Steeds intiemer

De onderwerpen van Miyako Ishiuchi, de eerste en beste fotografe van Japan, lopen uiteen van bordelen tot voeten. Toch is haar fascinatie steeds dezelfde: de vrouw, en het verlangen om door te dringen tot de essentie van haar wezen....

Hebben mensen, net als bomen, jaarringen? Zijn er, ondanks leeftijdverhullende crèmes, pillen en operaties, toch onherroepelijke details die verraden hoe oud iemand is? En zo ja, kun je dan bepalen hoe oud?

Aan het einde van de jaren tachtig, toen ze zelf veertig jaar werd, fotografeerde Miyako Ishiuchi de handen en voeten van vrouwen uit haar eigen geboortejaar. Het was aanvankelijk haar idee om ook hun gezichten te portretteren, maar daar zag ze vanaf. Het waren volgens Ishiuchi de handen en vooral de voeten die de meest intieme delen van het menselijk lichaam vormden.

Ze publiceerde haar foto’s in het boek 1.9.4.7. En ze zei: ‘Ik had het gevoel dat in de voeten, juist omdat ze zo eigenwijs de aarde bewandelen terwijl ze de rest van het lichaam ondersteunen, iemands ware karakter verborgen lag.’

In september opent in Foam in Amsterdam een tentoonstelling met werk van Miyako Ishiuchi. Na Daido Moriyama, Nobuyoshi Araki en Kiyoshi Suzuki is ook de eerste, en volgens kenners de beste, vrouwelijke Japanse fotograaf in Nederland te zien. Eerder al werd haar project Mother’s (2000-2005) getoond op het festival Noorderlicht in Groningen. In Foam komt werk te hangen dat afkomstig is uit bijna al Ishiuchi’s projecten, waaronder dus 1.9.4.7.

Dat boek lijkt te breken met de manier van fotograferen die Ishiuchi daarvoor aanhield. Die eerdere beelden, afkomstig uit de publicaties Yokosuka Story (1976-77), Apartment (1977-78) en Endless Night (1978-1980) tonen gruizige, grafische en enigszins deprimerende taferelen. De autodidacte Ishiuchi maakte ze vlak nadat ze de kracht van de fotografie had ontdekt.

Je zou ze kunnen zien als een psychologische afrekening met haar verleden. Haar jeugd is gekleurd door de plek waar ze vanaf haar zesde jaar opgroeide. Yokosuka was een Japanse stad die destijds werd overheerst door een grote Amerikaanse marinebasis, en waar op seks en geld beluste soldaten Ishiuchi’s kijk op mannen en vrouwen bepaalden.

Het fotograferen van die stad, de interieurs van kleine, bedompte appartementen, en van treurige bordelen was als een therapie voor de Japanse. Je ziet het terug in haar foto’s. De sfeer is beklemmend, er zijn nauwelijks mensen te zien. En als ze er zijn, dan zitten ze gevangen binnen de grijze lijnen van hun omgeving. Tegelijkertijd zie je de hoop en de noodzakelijkheid om eruit te breken, om weg te vliegen en nooit meer terug te komen.

In 1984 kreeg Ishiuchi de beschikking over een groot formaat polaroidcamera, bestemd voor in een studio. Maar Ishiuchi gebruikte het bakbeest, net als haar collega Moriyama, om portretten buitenshuis te maken. Het gebruik veranderde haar blik en haar stijl. Het was alsof ze had afgerekend met het verleden en zich kon richten op iets nieuws.

De handen en voeten van haar leeftijdgenoten zijn niet gruizig en grofkorrelig. Ze zijn juist heel scherp en van dichtbij, met een microlens, in beeld gebracht. Deze intieme manier van fotograferen toont elke porie, elk rimpeltje, schilfertje en vlekje. Onwillekeurig ga je op zoek naar overeenkomsten tussen die voeten. Heeft bouwjaar ’47 nog bepaalde typische kenmerken voortgebracht?

Toch is die breuk in het werk van Ishiuchi eigenlijk alleen van formele aard. Inhoudelijk gaat ze min of meer door op hetzelfde pad. Nog altijd is ze bezig met het onderwerp dat haar vanaf haar jeugd heeft gefascineerd: de vrouw, en het verlangen om door te dringen tot de essentie van haar wezen.

In haar poging om steeds intiemer te fotograferen, komt ze via het lichaam van een oude Japanse danser (bij uitzondering een tanig en lenig mannenlijf) rond 2000 uit bij de ultieme intimiteit: het lichaam van haar moeder. Dat was een paar jaar daarvoor ernstig verbrand. Ishiuchi fotografeerde haar aangetaste huid, bezaaid met littekens, zo delicaat dat van afschuw geen sprake is.

Toen haar moeder plotseling stierf, ging ze door met het project. Het werd groter, behelsde niet alleen haar moeders lijf, maar ook de spullen die daarmee in verbinding hadden gestaan, zoals een haarborstel, lippenstiften, kanten ondergoed. Ishiuchi had bedacht dat het makkelijker zou zijn om die voorwerpen weg te doen nadat ze ze eerst had vastgelegd.

Fotografie was eigenlijk opnieuw therapie geworden. Maar gelukkig ligt het er in Ishiuchi’s werk nergens te dik bovenop. Nooit heb je het idee dat je naar een psychologische worsteling staat te kijken, die bestemd had moeten zijn voor de besloten kamer van een psychiater. Integendeel: de extra laag die ze, waarschijnlijk eerder onbewust dan bewust, in haar foto’s legt, maakt haar werk in het Westen juist zo populair.

En misschien geldt dat in het algemeen voor het werk van Japanse fotografen. Er spreekt een aantrekkelijk soort – je durft het woord al bijna niet meer gebruiken – authenticiteit uit.

Niet dat hun onderwerpen nu zo vreselijk bijzonder zijn; er zijn zoveel fotografen die zich hebben beziggehouden met het fotograferen van handen of bordelen. Maar uit de foto’s van die onderwerpen spreekt bij de Japanners een onvermijdelijke noodzakelijkheid.

Miyako Ishiuchi kon niet anders dan haar jeugd fotograferen. Dat ze haar moeder in kaart bracht via haar camera was onafwendbaar.

Misschien is het achterafpraat. Terugblikkend op het oeuvre van een kunstenaar vallen altijd wel bepaalde rode lijnen te ontdekken. Maar toch. Wie gaat kijken naar de dwingende foto’s van Ishiuchi in Foam, naar het prachtige leporello dat daarbij is verschenen – die ziet ze zelf ook.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden