadir werkte hij als straatverkoper, in Casablanca werd hij dakloos, in Tanger bewoonde hij een groezelig appartement, in Fes huilde hij ‘als een kleine jongen’ toen hij 10 dirham kreeg om zijn honger te stillen.

Met de hand geschreven

Door een toevallige ontmoeting slaagde Mbaye er in 2015 in zijn boek, dat hij met de hand had geschreven in een schrift, te publiceren. Het boek bleek een toegangsbewijs tot de Marokkaanse elite. Zodra het uit was, was een verblijfsvergunning zo geregeld. Inmiddels doceert Mbaye aan een opleidingsinstituut in Rabat, in de chique wijk Agdal. Tijdens het interview klinkt op de achtergrond geregeld het klingelende geluid van de moderne tram die voorbij zoeft.

Mbaye heeft gemengde gevoelens over Marokko. Hij spreekt in zijn boek openlijk over het racisme dat hij ervaart. ‘Het gebeurt bijna elke dag dat mensen op de grond spugen als ze mij zien’, zegt hij. Hij maakte in de tijd dat hij nog ronddoolde mee dat hem de toegang tot een bus werd geweigerd, omdat ‘de andere passagiers zich aan hem zouden storen’.

Aan de andere kant, zegt Mbaye: ‘Een Marokkaan zal je op straat altijd begroeten met het woord ‘vriend’ of ‘broer’. Zeg zelf: zal een Fransman je ooit zo noemen?’ Ander voorbeeld: ‘Als een Marokkaan een broodje koopt, zal hij dat altijd met je willen delen.’

Pas op voor chauffeurs

Ondanks de goede afloop van zijn eigen avontuur is Mbaye zeer sceptisch over de massale trek naar het noorden. Het is de schuld van de chauffeurs, zegt hij, die heen en weer rijden tussen Senegal en Marokko. Zij maken Senegalezen wijs dat er volop werk is in Marokko. In zijn boek waarschuwt hij zijn jonge landgenoten voor die chauffeurs. ‘Ze willen alleen je geld’, schrijft hij. ‘Zeg nooit je baan op om op avontuur te gaan.’

Verderop in het boek zegt hij dat de Senegalezen ‘met eenderde van de inspanning die ze in Marokko leveren in Senegal veel meer zouden kunnen verdienen’.

Het leven in een migrantenkamp als dat in Casablanca is ‘deplorabel’, verzucht Mbaye. ‘Het doet me pijn als ik zie dat mijn broeders onder de blote sterrenhemel slapen. En ook als ik in een taxi zit en we staan voor een rood stoplicht, en ik zie dat een sub-Saharaan zijn hand ophoudt.’

De schrijver wordt plotseling fel. ‘Maar wat is de oorzaak van al die armoede? Wij begrijpen heus wel hoe het zit. Jullie nemen de grondstoffen van Afrika mee, om jullie landen te beter te maken, en daar is alles goed en mooi. Natuurlijk gaan mensen dan proberen daar óók te komen!’

Bereid te sterven

Hij heeft geprobeerd zwarte jongens die naar Europa willen op andere gedachten te brengen, vertelt Mbaye. ‘Ik ben erop tegen dat ze kiezen voor het avontuur. Maar het lukt me niet ze tot rede te brengen. Zij zijn bereid te sterven.’

Als je als noorderling het tentenkamp van de migranten in Casablanca binnenloopt, drommen de mannen uit Ivoorkust en Kameroen en Guinee en Mali om je heen. De jonge mannen, de viezigheid van het kamp en de uitzichtloosheid in het kampement vormen een explosief mengsel. Voortdurend zijn er opstootjes. Wat ze willen? Naar Europa!

‘Europa is hypocriet’, schreeuwt Serge Heles (39), een Kameroener. ‘Er is daar genoeg!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.