Stedelijk, bedien ook benepen kleinburgers als ik

Foto de Volkskrant

Jarenlang was het Stedelijk Museum Amsterdam veruit mijn favoriet. De vaste collectie, de dikwijls opwindende exposities, de wonderschone bibliotheek, het tikje morose café-restaurant - genoeg redenen om er wekelijks binnen te wandelen. (Nou ja, bijna wekelijks.)

Sinds de heropening in 2012 nam die aandrang gestaag af. Dat lag niet aan de nieuwe uitbouw, door mijn bijdehante dorpsgenoten onmiddellijk 'de badkuip' gedoopt. Lelijkheid went. Het was het museale aanbod zelf dat me zelden meer wist te verleiden.

Ik ben, begrijp ik, niet de enige. Vorige week kwam NRC Handelsblad met een brisant tweeluik over het Stedelijk. Daarin las ik dat sinds 2014 de bezoekersaantallen met 20 procent zijn gedaald (de sponsorinkomsten met liefst 26 procent).

Ook las ik over een mistige transactie: het museum deed alsof het werken uit de collectie van de Duitse verzamelaar en kunsthandelaar Thomas Borgmann cadeau had gekregen, terwijl het er in werkelijkheid 1,5 miljoen euro voor betaalde. En ik las over de opvattingen van Beatrix Ruf, artistiek directeur sinds 2014.

Eind september wijdde de Volkskrant daar al een analyse aan. Volgens Ruf, schreef kunstredacteur Rutger Pontzen, moet het museum een 'politieke ruimte' zijn. Met zo'n keuze, schreef hij erbij, heeft het Stedelijk afscheid genomen van zijn rol 'als artistiek centrum'. Het avondblad beaamde dat Rufs passie meer ligt 'bij avant-gardekunstenaars die zich bekommeren over maatschappelijke thema's dan bij blockbusters van kunstenaars die esthetiek en stijl vooropzetten'.

Zacht uitgedrukt. Op vergaderingen, aldus een (anonieme) oud-medewerker in de krant, sprak Ruf 'vol dédain' over 'crowdpleasers'. Recentelijk organiseerde ze een forum te Zwitserland. Een van de conclusies luidde dat 'met het toenemend aantal museumbezoekers belangrijke waarden verloren gaan'.

Hoog tijd, kortom, om het Stedelijk weer eens met eigen ogen te bekijken. Woensdag rond het middaguur fietste ik naar het Museumplein en stapte de entreehal binnen.

Misschien trof ik het niet. Misschien loop je daar op andere dagen bij wijze van spreken over de hoofden. Maar ik zag nog niet het vermoeden van een rij. Welgeteld twee toeristen stonden bij de kassa een toegangskaartje à 17,50 euro af te rekenen.

Bij de werken van Jean Dubuffet was het behoorlijk druk - vooral met scholieren, loerend op hun smartphones. Bij '100 jaar De Stijl' doolden zes babyboomers rond, plus een vriendelijke suppoost. Een kleine vijftien belangstellenden spotte ik bij Edward Krasinski. Iets meer in de goed verstopte zalen met oude bekenden uit de vaste collectie.

Voorts bleken nogal wat exposities het thema identiteit en migratie te verkennen. In de zalen met de (prachtige) foto's van 'visueel activiste' Zanele Muholi had ik het rijk vrijwel alleen. Idem bij de videoinstallatie van Carlos Motta, bij de werken van Jana Euler.

Lichtpuntje: zo'n weldadige rust maak je tegenwoordig in Amsterdam nauwelijks meer mee. Desondanks beving mij een diepe treurigheid.

Aha, hoor ik u nu denken. Dus ik ben zo'n type dat kijkcijfers zaligmakend vindt? Nee, hoor. Iedereen mag van mij zijn neusje ophalen voor bezoekersaantallen. Net zoals het iedereen vrij staat om uit te dragen dat maatschappelijk engagement in dit tijdsgewricht zwaarder moet wegen dan kwaliteit.

Maar geen publiek gefinancierde instelling behoort uitsluitend zichzelf toe. Vorig jaar bestonden de inkomsten van het museum voor 58 procent uit subsidiebaten: 19 miljoen euro, waarvan 12 miljoen bijgedragen door de gemeente Amsterdam. Dat schept verplichtingen. Precies daarom dient het Stedelijk te zorgen dat het transparant is over schenkingen en aankopen. Precies daarom moet het niet te beroerd zijn om behalve de avant-garde, de kunsthandel en de verzamelaars óók benepen kleinburgers als ik te bedienen.

Het ene doen, het andere niet laten - ik snap met de beste wil niet wat daar op tegen is. Een béétje museumdirecteur zou zo'n spagaat juist verrukkelijk vinden. Zou er juist de synergetische mogelijkheden van zien.

Toe, toezichthouders. Laat het niet gebeuren. Laat niet gebeuren dat dit ooit zo bruisende, ooit zo wereldvermaarde instituut nog verder wegzakt in zijn eigen nuffigheid.